In het Brabantse Woensdrecht houdt oud-militair Leen Bouterse (82) met zijn buurtpreventieteam de straten veilig. Wat verklaart toch die behoefte aan surveillance in een tijd waarin ons land juist steeds veiliger wordt?
Midden in een Woensdrechtse woonwijk staat een kapotgeschoten voertuig. Een Bren Carrier − Canadees type. ‘Een monument’, zegt coördinator Leen Bouterse (82) van het buurtpreventieteam, ‘voor de slag om Woensdrecht.’ Het is vooralsnog ook het enige spoor van geweld dat hij en zijn makker Kees Gravemaker (75) aantreffen tijdens hun ronde door de Brabantse wijk. Verder is het deze dinsdag in december verdacht stil.
Dat weerhoudt de senioren er niet van om in stevige pas door de straten te trekken. Hun van kou verkleurde neuzen speuren naar sleutels die in gaten zijn blijven zitten, garagedeuren die ‘in de gloria openstaan’, stilstaande auto’s op verdachte plekken. Voor dat laatste geval hanteert Bouterse een strikte vuistregel: zijn de ramen beslagen en zitten er een jongen en een meisje in? Niet te lang kijken. Stappen er steeds vreemde types in en uit? Melden.
Buurtpreventie is in veel wijken niet meer weg te denken. Volgens enquêteonderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft een op de tien Nederlanders een loopteam zoals dat van Bouterse in de buurt. Een nog veel groter aantal, een op drie, heeft bovendien een buurtpreventie-app in de wijk, waarmee de meer inhuizige burger vanuit zijn luie stoel een oogje in het zeil kan houden.
Die initiatieven passen in een trend die de Rotterdamse hoogleraar digitale surveillance Marc Schuilenburg ‘bestrijdingsbegeerte’ noemt. De samenleving en politiek zijn steeds meer in de ban van het bestrijden van misdaad: denk aan de 1,2 miljoen videodeurbellen die inmiddels aan de gevels hangen, de wildgroei aan camera’s, de roep om zerotolerancebeleid, minimumstraffen en zelfs het innemen van paspoorten bij misdrijven.
Opvallend genoeg valt die ontwikkeling samen met een dalend criminaliteitscijfer. ‘Het aantal inbraken, moorden en verkrachtingen is sinds begin deze eeuw met 30 tot 40 procent afgenomen’, zegt Schuilenburg. ‘Natuurlijk zijn er nog plaatsen met relatief veel criminaliteit, met name in de grote steden, maar preventie vindt over het algemeen plaats in relatief veilige wijken.’
Wat verklaart die toegenomen bestrijdingsbegeerte? En helpen buurtpreventieteams gevoelens van onveiligheid weg te nemen?
Woensdrecht is, in de woorden van Bouterse, ‘een dorp waarvan je de naam kan vervangen door die van elke woonplaats’. De vazen staan er in tweevoud voor het raam. Honden waarschuwen via bordjes naast de deur dat ze ‘waken voor hun baas’. De PVV werd tijdens de vorige verkiezingen met 37 procent de grootste, gevolgd door de VVD. Het vermogen ligt er iets boven het landelijk gemiddelde. De armoede juist eronder. Net als de criminaliteit: dit jaar waren er 29 misdrijven, waaronder zes verkeersdelicten en drie inbraken.
Voor Bouterse en zijn team geen reden om er met de buurtpreventiepet naar te gooien. Elke doordeweekse dag loopt een duo uit hun tienkoppige team een ronde zoals Bouterse en Gravemaker dat vandaag doen: een uur lang, met een helling van 5 graden (‘Goed voor de hamstrings’). Regent het pijpenstelen of dreigt de zon de mannen uit hun fluorescerende gele jassen te drijven? Dan halen ze hun ronde de volgende dag in. Ook al betekent het dat er soms twee teams tegelijk lopen. ‘Overslaan is geen optie’, zegt Gravemaker terwijl hij de stoep afspeurt naar onregelmatig tegelwerk. ‘We zijn hier grote jongens onder mekaar.’
Die discipline heeft het team te danken aan Bouterse. Een oud-kolonel van de luchtmacht die tijdens de oprichting van het buurtpreventieteam in het dorpshuis unaniem werd verkozen tot leider. ‘Ik vermoed dat ze dachten dat ik goed kon delegeren’, glimlacht Bouterse. En het dorp werd niet teleurgesteld. Bouterse neemt zijn taak serieus: elke maand maakt hij via Excel een looprooster dat hij precies vier weken van tevoren op de bus doet.
Daarbij houdt hij rekening met vakanties, opa-dagen (negen van de tien leden zijn gepensioneerd), ziekte en ander ouderdomsleed. Ook deelt hij de teams zo in dat ieder lid elke maand met een andere collega loopt. ‘Anders weet je op den duur ook niet meer wat je met elkaar moet bespreken.’
Nog zo’n teken van hun toewijding: als er in de plaatselijke krant een overlijdensadvertentie staat, belt Bouterse direct met Kees, Piet of Jan: wie kan er een ronde extra lopen? ‘Want tijdens zo’n uitvaart zijn de nabestaanden voor enkele uren afwezig en in normale straten ook de buren vijf huizen links en vijf huizen rechts van hen. En een inbreker leest de krant natuurlijk ook.’
Over zijn motivatie kan Bouterse kort zijn, die staat op het briefje met gespreksonderwerpen dat hij maakte voor het geval het gesprek met de journalist zou stilvallen: ‘De veiligheid en leefbaarheid van de wijken vergroten.’ Daarbij richt het team zich niet alleen op de harde criminaliteit, maar ook op verkeersveiligheid en verlichting. ‘En zeker’, beaamt Gravemaker, ‘het is hier nu helemaal niet onveilig, maar we doen dit om dat ook zo te houden.’
Om diezelfde reden heeft de Woensdrechter onlangs ook twee camera’s bij zijn huis gemonteerd − iets wat inmiddels een kwart van de Nederlanders heeft. Een bij de voordeur en een op de tuin gericht. Gravemaker haalt zijn telefoon tevoorschijn: ‘Als er iets is dan krijg ik direct een melding: beweging gedetecteerd. Meestal is het gewoon de zon die minder fel schijnt of heel harde regen.’
Volgens hoogleraar Schuilenburg is juist de sterk toegenomen veiligheid mede debet aan de toegenomen aandacht voor onveiligheid. Dat komt door wat hij de veiligheidsparadox noemt: ‘Hoe veiliger een samenleving is, hoe meer aandacht er is voor het laatste beetje tekort.’ Terwijl het aantal zaken van moord-en doodslag sinds begin dit millennium bijna halveerde, stegen de maximumstraffen voor die delicten bijvoorbeeld juist met 50 procent.
Een dreiging voelt bovendien gevaarlijker naarmate we er minder mee te maken hebben en die onbekender wordt, zegt veiligheidsonderzoeker Ronald van Steden van de Vrije Universiteit en het Nederlands Studiecentrum Veiligheid en Rechtshandhaving. ‘Als je op de Wallen woont en je ziet veel mensen op straat leven, weet je uit ervaring dat er niet zoveel gebeurt als je langsloopt. Dan vind je daklozen minder bedreigend dan iemand die er nooit mee te maken heeft.’
Het betekent niet dat die gevoelens niet serieus genomen moeten worden, vinden beide onderzoekers. Want achter die videodeurbel zit een breder gevoel van onbehagen. ‘Veel problemen die ons nu overspoelen, klimaatverandering, migratie, oorlogsdreiging, zijn zo groot dat veel mensen zich unheimisch voelen’, zegt Schuilenburg. ‘Mensen zijn op zoek naar manieren om weer grip te krijgen op hun leven, in ieder geval rond hun eigen huis of buurt.’
Beveiligingsbedrijven, media en andere ‘handelaren in angst’ spelen volgens Van Steden handig in op dat sentiment ten faveure van aandelenkoersen en kijkcijfers. En ook politici spreken de angstgevoelens aan om stemmen te winnen. ‘Werken moet lonen, misdaad niet’, luidde de laatste campagneslogan van ‘law-and-order-partij’ VVD. ‘De PVV stelt de komst van asielzoekers al jaren voor als bedreiging voor de veiligheid’, zegt Van Steden.
In Woensdrecht gaan de zorgen dan ook niet over wat hier nu op straat gebeurt – na een halfuur surveilleren nog altijd niets – maar over wat bewoners ‘op televisie en in kranten zien’. ‘Al die rellen en polarisatie in de grote steden’, zegt Ada van Nijnatten (62), die net bezig is haar oprit herfstbladvrij te maken als Bouterse en Gravemaker langslopen. ‘Het dreigt om je heen. Niet dat ik er ervaring mee heb, maar dat is wat je hoort uit de media.’
Het is niet dat de Woensdrechtse zich daardoor direct onveilig voelt, maar een paar extra ogen van het buurtpreventieteam hier in het dorp vindt ze toch een prettig idee. ‘Het zijn vertrouwde lui, het is fijn om te weten dat ze er zijn. Ik let op, de buren letten op en zij dus ook.’
Er is nog een andere reden waarom die twee paar extra ogen worden gewaardeerd. ‘Je ziet hier nauwelijks nog blauw op straat’, zegt buurtbewoner Leo den Heijer (69), die zijn elektrische fiets stilzet voor een praatje zodra hij Bouterse en Gravemaker ziet. ‘We moeten nu één wijkagent delen met drie dorpskernen. Die kom je hier alleen nog tegen als je veel geluk hebt – met alle respect, hè.’
Ook in dat opzicht is Woensdrecht een dorp als veel andere. Bouterse wijst naar het sorry we are closed-bordje op het raam van café Steffies – de laatste kroeg in de Dorpsstraat. ‘Die is altijd dicht of gesloten. De buurtsuper is weg, het postkantoor, de bank. De busdienst is ermee gestopt.’ En zoals een gepensioneerde melkboer nu het initiatief heeft genomen om een eigen buslijntje op te zetten, dacht ook Bouterse: ik heb tijd en wil wat voor de gemeenschap doen.
Zo lopen buurtpreventieteams de gaten dicht die de verzorgingsstaat op sommige plekken heeft laten vallen. En soms is dat ook bittere ernst. Zo voelen de bewoners in plaatsen als Ter Apel en Maarheeze zich zo in de steek gelaten door de autoriteiten dat ze zelf maar burgerwachten hebben opgericht om op te treden tegen de overlast van veiligelanders.
De vraag is natuurlijk of buurtpreventie ook daadwerkelijk helpt om buurten veiliger te maken. Een opvallend experiment van de Universiteit van Twente wijst op een voorzichtig positieve uitkomst. Onderzoekers lieten wegens inbraak veroordeelde gedetineerden met virtualrealitybrillen in vinexwijken ronddwalen om te kijken waar ze zouden inbreken. Wat bleek: als ze op bewoners stuitten, waren delinquenten minder geneigd om de koevoet tussen de deur te zetten.
Bovendien is er nog een andere positieve bijvangst. ‘Buurtpreventie kan leiden tot meer sociale samenhang in de buurt, omdat bewoners meer met elkaar in contact komen’, zegt Van Steden. Dat kan leiden tot een veiliger gevoel. Al heeft het ook een keerzijde: het kan leiden tot stigmatisering en discriminatie van alles wat afwijkt van de norm. ‘In mijn Amstelveense buurtapp werd bijvoorbeeld melding gemaakt van een ‘verdachte’ donkere meneer met baard die foto’s nam van een woning’, vertelt Van Steden. ‘Het bleek gewoon een makelaar.’
Er is daarnaast nog een risico als burgers zich ontpoppen tot crimefighters: dat ze het niet bij signaleren alleen laten. Berucht is inmiddels de buurtwacht van Kootwijkerbroek die met honden en helikopters (ter beschikking gesteld door een rijke Veluwse ondernemer) de jacht opende op inbrekers. Vermeende daders werden door het vijftigkoppige team eigenhandig tegen de grond gewerkt en vastgehouden in afwachting van de politie.
De jacht op onveiligheid gaat zo ten koste van de rechtsbescherming, zegt Schuilenburg. En dat is misschien ook wel het grootste risico van die ‘bestrijdingsbegeerte’: dat het streven naar een veilige samenleving ten koste gaat van de vrije samenleving. Want die duizenden camera’s aan deurposten, lantaarnpalen en auto’s filmen niet alleen verdacht gedrag, maar ál het gedrag. Schuilenburg: ‘Vroeger was er eerst de verdenking en dan de surveillance, nu is er eerst de surveillance en dan de verdenking.’
Eigenrichting, discriminatie – het zijn praktijken waar Bouterse en zijn team zich verre van houden. Bouterse schaamt zich zelfs een beetje als hij zijn collega’s in andere plaatsen hoort praten over ‘buitenlanders’. ‘We zijn geen hulpsheriff’, benadrukt hij, terwijl hij zijn weg door het dorp vervolgt. ‘Wij signaleren alleen de knelpuntjes en geven die door aan de wijkagent. We zijn gewone burgers, met als enige verschil dat we een opvallend gele jas aan hebben.
Bouterse en zijn team piekeren er dan ook niet over om het gevaar op te zoeken. Ja, één keer zijn ze gaan surveilleren in de polder waar vermoedelijk drugs werden gedeald. ‘Toen we daar kwamen, werden we direct door die jongens aangesproken’, vertelt Gravemaker. ‘Wat doen jullie hier? Toen zeiden we: dat kunnen we beter aan jullie vragen. Daarna zijn we snel doorgelopen en hebben we tegen elkaar gezegd: niet meer doen mannen.’
Bouterse is de eerste om toe te geven dat wat ze doen misschien niet spectaculair is. ‘Maar het zijn de kleine dingen die een groot gevoel van veiligheid geven voor de mensen.’ Zoals laatst, toen hij een ‘vermeend verwarde persoon in het snotje’ had. ‘Hij vertoonde vreemd gedrag: zijn tuin was niet onderhouden, de vitrage ging nooit open, hij was niet zichtbaar in het dorp.’ Bouterse trok direct bij de instanties aan de bel: ‘Dat gaat niet goed daarzo.’ De eerstvolgende keer dat hij de agent zag, kreeg hij een duimpje: dat had hij goed opgemerkt.
Dat zijn inspanningen ook door de rest van het dorp worden gewaardeerd, bleek vorige maand, toen Bouterse tijdens een etentje bij restaurant Tasty Wok werd verrast door een bezoek van de burgemeester. Hij zat net nietsvermoedend aan zijn derde bolletje ijs toen hij uit diens handen een ‘Wjeels lintje’ kreeg uitgereikt – de beloning voor mensen die zich inzetten voor de gemeenschap.
Wat Bouterse betreft gaat hij dan ook voorlopig nog even door met zijn ronden door de buurt, waar de opbrengst na een uur lopen één rondzwervende scooterhelm en één scheefstaand verkeerspaaltje is. ‘Al heb ik ook tegen de mannen gezegd: als een van jullie vindt dat ik te oud word, moeten jullie het vooral zeggen’, glimlacht hij. ‘Want dan stop ik direct.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant