Kilometers aan gerechtelijke dossiers over foute Nederlanders in de oorlog zouden op 2 januari online komen. Totdat de toezichthouder een paar weken geleden ingreep: te privacygevoelig. Het is een kwestie die steeds aan de orde is geweest.
schrijven voor de Volkskrant geregeld over de Tweede Wereldoorlog
Moesten de Joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog werden weggevoerd soms ook wachten totdat hun privacy geregeld was? Wordt het na tachtig jaar niet eens tijd dat nabestaanden te horen krijgen wie hun hele familie heeft verraden? Wat een schande, wat een teleurstelling: de reacties die begin december binnenkwamen bij Joodse organisaties waren boos en emotioneel.
Alles leek geregeld, vanaf 2 januari zou het eerste deel van het grootste oorlogsarchief van Nederland online komen; 3,8 kilometer aan gerechtelijke dossiers over zogeheten foute Nederlanders, die iedereen vanachter de eigen laptop kan doorzoeken. Een archief over daders en verdachten met volop informatie over verraad, razzia’s, Jodenjagers. Joodse nabestaanden hoopten eindelijk te kunnen achterhalen hoe hun familie in handen was gevallen van de nazi’s. De geplande informatie-avond van het Joods Maatschappelijk Werk was volgeboekt, medewerkers stonden klaar om te helpen zoeken en emotionele steun te bieden.
En toen kwam het nieuws, op een vrijdagmiddag, drie weken voordat het archief beschikbaar zou komen. Het ging niet door, de Autoriteit Persoonsgegevens had ingegrepen. In het archief zit gevoelige informatie over mensen die nog leven, hun privacy was in het geding.
Tom Bouws van het Centraal Joods Overleg (CJO) kon het nauwelijks geloven. ‘Ik weet van een Jood van 86 die zijn gevoel had weggestopt, maar nu van plan was online te gaan zoeken’, zegt hij. ‘Hoe moet dat verder? Leeft deze man nog over een paar jaar?’
Het begon allemaal zo veelbelovend, met een presentatie in het Amsterdamse Trippenhuis. Historicus en journalist Ad van Liempt liet in 2019 voor een volle zaal een filmpje zien van de 3-jarige Floortje Citroen, een klein Joods meisje met krulletjes. ‘Niemand hield het droog’, vertelt hij, ‘ook ik niet.’
Floortje werd in 1943 opgepakt op haar onderduikadres en vermoord in Sobibor. Haar familie wist zestig jaar lang niet wat er met haar was gebeurd, totdat Van Liempt haar verhaal ontdekte in het Nationaal Archief in Den Haag. Het zat verstopt in een van de dossiers over collaborateurs, die hij doornam voor zijn boek over Jodenjagers. Na publicatie kreeg Van Liempt een emotioneel telefoontje van Floortjes halfbroer. Die stuurde hem het filmpje.
Dat Van Liempt op Floortje was gestuit, was puur toeval geweest, zegt hij. Voor zijn onderzoek las hij 250 strafdossiers van collaborateurs, terwijl er in het Haagse archief documenten liggen over 425 duizend daders en verdachten. Dat Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) is een goudmijn voor wie iets wilde weten over de daders, maar voor de nabestaanden van vermoorde Joden en verzetsmensen was het bijna onmogelijk om informatie te vinden. In het archief kun je alleen zoeken op naam van de dader, maar wie weet er nou door wie hun dierbaren zijn opgepakt of verraden?
Daarom was Van Liempt onmiddellijk enthousiast over de plannen van het Nationaal Archief om alle dertig miljoen documenten te scannen, online te zetten en digitaal doorzoekbaar te maken. Oorlog voor de rechter heet dat enorme project en een consortium van instellingen, waaronder het Niod, werkt eraan mee. Drie ministeries stelden gezamenlijk 21 miljoen euro beschikbaar. Bij de openingsceremonie vertelde Van Liempt over Floortje, symbool voor de betekenis van het project.
‘Het archief staat vol met ogenschijnlijke details die het verschil betekenden tussen leven en dood’, zegt Bouws van het CJO. ‘Wie heeft een kind helpen onderduiken? Wie heeft een verzetsgroep verraden en daar geld voor opgestreken? Het is naast het archief van grote en kleine daders, meelopers en opportunisten, ook het archief van slachtoffers en van grote en kleine onbaatzuchtige hulp.’
Pas veel later, op een dinsdagavond in oktober 2023, drong bij Jeroen Saris in volle omvang door wat het project voor gevolgen zou hebben. Hij zat op het podium bij een informatieavond in het Amsterdamse debatcentrum De Rode Hoed. De zaal puilde uit, projectdirecteur Puck Huitsing had net verteld over de enorme rijkdom van het CABR-archief. Alles kwam online te staan, zei ze. En opeens bekroop Saris een gevoel van onveiligheid. Was er echt geen selectie?
Saris was destijds nog voorzitter van de Werkgroep Herkenning, die nabestaanden van foute Nederlanders vertegenwoordigt. De Werkgroep is voorstander van het opengooien van de archieven, zegt Saris, maar dan wel met respect voor de nabestaanden van al die mensen over wie een dossier is aangelegd. Velen blijven liever zwijgen, weet hij. Vaak zijn ze na de oorlog gepest en gemeden, alleen maar omdat hun ouders een foute keuze hadden gemaakt.
Daar komt bij: lang niet iedereen weet dat er een fout familielid in dat archief zit en dan volgt straks misschien opeens de confrontatie met een onbekend verleden, bij de sportclub of via een anonieme toetsenbordridder.
Saris merkte die avond hoe het in de zaal begon ‘te borrelen’. Er kwamen kritische vragen. Mocht dit zomaar?
Projectdirecteur Huitsing pareerde ze allemaal. De archiefwet bepaalt dat de dossiers na 75 jaar openbaar toegankelijk moeten worden in de studiezaal en het Nationaal Archief wilde een stap extra zetten. De jongere generatie beschouwt een archief als een stoffig gebeuren, terwijl het van groot belang is dat iedereen straks kennis kan nemen van de informatie over collaboratie en verzet, vertelde ze. Daarom: digitaliseren en online zetten, zonder drempels, zodat de dochter van de Joodse Selma Wijnberg, die ontsnapte uit vernietigingskamp Sobibor, niet helemaal vanuit New York naar de Haagse studiezaal hoeft te komen om documenten over haar moeder in te zien.
Na afloop stonden sommige bezoekers ‘te trillen op de benen’, zegt Saris.
De vraag of dit allemaal mocht, lag toen allang op tafel. Vanaf het begin van het project was er aandacht geweest voor de juridische dilemma’s. Drie rapporten benoemden de risico’s.
De dossiers in het CABR-archief bevatten bijzondere en strafrechtelijke persoonsgegevens over mensen die nog leven, gevoelige informatie over onder meer geloof, gezondheid en politieke opvattingen. De meeste daders en verdachten zijn overleden, maar in hun dossiers staat ook informatie over derden. Zo kan een getuigenverklaring duidelijk maken dat iemand strafbare feiten heeft gepleegd of kunnen documenten die bij een huiszoeking in beslag zijn genomen informatie geven over iemands NSB-lidmaatschap.
Het beschikbaar stellen van die persoonsgegevens was ‘een risico en juridisch dilemma waarvoor wij vooralsnog geen oplossing hebben’, schreef bureau Eiffel in februari 2022. Nóg kritischer waren de eigen juristen van het Nationaal Archief, die ruim een jaar later in een interne memo concludeerden dat de dossiers ‘in principe niet online beschikbaar mogen worden gesteld’ omdat daarmee de privacywet werd overtreden.
Volgens de interne juristen was er maar één scenario juridisch te verantwoorden, een scenario waarin flinke drempels werden opgeworpen: wie de dossiers wilde inzien, moest naar de studiezaal in Den Haag komen en daar inloggen.
In mei 2023 kwam in de vergaderzaal van het Utrechts archief een uniek gezelschap bijeen: vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap, het voormalige verzet en nabestaanden van foute Nederlanders. Projectdirecteur Puck Huitsing had ze gevraagd of ze zich wilden buigen over de morele problemen die kunnen ontstaan als de dossiers voor iedereen doorzoekbaar worden. Wat moest online komen? Wie verdiende bescherming? En hoe dan?
Zeven keer zou dat ethisch beraad vergaderen, nooit eerder hadden die drie groepen samengewerkt. ‘In het begin had ik er slapeloze nachten van’, zegt Tom Bouws van het Centraal Joods Overleg. ‘Later ging het beter.’
‘We hebben intern wel even gediscussieerd’, zegt Dik de Boef, die aanschoof namens het Centraal Orgaan Voormalig Verzet en Slachtoffers. ‘Maar we vonden het belangrijk om eraan mee te doen. We moeten leren van de geschiedenis, er is opnieuw een tendens in de samenleving om de democratie te ondermijnen.’
‘Het deed ons goed dat we daar als gelijkwaardige partij waren uitgenodigd’, zegt Saris. ‘Maar we moesten daardoor wel uit onze comfortzone treden. Onze werkgroep was altijd een instelling voor hulpverlening, nu werden we belangenbehartiger.’
Bij iedereen leefde het besef dat de openstelling van zo’n beladen archief ‘uit de bocht kon vliegen’, zegt Ad van Liempt, die als ‘veelgebruiker’ van het oorlogsarchief ook zitting had in het beraad. Daarom ging de groep op zoek naar praktische oplossingen.
Wat bijvoorbeeld te doen met een geboortekaartje waarop de kersverse vader zijn functie in de NSB-rangen vermeldt? Met documenten waaruit blijkt dat een wanhopige jonge vrouw seks had met een Duitse soldaat in de ijdele hoop deportatie van haar Joodse man te voorkomen? De dossiers van daders en verdachten bevatten naast gerechtelijke stukken nog zoveel meer – moest dat straks allemaal online?
In maart 2024 kwam het ethisch beraad met aanbevelingen die ‘een zachte landing’ moesten garanderen. De dossiers van daders en verdachten die nog leven, mochten niet online worden gezet. Er moest uitleg komen bij de gerechtelijke stukken zodat gebruikers snappen wat ze lezen. Ook vond het beraad dat er een ‘ventiel’ nodig was: een commissie voor schrijnende gevallen, die snel zou kunnen beoordelen of gevoelige stukken na publicatie offline moesten worden gehaald.
Niet lang nadat het ethisch beraad het advies had gepresenteerd, koos de Werkgroep Herkenning de vlucht naar voren. Op 29 april verstuurde Jeroen Saris een persbericht, waarin hij de zorgen van de nabestaanden van foute Nederlanders nog eens benadrukte. Hij presenteerde ook een nieuw plan, dat hij in een aantal media mocht toelichten, waaronder talkshow Op1.
Dat plan hield in dat de eerste twee jaar de documenten uit het CABR-archief alleen voor bezoekers van bibliotheken en archieven beschikbaar zouden moeten komen. Niet dat hij de online toegankelijkheid wilde dwarsbomen, zei hij in de Volkskrant. Hij wilde zijn achterban oproepen om de eigen angst te overwinnen en zich niet te laten verrassen. ‘Ze kunnen dan eerst zelf gaan kijken wat er in het dossier staat, als ze dat nog niet gedaan hebben.’
Zijn mediaoffensief kreeg veel aandacht, maar in het ethisch beraad ontstond irritatie. ‘Saris kaapte met zijn optreden telkens weer de agenda’, zegt Bouws. ‘De focus lag in de bijeenkomsten te veel op de risico’s van het project en minder op wat het voor ons betekende en voor wat de samenleving ervan kon leren.’
Het Centraal Joods Overleg reageerde op Saris door brieven naar drie ministeries te sturen, met een pleidooi voor onbelemmerde toegang tot het CABR-archief. ‘Wij vonden de berichtgeving eenzijdig en speculatief en wilden een tegengeluid laten horen’, zegt Bouws.
Wat niemand toen nog wist, was dat de Autoriteit Persoonsgegevens zich intussen ook over het project boog. Een nabestaande van iemand met een CABR-dossier had de toezichthouder geattendeerd op mogelijke onrechtmatigheden.
Klopte het nou allemaal wel met de privacywet? De Werkgroep Herkenning was daar niet zeker van en vroeg hoogleraar archiefwetenschappen Charles Jeurgens in het voorjaar van 2024 om een extra ‘risicotoets’. Het Nationaal Archief ging akkoord en was mede-opdrachtgever. Jeurgens toonde zich in zijn rapport behoorlijk kritisch en schreef dat het Nationaal Archief ‘een aanmerkelijk risico’ liep te worden ‘teruggefloten’.
Consequenties had het niet. Op de eerstvolgende vergadering van het ethisch beraad werd het rapport terzijde geschoven. Saris protesteerde: waarom wilde het Nationaal Archief het project voortzetten op een manier die zelfs de eigen juristen riskant vonden? ‘Een enorme stommiteit’, zegt hij achteraf.
Projectleider Huitsing ziet het anders. Jeurgens schreef niets nieuws, zegt ze. ‘Ja, er is een privacyrisico, er zullen in die miljoenen documenten bijzondere persoonsgegevens zitten van mensen die nog leven, maar dat risico is volgens ons klein. Het maatschappelijk belang daarentegen is groot. Die afweging hebben we gemaakt en dat mag: privacy is geen vaststaand recht.’
Er zijn voldoende waarborgen, zegt Huitsing. Wie moeilijkheden voorziet, kan bezwaar maken bij een commissie, die beoordeelt of gevoelige stukken offline moeten worden gehaald. ‘Moeten we, vanwege de bezwaren van een kleine groep, belangrijke informatie onthouden aan een veel grotere groep, een groep die het recht heeft om de familiegeschiedenis te kennen?’
En dus besloot het Nationaal Archief, ondersteund door het consortium, in de zomer van 2024 definitief om de 3,8 kilometer aan documenten online te gaan zetten. Het is een novum in de archiefsector, realiseerde Huitsing zich, en dus een juridisch schemergebied. Het kon zijn dat er rechtszaken zouden volgen. Ze waren bereid dat risico te nemen.
Aan het einde van de zomer sloeg de stemming in het ethisch beraad om. De 80-jarige Herman Schouten, een van de afgevaardigden van de Werkgroep Herkenning, vertelde eind augustus in de Stentor hoeveel invloed het oorlogsverleden van zijn ouders en grootouders op zijn leven had gehad. ‘Toen in Nederland de vrede kwam, begon voor ons de oorlog en die duurt tot de dag van vandaag’, zei hij. ‘Iedereen in de buurt wist het van mijn ouders. Ik mocht niet bij andere kinderen spelen.’
Schouten wist dat het voor sommige lotgenoten pijnlijk was als trauma’s werden opgerakeld. Het interview eindigde met de opmerking dat hij zich in het ethisch beraad zou blijven verzetten tegen ‘het besluit uit de Joodse gemeenschap’ om het oorlogsarchief in een keer online te zetten.
De publicatie viel slecht bij de andere deelnemers, vooral vanwege die laatste zin, die feitelijk onjuist was. Tom de Smet, plaatsvervangend algemeen directeur van het Nationaal Archief, stuurde een mail rond waarin hij afstand nam van de uitspraken van Schouten.
De eerstvolgende vergadering was ongewoon. ‘Herman komt niet meer’, zei Jeroen Saris, en hij bood namens de Werkgroep Herkenning zijn excuses aan. Schouten zelf had geweigerd om uitleg te komen geven over het interview en had zich daarom teruggetrokken.
Het werd een emotionele bijeenkomst. Tot dan toe waren de vergaderingen vrij zakelijk verlopen, maar nu kwamen voor het eerst de gevoelens op tafel. De opmerking van Schouten over de oorlog, en dat die voor hem na 5 mei pas begon, was voor de Joodse delegatie zeer kwetsend. ‘Alsof zijn pijn groter was’, zegt directeur Margo Weerts van het Joods Maatschappelijk Werk.
Dik de Boef, voorzitter van de gezamenlijke verzetsorganisaties, die tot dan toe op de achtergrond was gebleven, sprak zich voor het eerst ook uit. Hij vertelde over zijn vader, een verzetsman, die met een vriend met gedropte wapens in een bootje op de Rijn had gezeten en door een Wehrmachtsoldaat werd gesnapt. Zijn vader duwde de soldaat met een roeispaan onder water. ‘Die jongen kwam nog een keer boven en riep toen om zijn moeder.’ Vader De Boef moet zich zijn hele leven schuldig hebben gevoeld, maar hij zweeg. Pas een half jaar voor zijn dood vertelde hij het verhaal. Toen pas snapte Dik de Boef waarom zijn vader nooit zijn gevoelens kon uiten. ‘Dat is wat de oorlog veroorzaakt’, hield hij de vergadering voor.
De achtergrond van alle deelnemers was anders, hun emoties verschilden, maar ze deelden het zwijgen en de pijn. ‘Als je dat van elkaar erkent, dan kun je een gesprek voeren’, zegt Margo Weerts. ‘In die cruciale vergadering’, zegt Tom Bouws, ‘zijn we nader tot elkaar gekomen.’ Over een ding was iedereen het eens: kinderen zijn niet verantwoordelijk voor de daden van hun ouders. Maar voor kinderen van foute ouders was daarmee het probleem niet verdwenen. Bouws: ‘Schuld is niet overdraagbaar, schaamte kennelijk wel.’
Terwijl de deelnemers van het ethisch beraad dachten de grootste obstakels met elkaar uit de weg te hebben geruimd, diende zich in Den Haag groot onheil aan. De Autoriteit Persoonsgegevens had maandenlang onderzoek gedaan en maakte zich grote zorgen. Eind oktober en begin november sprak de toezichthouder twee keer met medewerkers van het Nationaal Archief. Daar legde de Autoriteit de bezwaren op tafel: in de CABR-dossiers zit zeer gevoelige informatie van nog levende mensen die niet zomaar volledig doorzoekbaar online mag worden gezet. Dat is ‘een ernstige inbreuk’ op de privacy.
Het Nationaal Archief benadrukte tijdens het gesprek dat er statistisch gezien een kleine kans was dat er van levende personen nog gevoelige informatie in de dossiers zit. Maar statistiek, zei de toezichthouder, is geen geldig argument om de privacywet te omzeilen. Alle nog levende mensen die in het archief zijn terug te vinden, hebben recht op bescherming van de wet. Dat familieleden van foute Nederlanders straks bezwaar kunnen maken is fraai, maar het nam de onrechtmatigheid niet weg.
Zelfs alleen een voornaam in een getuigenverklaring kan al problemen geven, aldus de Autoriteit. Als dat een bijzondere naam is van een dader of een nabestaande uit een klein dorp, dan zou snel bekend zijn om wie het ging.
Toen duidelijk werd dat het Nationaal Archief de voorgenomen plannen toch wilde doorzetten, besloot de privacywaakhond tot maatregelen. Op 26 november stuurde de Autoriteit Persoonsgegevens een elf pagina’s tellende brief naar minister Bruins van Onderwijs met daarin een officiële waarschuwing.
Het Nationaal Archief is meerdere keren op de juridische risico’s gewezen, schreef de Autoriteit, en had de interventie ‘kunnen voorzien en voorkomen’. Het archief had vanwege het hoge privacyrisico zélf moeten aankloppen bij de Autoriteit en dat was niet gebeurd. Bovendien was verzuimd om juridisch advies in te winnen bij de eigen functionaris gegevensbescherming, een wettelijke verplichting.
Minister Bruins schreef de Tweede Kamer op 6 december dat hij de waarschuwing ‘vanzelfsprekend serieus’ nam. De gevolgen waren groot: na jaren voorbereiding, en met nog drie weken te gaan, ging de geplande online openstelling van het grootste oorlogsarchief van Nederland niet door. ‘Betreurenswaardig’, aldus Bruins.
Ontzetting alom. Niemand in het ethisch beraad wist dat de privacykwestie zo hoog was opgelopen. In het land stond iedereen klaar voor de start. Burgemeesters waren bijgepraat, de hulpverlening was geregeld, er waren regionale bijeenkomsten gehouden, historici hadden een onderzoeksagenda opgesteld.
‘Mij verbaast de verbazing’, zegt Jeroen Saris. ‘Hoeveel waarschuwingen hebben er de afgelopen jaren niet geklonken?’
Een snelle oplossing lijkt niet voorhanden. Minister Bruins kondigt in zijn brief een wetswijziging aan: pas de Archiefwet zo aan dat er bij het verstrekken van gevoelige informatie voortaan een belangenafweging kan worden gemaakt tussen openbaarheid en privacy. Dat komt álle archieven ten goede die de komende jaren online worden gezet.
Ook ‘overweging 158’ van de Europese privacywet kan wellicht uitkomst bieden. Die biedt ruimte om informatie te openbaren over oorlogsmisdaden en de Holocaust, ook als daarbij gevoelige gegevens vrijkomen. Nederland heeft een verklaring ondertekend van de Internationale organisatie voor herdenking van de Holocaust (IHRA) met de belofte overweging 158 over te nemen in de nationale wetgeving. Sindsdien heeft de IHRA er bij Nederland en de andere lidstaten op aangedrongen dat daadwerkelijk te doen, zegt Huitsing zichtbaar gefrustreerd, ‘maar er is niks gebeurd.’ De afgelopen twee jaar voerde ze met drie ministeries gesprekken. Tevergeefs.
Tom Bouws van het Centraal Joods Overleg richt zijn kritiek op de betrokken ministeries. Waarom gaven die wel 21 miljoen uit voor de online openstelling van het oorlogsarchief maar verzuimden ze een belangrijke wet aan te passen, vraagt hij zich af.
Het Nationaal Archief wilde niet in gesprek over de blokkade van het project. In een reactie, via de mail, schrijft de woordvoerder dat de waarschuwing van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) ‘als een verrassing’ kwam. ‘De stelligheid daarnaast, in de berichtgeving en mediaoptredens van de AP, strookt niet met de naar onze indruk constructieve gesprekken die wij met hen hebben gevoerd.’
Er is, schrijft ze, ‘meermaals’ en ‘in een vroeg stadium’ informatie gedeeld met de toezichthouder. Die contacten, in combinatie met de maatregelen die het archief zelf nam om ethische en juridische dilemma’s het hoofd te bieden, maakten dat het archief ‘geen reden zag’ om de Autoriteit Persoonsgegevens vooraf apart te raadplegen. Het archief heeft wel verzuimd de eigen functionaris gegevensbescherming om een toetsing te vragen, erkent ze.
Begin deze week heeft Puck Huitsing een mail rondgestuurd met de aankondiging dat de feestelijke bijeenkomst van 2 januari niet doorgaat. De website van Oorlog voor de Rechter blijft offline.
Een paar dagen later maakte minister Bruins een noodoplossing bekend: nabestaanden en onderzoekers mogen de dossiers doorzoeken, maar alleen in de studiezaal van het archief, na toestemming.
Ad van Liempt moet zijn speech dus nog even in zijn binnenzak houden. Hij zou op 2 januari opnieuw verhalen vertellen die hij uit het oorlogsarchief had opgediept. Over de 4-jarige Flipje Plas onder andere, die in 1943 door de nazi’s werd opgepakt, maar op wonderbaarlijke wijze de oorlog overleefde.
Van Liempt stuitte jaren geleden in een daderdossier op zijn verhaal, traceerde de toen 63-jarige Flipje – Philip inmiddels – en vertelde hem wat hij had gevonden. Plas was enorm blij dat hij dankzij het archiefonderzoek ‘een deel van zijn jeugd had teruggekregen’.
Dat had Van Liempt willen vertellen. Maar dat moet nog even wachten.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant