Home

‘Ik leef in het heden: nu moet ik eten, nu ga ik dit of dat doen’

Pieter Noordzij is 100 jaar. Hoe kijkt deze overlevende van twee concentratiekampen terug op de eeuw die achter hem ligt?

Pieter Noordzij woont op een bungalowpark. Na zijn pensioen besloot de 100-jarige met zijn vrouw permanent in hun vakantiehuisje tussen het groen in de Zeeuwse badplaats Renesse te gaan wonen. Eigenhandig vertimmerde hij het tot een comfortabele woning voor permanent verblijf. Noordzij heeft een nuchtere en optimistische kijk op het leven, en kan onfortuinlijke episoden makkelijk achter zich laten, blijkt als hij terugblikt op 2,5 jaar gevangenschap tijdens de oorlog in Kamp Amersfoort en Buchenwald. Deksel erop en weer verder.

Hoe ziet uw dagelijks leven eruit?

‘Het liefst ben ik elke dag bezig, rommelen en klussen, maar de laatste tijd gaat dat niet meer doordat ik mijn evenwicht moeilijk kan bewaren. Ik verdrijf mijn tijd vooral met het volgen van actualiteiten. Daar kun je heel druk mee zijn.

‘Ik heb altijd graag gewerkt en ben doorgegaan tot ik eind tachtig was, en het echt niet meer ging. Gezellig, onder de mensen zijn. Ik was zelfstandige in de metaalbewerking, en bracht vraag en aanbod bij elkaar. Als autofabriek Daf bijvoorbeeld onderdelen nodig had, liet ik die maken bij een metaalbedrijf. Ik heb gezien hoe metalen onderdelen met de opkomst van China steeds goedkoper werden. Dat scheelt consumenten veel geld. Ik scheer mij elektrisch, de bovenste kop die ik pas moest vervangen, moest helemaal uit China komen.’

U volgt het nieuws dus op de voet, wat valt u zoal op?

‘De klimaatverandering in de eerste plaats. Daar maak ik mij geen zorgen over, want dat helpt niet. Het is niet meer tegen te houden. Geen mens kan weten wat er daadwerkelijk gaat gebeuren.’

Er klinken nu geluiden als: de jaren dertig lijken terug te keren, met het gure politieke klimaat, wegzetten van minderheidsgroepen en toenemend antisemitisme.

‘Daar ben ik het niet mee eens. In de jaren dertig van de vorige eeuw was er te weinig eten en een grote werkloosheid. Ook waren er niet zoveel demonstraties als nu. In de politiek rommelen ze nu met elkaar, maar heel anders dan bijna honderd jaar geleden, toen het politici waren die antisemitisme verspreidden. Het antisemitisme dat je nu ziet, komt van een paar sukkels die hun mond niet kunnen houden. Wie mij niet gelooft, komt maar langs om met mij te praten.’

Met welke periode in uw leven bent u het meest bezig?

‘Met het nu. Ik leef in het heden: nu moet ik eten, nu ga ik dit of dat doen.’

Denkt u niet vaak terug aan de oorlogstijd, zoals veel 100-jarigen?

‘No.’

(Hij staat op en komt terug met een krantenknipsel uit het Algemeen Dagblad van februari 2023. Het is een in memoriam van een hem onbekende Nederlander met als kop: ‘De laatste oud-gevangene van concentratiekamp Buchenwald’.)

‘Wat daar staat klopt niet, want ik heb ook in Buchenwald gezeten. En daarvoor negen maanden in Kamp Amersfoort. Toen ik na de bevrijding terugkeerde uit Duitsland, was ik de kampjaren kwijt. Als ik ergens niet meer leef, stopt het. Ik heb er dus geen trauma aan overgehouden.’

Is het, denkt u, een kwestie van karakter dat de een getraumatiseerd uit een concentratiekamp komt en de ander niet?

‘Ik zou het niet weten.’

Wilt u vertellen over wat u er zoal heeft meegemaakt?

(beetje cynisch:) ‘Het was heel gezellig. Op mijn 19de werd ik opgeroepen om in Duitsland te gaan werken. Maar ik ging niet. Ik kwam in het verzet terecht, kleine dingen hoor, het begon met het pesten van NSB’ers, zoals het ingooien van ruiten. In de zomer van 1943 dook ik onder bij een tuinder in Berkel en Rodenrijs. Daar zaten meer jongens. Iemand heeft ons verraden – korte tijd later is hij van zijn fiets afgeschoten, als afrekening – en zo kwam ik na zes weken onderduik in Kamp Amersfoort terecht.

‘Al meteen de eerste dag werd ik gestraft. Ik liep rond op blote voeten, omdat mijn sandalen waren gestolen. Voor mijn onoplettendheid zou ik twintig stokslagen krijgen, maar na twaalf stopte die bewaker ermee omdat ik geen kik gaf. Kennelijk moest je brullen. Als er iemand was ontsnapt uit het kamp, moest iedereen net zo lang op appel blijven staan totdat hij was gevonden. Daarna moesten we toekijken hoe hij werd ‘afgedroogd’.

‘Vooral de Joden werden gepest. De Neut, een beruchte Nederlandse SS’er, had het speciaal op hen voorzien. Ik werd nijdig op hem toen ik zag dat hij een Jood met de scherpe kant van een spa op zijn rug sloeg. Vrienden sleurden mij snel weg, anders was het ook mijn beurt geweest.

‘Na negen maanden werd ik in een veewagon naar Buchenwald vervoerd, waar ik tot de bevrijding gevangen zou blijven. Ik werd ondergebracht in het Hollandse blok. We moesten in een steengroeve werken; steen uithouwen met een pikhouweel en de grote brokken op je rug naar het kamp versjouwen – zwaar werk. Op het laatst zaten we met 35 duizend man in dit kamp, er waren ook veel Russische krijgsgevangenen. De Joden zaten in een van de andere kampen van Buchenwald, van hun lijden wisten we niet.

‘De steengroeve werd ik zat. Ik kon bij de spoorbaan terecht, verzakte bielzen opkrikken. We werden gecommandeerd door SS’ers. Je moest vooral niet opvallen. Een van mijn Nederlandse vrienden had een glazen bril – met zo’n bril was je iemand, een dokter of professor. Een SS’er sloeg hem zo hard, dat zijn bril kapotviel op de grond. Ik was de volgende. Een andere vriend, René Roëll, zag dat ik het koud had, het was -15 graden. Ik mocht een wollen pullover van hem lenen, die zijn moeder had gebreid. Dat had ik niet moeten doen, met zo’n mooie trui aan pikte een SS’er mij er meteen uit. Ik moest kniebuigingen maken, na vier keer viel ik, zo verzwakt was ik. De SS’er trapte mij net zolang in elkaar totdat ik ging staan.

‘Aan een Hollander die in de keuken werkte, vroeg ik of hij daar een baantje voor mij wist. De volgende ochtend om acht uur mocht ik langskomen, zei hij, ‘maar je moet er dan wel netter uitzien, je lijkt wel een schooier’. Ik zocht een schaar – eenvoudig was dat niet – en knipte de rafels van mijn jasje af. In de keuken werkte Jan Haken, een communist uit Finsterwolde, als voorman. Jan gaf mij een gevangenispakje voor keukenpersoneel en deelde mij in als koffie-kapo; ik moest koffie zetten en pap maken voor zieken.

‘Na een paar dagen vroeg ik Jan of hij ook mijn twee vrienden Chiem en René kon indelen in de keuken. We hebben daar een mooi leven gehad, want we hadden altijd genoeg te eten – dat was het enige wat je interesseerde. ’s Avonds doodden we de tijd met politieke gesprekken. Jan Haken had al snel door dat ik als gereformeerde jongen niet te bekeren was tot het communisme.’

Hoe hield u de moed erin?

‘Ik zat er met een groep eensgezinde jongens, ook gereformeerd. Mijn geloof heeft mij ontegenzeglijk geholpen. Hoe, is moeilijk onder woorden te brengen. Ik voelde de steun van God. Je mocht in Buchenwald geen bijbel bezitten, maar een van de jongens had een heel klein exemplaar verstopt in zijn kleding, daar lazen we elke avond uit.’

Herinnert u zich de bevrijding van Buchenwald?

‘Op 11 april 1945 bevrijdden Amerikaanse soldaten het kamp. Op dat moment was ik gedetacheerd in het bos om palen te zagen, we sliepen in een keet. Aan alles merkten we dat het voor de Duitsers penibel aan het worden was – ze waren zenuwachtig en chagrijnig. Drie mannen die voorbijliepen vroegen wie ik was. Het bleken Amerikanen die wilden weten of er nog Duitsers in de buurt waren. Ik wist meteen: we zijn vrij, liep naar de andere jongens en zei: ‘Ik ga naar huis.’ Bij een boerin vroeg ik een lap stof, daarvan maakte ik een rugzak – dat vond ik erg knap van mijzelf.

‘Onderweg kwam ik in een kleine stad waar veel Duitsers aan het roven waren in winkels. Ik dacht: laat ik maar meedoen en nam wat eten en een paar skischoenen mee – als ruilmiddel voor onderweg. Ik was een eerlijke jongen, had alleen honger.

‘Al lopend richting het westen zag ik voor het eerst in mijn leven een Jeep. Ik kreeg een lift. Er zaten jongens op van 18, 19 jaar. Aangekomen bij de grens, bleek dat nog niet heel Nederland bevrijd was. Tot het zover was, kon ik logeren bij een gezin. De huisbaas was bezig zijn schoenen te repareren achter een schoenmakersleest. ‘Het is niet veel meer’, hoorde ik hem zeggen. Ik gaf hem de skischoenen die ik gejat had. Na drie weken kon ik mee op een open vrachtwagen, tot Dordrecht, waar mijn ouders woonden.’

In wat voor een gezin bent u opgegroeid?

‘Een heel gewoon kruideniersgezin, niet rijk en niet arm, met zeven kinderen. Pas heel laat kwam ik er per toeval achter dat de drie oudsten tijdens het eerste huwelijk van mijn vader waren geboren. Zijn vrouw overleed aan tbc. Het maakte mij niet uit dat ons dat nooit was verteld. Wat niet nodig is, moet je niet doen.’

Hoe zou u uzelf typeren?

‘Geen idee. Daar heb ik geen naam voor.’

Een man met een opgeruimd karakter, is mijn indruk.

‘Dat kan kloppen, ik hou niet van rommel.’

Pieter Noordzij

Geboren: 12 augustus 1924 in Vlaardingen

Woont: zelfstandig, in Renesse

Beroep: inkoper en ontwerper

Familie: drie kinderen (twee overleden), vier kleinkinderen, drie achterkleinkinderen, één achterachterkleinkind

Weduwnaar sinds 2014

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next