In Willemstad op Curaçao is zaterdag op 89-jarige leeftijd Dominico Felipe Martina overleden. De invloedrijke oud-politicus was tweemaal premier van de toenmalige Nederlandse Antillen.
is politiek verslaggever van de Volkskrant en schrijft onder meer over justitie.
Nog onlangs, in de vorige maand verschenen bundel Last of lust? Zeventig jaar Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, vertelde Martina dat zijn politieke bewustzijn terugging tot zijn studietijd in Nederland. In Haarlem bezocht hij tussen 1952 en 1956 de hogere technische school, precies de periode waarin het Statuut tot stand kwam.
‘Ik besefte dat er iets groots te gebeuren stond; dat er door mijn land, Nederland en Suriname, werd onderhandeld over zelfbeschikking’, aldus Martina. ‘Ik denk dat toen, zeventig jaar geleden, de kiem is gelegd voor mijn latere politieke activiteiten.’
Het Statuut maakte een einde aan de koloniale verhoudingen en bracht binnen het Koninkrijksverband, in elk geval op papier, gelijkwaardigheid tussen het voormalige moederland en de voortaan zelfstandige landen. Suriname zou in 1975 alsnog onafhankelijk worden.
Feitelijk begon de politieke loopbaan van Martina na de opstand op Curaçao in 1969. Een staking bij een onderaannemer van Shell mondde uit in een volksopstand, waarbij grootschalige vernielingen in de binnenstad van Willemstad werden aangericht. Er vielen twee doden en honderden gewonden.
Die gewelderuptie werd algemeen uitgelegd als een uiting van sociale onvrede en achterstelling van de lokale bevolking. Martina richtte in 1971 met een groep gelijkgestemden de Movementu Antia Nobo op, later Partido MAN, die in het geweer kwam tegen corruptie en vriendjespolitiek. Hij werd nog datzelfde jaar in de eilandsraad gekozen.
‘We wilden een einde maken aan het aan het koloniale verleden overgehouden systeem van patronage, waarbij partijen die aan de macht waren partijleden bevoordeelden en niet-partijleden benadeelden.’ Martina verzette zich niet tegen de verhouding met Nederland. ‘We moesten zelf instaan voor goed bestuur: autonomie betekent dat je bereid bent verantwoordelijkheid te nemen.’
Bij de verkiezingen van 1979 werd het sociaaldemocratische MAN de grootste partij en Martina premier. Martina bouwde nauwe banden op met de PvdA en raakte bevriend met Joop den Uyl en zijn familie, in de tijd waarin Den Uyl minister en premier was. Martina manifesteerde zich als een emancipator van de zwarte mensen en droeg bij aan nationale trots.
Het belangrijkste dossier waarmee hij te maken kreeg, was de wens van Aruba om uit de Antillen te stappen. Martina respecteerde die wens, ook al besefte hij dat daaraan nadelige economische gevolgen voor Curaçao en de andere eilanden waren verbonden. Aruba droeg flink bij aan de inkomsten van het land Antillen.
Na lange onderhandelingen kreeg Aruba in 1986 de status aparte. Het betekende dat Martina tijdens zijn tweede periode als premier moest bezuinigen. Het werd een moeilijke tijd voor Martina, waarin het tot een herschikking van inkomsten moest komen en Sint Maarten daaraan niet wenste mee te doen.
Zijn premierschap eindigde in 1988, toen Martina’s kabinet viel. ‘Ik ging liever de geschiedenis in als een politicus die de verkiezingen heeft verloren, dan één die het niet heeft gedurfd in het belang van land en volk moeilijke beslissingen te nemen’, zei hij daarover in Last of lust? Martina was nog Statenlid, voordat hij in 1999 afscheid nam van de politiek. Hij was sinds vorig jaar minister van Staat van Curaçao.
Wel bleef hij op de achtergrond actief. Hij zag de noodzaak in van hervorming van de Nederlandse Antillen. Na jaren discussie volgde in oktober 2010 (10-10-10) de ontmanteling van de Antillen. Naast Aruba werden Curaçao en Sint Maarten autonome landen binnen het Koninkrijk, met Defensie en Buitenlandse Zaken als gezamenlijke taak en de afspraak elkaar te ondersteunen waar nodig. Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) werden bijzondere gemeenten (‘openbare lichamen’) van Nederland.
Martina was ook een pleitbezorger van eerherstel voor Tula, de slaafgemaakte die de slavenopstand van 1795 leidde en daarna werd geëxecuteerd. Zijn rehabilitatie volgde in 2010. Tula werd officieel ‘nationale held’ van Curaçao. Nadat premier Mark Rutte in december 2022 excuses aanbood voor het slavernijverleden, volgde in oktober 2023 ook in Nederland rehabilitatie.
Alexandra van Huffelen, toenmalig staatssecretaris van Koninkrijksrelaties, zei bij die gelegenheid: ‘De Nederlandse regering onderkent volmondig de rechtvaardigheid van Tula’s strijd, en die van anderen die zich tegen slavernij verzetten, en kijkt met spijt en schaamte naar de manier waarop zij door historische, bestuurlijke voorgangers zijn behandeld.’ Volgens koning Willem-Alexander was Tula ‘zijn tijd vooruit’ en ‘een groot man die weigerde te buigen en te zwijgen’. Don Martina zette Tula op één lijn met Nelson Mandela, Martin Luther King en Gandhi.
Gert Oostindie, emeritus hoogleraar koloniale en postkoloniale geschiedenis: ‘Een man van het kaliber dat nu node wordt gemist in de Curaçaose politiek. Integer, nationalistisch zonder opportunistisch anti-Nederlandse sentimenten te bespelen – evenwichtig.’
John Leerdam, voormalig PvdA-Kamerlid, nu kwartiermaker voor het Nationaal Slavernijmuseum: ‘Een bedachtzame, intelligente bestuurder die de sociaaldemocratie introduceerde in de politiek van de Antillen en liet zien dat je als zwarte man of vrouw echt iets kunt bereiken. Wars van populisme. Voor mij, van een jongere generatie, absoluut een voorbeeld.’
Paul Comenencia, voormalig gevolmachtigd minister van de Nederlandse Antillen, nu werkzaam als staatsraad bij de Raad van State: ‘Ik heb zeer plezierig met Martina samengewerkt rond 2002 in een Oeso-werkgroep die adviseerde over de sociaal-economische structuur van de Antillen. Hij was voorzitter, had de politiek verlaten, maar je kon merken dat hij daar veel ervaring opgedaan had. Een innemende, verbindende man, die pragmatisch en resultaatgericht werkte.’
Alles over politiek vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant