De herinnering kwam langzaam terug, zoals het beeld op een polaroidfoto na een tijdje wapperen. Het was 4 januari 1997 en ik stond samen met mijn pake op een brug in Sneek. Het was verschrikkelijk koud en donker, want het is altijd donker als ze Sneek passeren. De zon laat zich vaak pas zien ergens tussen IJlst en Sloten.
Toch hadden we geluk, want er reed op dat moment al een spruitjeskweker in de kopgroep en even later zagen we bovendien Klasina Seinstra over het ijs stoempen. Of de eerste flessen Weduwe Joustra Beerenburg toen al waren aangebroken weet ik niet, daarvoor was ik nog te jong.
De Koninklijke Vereniging De Friesche Elf Steden hield afgelopen weekend in Leeuwarden haar jaarvergadering. In de Volkskrant stond daarover geen woord, wat volledig te begrijpen is, omdat die bijeenkomst niets meer behelst dan zo’n vijfhonderd mannen en vrouwen op leeftijd die urenlang praten over de organisatie van een tocht die niet meer bestaat.
Over de auteur
Jarl van der Ploeg is journalist en columnist voor de Volkskrant. Hij werkte eerder als correspondent in Italië. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Dit jaar had de vergadering bovendien iets extra tragisch, omdat zij de laatste winter markeerde van Wiebe Wieling als voorzitter. Dat is een man die u waarschijnlijk niet kent, omdat hij in zijn 18-jarige ambtstermijn nooit een iconische uitspraak als it giet oan mocht doen. Hij kwam qua beroemde citaten niet verder dan zijn omschrijving van het Elfstedenkruisje als ‘de enige onderscheiding waar Willem-Alexander daadwerkelijk iets voor heeft gedaan’.
In Leeuwarden werd weliswaar netjes geapplaudisseerd voor zijn opvolger, ex-marathonschaatser Jan Bakker, maar het kan bijna niet anders dan dat het gros van de aanwezigen voorvoelde dat ook Bakker tochtloos zal blijven. Zelfs als het Klimaatakkoord van Parijs het aanstaande jaar overleeft, en zelfs als we de opwarming van de aarde ook daarna binnen de perken weten te houden, dan nog zal het tijdens toekomstige straffe winters onmogelijk blijken om in Friesland een Elfstedentocht te organiseren.
Zodra de woorden it giet oan klinken, zal dat namelijk tot zo’n massale volkshysterie leiden dat het ijs in zeker tien van de elf steden al voor het middaguur is doorgezakt vanwege honderdduizenden in het oranje gehulde Brabanders en Randstedelingen die maar van links naar rechts blijven hossen.
Dat kun je al die mensen overigens niet kwalijk nemen, want de Elfstedentocht staat nu eenmaal voor een almaar groeiend verlangen naar meer onschuldige tijden, naar wolkjes bij het uitademen, het gekras schaatsen, naar Mart Smeets die Starum en Hylpen probeert uit te spreken en naar Pieter Bruegel de Oude, Hendrick Avercamp en Anton Pieck. Nu het op al onze schermpjes oorlog is, en voor sommigen ook in het echt, is het volslagen logisch dat we op nationale schaal hunkeren naar koek-en-zopie.
De Elfstedentocht, zo schreef Benjamin Moser afgelopen januari in The New York Times, is voor Nederlanders ‘als een familielid wiens vliegtuigje een paar jaar geleden vermist raakte’. Tegen beter weten in hopen ze allemaal dat de vermiste ooit opeens weer voor ze staat en tot dat gebeurt, leven ze voort in ontkenning. Naarmate de jaren vorderen, begint iedereen weliswaar te beseffen – beginnen wij allemaal te beseffen – hoe onwaarschijnlijk dat scenario is. Toch wil geen van ons de eerste zijn die hem officieel dood verklaart.
Terugdenkend aan die lang vervlogen ochtend dat mijn pake mij meenam om kennis te maken met het ijs, begrijp ik die weerzin volkomen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant