Home

‘Ik ben geen tralala-optimist, er zit geweld in ons’

De grootste opgave voor de mens is zijn bewustzijn te vergroten, meent de Vlaming Frans Wuytack (90). Wie daarin slaagt, kan zichzelf bevrijden. ‘Het is uw opdracht in dit leven voor uzelf te leren denken.’

schrijft voor de Volkskrant over zingeving.

In de sloppenwijken van de Venezolaanse hoofdstad Caracas nam Frans Wuytack als ‘priester-arbeider’ het voortouw bij de aanleg van riolen. De bewoners van de barrios keken met verbazing en argwaan naar de toen 32-jarige Belg, die hun taal nauwelijks sprak, maar zich wel dag in dag uit in het zweet werkte op de steile hellingen om geulen uit te hakken.

Hij sliep in een gehuurd krot. Zijn bed werd gestolen: ‘Toen ging ik op een plank liggen, daar kon ik ook op slapen.’

In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

Geleidelijk won Wuytack het vertrouwen van de bewoners. Zij hielpen met de riolen, hij ging voorop in acties voor de vestiging van scholen. Hij zette een jongerenbeweging op. Hij maakte toneelstukken gebaseerd op het leven in de sloppenwijken. De bewoners speelden zowel zichzelf als de autoriteiten.

Die laatsten waren niet gecharmeerd van Wuytack. Herhaaldelijk belandde hij in de gevangenis, waarna hij onder druk van volksprotesten weer werd vrijgelaten.

Inmiddels is Wuytack 90 jaar, kunstenaar en vredesactivist. Priester is hij niet meer. Zijn tijd in Venezuela is een belangrijke episode uit zijn leven, maar het is niet het enige land waar hij zijn sporen heeft nagelaten.

In België was hij stakingsleider in de Antwerpse haven; in het Spanje van dictator Franco belandde hij in een isoleercel, na protest tegen een massaontslag; in Costa Rica begon hij, werkend als koffieplukker, een kunstenaarsbeweging; in Italië, waar hij met zijn vrouw Leen woonde, ontpopte hij zich tot beeldhouwer; in Irak vormde hij met andere vredesactivisten ‘een levend schild’ uit protest tegen de Golfoorlog; in voormalig Joegoslavië leverde hij tijdens de oorlog medicijnen af.

De Venezolaanse regering verklaarde hem in 1970 persona non grata, toen hij zich niet hield aan zijn belofte af te zien van nieuwe acties. Wuytack werd het land uitgezet. Drie jaar later keerde hij in het geheim terug, geholpen door een guerrillabeweging die het gewapend verzet leidde. Wuytack moest niks van geweld hebben en begaf zich naar ‘zijn’ sloppenwijken.

Weer werd hij gearresteerd – en definitief het land uitgezet. Pas een kwart eeuw later, toen president Chavez hem van de lijst met ‘staatsgevaarlijke individuen’ schrapte, kon hij terugkeren. In de sloppenwijken van Caracas wachtte de toen 65-jarige Wuytack een groots onthaal door tienduizenden bewoners.

Aan het einde van zijn leven is hij terug op Vlaamse bodem - in het dorp Wachtebeke, niet ver van de stad Sint-Niklaas, waar zijn leven begon, in een arbeiderswijk.

Tegenwoordig geniet hij van de natuur, zijn vier kinderen en zes kleinkinderen, en van zijn ‘vredestentoonstelling’ in Gent, waar dit najaar binnen twee maanden vijftigduizend bezoekers op zijn beeldhouwwerken afkwamen. De titel: De terugkeer van de mens. ‘We moeten terug naar ons innerlijk kompas, naar onze medemenselijkheid’, legt hij uit.

Wat ziet u als de rode draad in uw leven?

(Stilte) ‘Dat is enthousiasme voor de mens. De mens is volgens mij een groot mysterie, een grote taal, een aanspreking, een roman. Begint u die te lezen dan is dat een openbaring. Een mens is een schat voor de toekomst.

‘Maar vaak beginnen we niet met lezen, gaan we af op een voorgevoel: ‘Die persoon is zus of zo. Dat is een vijand, dat is een racist.’ Maar zo is de mens niet, hè? Hij is altijd meer. We moeten terug naar het ontdekken van de ander, onze hand uitreiken. Wat het verstand is voor de taal, is de hand voor het gevoel.’

Waardoor is uw enthousiasme voor de mens ontstaan?

‘In 1940 werd mijn stadje gebombardeerd door de Luftwaffe. We moesten vluchten voor de bommen, dat deden we samen. Ik kan het moeilijk beschrijven omdat ik zo klein was, maar we kwamen in een ander fluïdum, een andere sfeer tussen de mensen.

‘Dat gevoel kun je niet goed met woorden beschrijven – solidariteit is geen blabla, dat komt voort uit iets dieps. Lotsverbondenheid.

‘Dat ervoer ik ook in Joegoslavië, toen we naar de frontlinie reden. Er was een laatste brug over de rivier de Sava, waar duizenden mensen overheen moesten. Toen hoorde ik om me heen een woord als een roep: ‘Samen, samen’, in het Kroatisch. Dat vond ik prachtig, die solidariteit tussen mensen, terwijl ze moesten vluchten. Ik ben altijd enthousiast geweest over de verliezers.’

Waarom?

Omdat zij de juiste richting voor de toekomst zien, niet de winnaars. De verliezers zijn de mensen die geen macht hebben. Macht corrumpeert, waardoor je niet zuiver kunt zien waar het naartoe gaat. Toen de Duitsers ons stadje hadden gebombardeerd, waren wij de verliezers.

‘De winnaars waren de piloten van de Luftwaffe – dat waren geen sukkelaars, hè? Dat waren academici vaak, die bommen smeten, terugvlogen en zich lieten decoreren. Maar wij, de verliezers, hadden het juiste zicht.’

Als 14-jarige ging u in 1948 op een scheepswerf werken en sloot u zich aan bij de Katholieke Arbeidersjeugd (KAJ). Hoe heeft die tijd u gevormd?

‘Ik leerde daar altijd te blijven geloven in de mens, ook als mensen niet correct zijn. Kardinaal Cardijn (1882-1967, oprichter van de KAJ, red.) had als methode: zien, oordelen en handelen. Die drie dingen. Zien: we werden gezien ook al waren we maar 14, dat maakte ons fier. Oordelen: die moet ge met uw verstand vellen, ge moet kunnen wikken en wegen. En dan: handelen – niet bij de pakken blijven zitten.

‘Cardijn zei ons: het is niet omdat u in een arbeiderssteeg woont dat ge minder zijt. Neen, de grootheid van de mens, die schuilt hier (wijst op zijn hart). Hij is een echte leermeester geweest. Hij zei: ik sta hier niet op een voetstuk. Hij trok ons mee, we stonden er allemaal. De meeste leiders willen daar alleen staan. Maar hij zei: kom naast me staan. Dat vond ik zo mooi.’

U werd priester, maar in de toneelstukken die u over de sloppenwijken schreef, bekritiseerde u ook de katholieke kerk. Hoe pakte dat uit?

‘De kerk stond aan de kant van de machthebbers, van het kapitaal, en heeft oorlogen ondersteund. Daar moet ik niets van hebben. Ik werd op het matje geroepen, maar trok me daar niets van aan. Ik sta aan de kant van de mensen. Uiteindelijk ben ik het land uitgezet en heeft de kerk me in België uit het ambt gezet, omdat ik niet wilde gehoorzamen.’

Spijt u dat?

‘Ik ben nooit haatdragend. De vooruitgang komt niet door haat, maar door liefde, daarmee meebewegen. We zijn allemaal aardbewoners en hebben de taak het leven verder te dragen. Niet de oorlog, maar de vrede. Toen ik uit het priesterambt werd gezet, ben ik dokwerker in Antwerpen geworden. Ik vond dat geen probleem, ik was gewend met mijn handen te werken.

‘Daar hebben we een wilde staking georganiseerd – er waren doden gevallen, omdat we met onderbemande ploegen moesten werken. Toen kreeg ik een spreekverbod en werkuitsluiting. Daarop ben ik naar Spanje gegaan, waar ik me in Tarragona bij een sociaal protest tegen een massaontslag heb aangesloten.’

Waardoor u in een isolatiecel belandde.

‘Dat was erg zwaar, ge raakt het gevoel voor tijd kwijt en begint uzelf te beschuldigen: ‘Gij domme kloot, waarom moet ge u toch altijd mengen, waarom geniet ge niet eens van het leven?’ In plaats van de onderdrukkers te beschuldigen. Toen ik het niet meer kon uithouden, begon ik aan zelfhypnose te doen.

‘Als een mantra heb ik duizendmaal gezegd: ‘Je ligt aan een meer in een prachtig veld, je hoort het water kabbelen.’ Toen werd ik kalm en rustig, viel in een diepe slaap. Ze gooiden plots een emmer water over me, maar zagen: hij staat nog recht. Ook toen waren er protesten vanwege mijn arrestatie. De politie heeft me Spanje uitgezet.’

Wat heeft al uw strijd opgeleverd?

‘Ik heb niet iets voor elkaar gekregen, het is niet dat er dankzij mij een woonwijk is verrezen of een universiteit is gesticht, maar ik heb wel aan de kant van het leven gestaan. Ik heb deelgenomen. Die verzetsacties hebben effect gehad op het bewustzijn van mensen. We hebben samen de euforie van de solidariteit geproefd.

‘Ik ben een paar keer in het gevang gevlogen, maar ik ben er content mee. Tevreden, daar zit het woord vrede in, tevreden dat ik heb geleefd zonder haat. Haat dat is vernietiging, dat is geen leven.’

Maar ziet u vooruitgang?

‘Iedere generatie opnieuw moet zijn eigen strijd leveren. Je kunt zeggen: we zijn als mensheid verder gekomen, kijk maar naar de technologie, of kijk maar naar de scholing. Maar het moeilijkst voor de mens is met zijn bewustzijn voortgang te boeken. Nog altijd kun je iemand met gedachten kwaad maken of angstig, iemand manipuleren tot oorlog.

‘Dan hebt ge zo’n mens volledig in de hand. Daarom moeten we tegenover gedachten het gevoel plaatsen. Misschien heb ik het mis, maar ik zie twee bewegingen in de mens, rotatie en revolutie. Bij rotatie draai je om jezelf, dan kom je niet verder. De mens die kwaad blijft op zijn vriend, daar niet uit kan treden, wordt met zijn boosheid begraven – hij heeft de revolutie in zijn leven niet kunnen toelaten.

‘Maar kunnen we dat wel, dan kunnen we onszelf redden van de rotatie. Dan kunnen we ons bevrijden van de tralies van ons bestaan. Die krijg je mee in je opvoeding, het is uw opdracht in dit leven voor uzelf te leren denken. Er zijn ook de tralies van de leugens, de foute visies die je kunnen inkapselen. Maar je kunt dat doorbreken door je in het onbekende te werpen, door revolutie, daar geloof ik in.’

Speelt kunst daarbij in uw ogen een rol?

‘Kunst kan mensen helpen bij hun eigen revolutie, bij zichzelf bevrijden van hun tralies, bij hun zoektocht naar geluk. Er beweegt iets in de mens om gelukkig te zijn. Dat is een eigen zoektocht, waarin je niets kunt opleggen aan de ander - gij kunt mij en ik kan u niet opleggen wat u gelukkig maakt. Die vrijheid van de mens, dat vind ik zo prachtig. Ik geloof dat kunst kan helpen om de wil van het volk te humaniseren.

‘In het tweede deel van mijn leven ben ik me gaan toeleggen op beeldhouwen om mijn boodschap over te brengen. Mijn moeder zei me, nadat ik voor de tweede keer Venezuela was uitgesmeten: ‘Frans, blijf niet hangen, zoek iemand om mee te trouwen en een nieuw leven mee te beginnen. Een leven waarin je de boodschap doorgeeft en niet zozeer zelf alsmaar op de barricaden staat.’ En zo is het gegaan.’

Welke boodschap wilt u nieuwe generaties meegeven?

‘Elke tijd heeft zijn eigen strijd. Vroeger waren er andere bedreigingen, zoals de tyfus en de cholera. Nu is er het klimaat en nog altijd de eeuwige bedreiging van oorlog. Ik ben geen tralala-optimist, er zit geweld in ons. Door scholing en opvoeding kun je dat humaniseren. Er is strijd nodig, verzet, om iets te veranderen. Tegen jongeren zou ik willen zeggen: je hebt kracht en je hebt toekomst. Gebruik beide. Geloof in verandering.’

Boekentip

Kinderen van het slijk, Octavio Paz

‘Dit boek heb ik in stukken gelezen, tot het uit elkaar viel. Octavio Paz sleurt je mee in de omwentelende krachten van poëzie en revolutie. De mens is verandering, poëzie de uitdrukking van zijn oerstaat. Paz bespeelt ons denken en voelen, beurtelings vanuit het ‘ik’ en het ‘collectieve wij’.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next