Na een opmerking van haar coach ging Hetty van de Wouw steeds minder eten. Het zou haar jaren van haar carrière kosten. Mede dankzij haar omgeving krabbelde ze weer op, en dit jaar won ze olympisch zilver: ‘Die medaille in Parijs maakt het verhaal af.’
is sportverslaggever voor de Volkskrant en schrijft over schaatsen, zwemmen en tennis.
Op haar 19de stond Hetty van de Wouw na een trainingskamp in de rij op het vliegveld, toen de toenmalige bondscoach van de Nederlandse baanwielrenners zijn hand uitstak en de huid van haar bovenbeen tussen zijn duim en wijsvinger nam. Al knijpend zei hij ten overstaan van haar ploeggenoten: ‘And now you need to lose some weight.’
Nadat de baanwielrenster afgelopen zomer zilver had gepakt op de Olympische Spelen van Parijs, haar eerste individuele medaille op het allergrootste podium, refereerde ze aan de bewogen jaren die volgden na dat moment op het vliegveld. Die opmerking van Bill Huck, Duitser in Nederlandse dienst, was de aanzet geweest tot een eetprobleem. Het kostte jaren van haar carrière.
‘Ik weet hoe diep ik heb gezeten. Ik ben er trots op dat ik daaruit ben gekomen.’
Voor het grote publiek was 2024 het jaar van haar doorbraak. Het seizoen ervoor schuurde Van de Wouw tegen het podium aan, nu wist ze te oogsten. Eerst won ze twee keer brons op het EK in januari, op de teamsprint en de keirin; zo’n zeven maanden later pakte ze op de Olympische Spelen in Parijs zilver op de keirin. En in oktober was ze goed voor drie zilveren WK-medailles, op keirin, sprint en teamsprint.
‘Die medaille in Parijs maakte het verhaal af’, zegt de 26-jarige baanwielrenster nu, gezeten op een hoge kruk op een balkon in Omnisport in Apeldoorn, uitkijkend over de wielerbaan waar ze al jaren traint. Om haar nek een gouden kettinkje met de olympische ringen, dat ze speciaal na de Spelen liet maken. Dat, en haar zilver, is het in metaal gegoten resultaat van hoe ze inmiddels in het leven staat.
‘Ik heb meer zelfvertrouwen en geloof in mezelf. Het is het bewijs dat ik goed in mijn vel zit. Dat is een tijd weggeweest.’
Van de Wouw begon op haar 8ste met wielrennen op de weg, in navolging van haar twee jaar jongere broer Ino. Ze was net gestopt met turnen en dacht: ik moet ook iets gaan doen, ik ga wel mee. ‘Voordat ik het wist, werd wielrennen een vanzelfsprekendheid.’
Toen ze op haar 15de bij haar debuut op de baan op een NK voor nieuwelingen beide nummers waarop ze uitkwam won, vroeg een talentcoach van wielerbond KNWU of ze misschien wilde overstappen naar de baan. Dat deed ze, en ze keerde nooit meer terug naar de weg.
Als kind was ze zelfverzekerd. Net als haar broer heeft ze rood haar. Toen ze rond haar 8ste voor het eerst ‘vuurtoren’ hoorde, was ze alleen verbaasd. ‘Dan dacht ik: oké, ja, ik heb rood haar en jij hebt een scheve neus.’
Kwam de onzekerheid in je tienerjaren?
‘Eigenlijk pas sinds de scheiding van mijn ouders. Dat was op mijn 18de, de zomer voor dat moment op het vliegveld. Ik was voor het baanwielrennen verhuisd naar Papendal. Kaatsheuvel, waar ik was opgegroeid, zag ik altijd als veilige basis – tot die ineens wegviel. Er waren ruzies, verhuizingen. Mijn ouders zaten in de put. Ik werd heel snel volwassen.
‘Ik haal energie uit het omgaan met mensen, maar in die periode trok ik me terug. Het afvallen gaf me controle. Bij die scheiding had ik juist geen controle.’
Hoe ging dat?
‘Steeds extremer minder eten. Eerst een boterham minder bij de lunch, minder havermout bij het ontbijt. Vette dingen mijden. Ik at alleen het allermagerste stuk vlees, zoals een tartaartje of kip. Bijna te bizar, maar als ik moest bakken, gebruikte ik een sprayolie. Daar deed ik één klein spuitje van in de pan.
‘Soms werd ik ’s nachts wakker van de honger. Dan dronk ik een glas water en probeerde ik weer te slapen. Als dat echt niet ging, pakte ik een rijstwafel. Mijn hoofdmissie werd niet de training van de dag, maar het afvallen. Ik was totaal het gevoel van de realiteit kwijt. Ik was blij als ik kon rondkomen van 1.200 calorieën per dag.
‘In trainingen merkte ik daar toen nog niet zoveel van. Maar later, in 2019 op de WK, wel. Aan de tijden die ik daar reed, zag ik dat ik niet meer zo goed was als voorheen.’
Bleef het bij jezelf uithongeren, of werd het nog extremer?
‘Ik heb een keer of drie geprobeerd mijn vinger in mijn keel te stoppen. Dan had ik toch iets slechts gegeten en dacht ik: dat moet er nu uit, ik word dik. Al vond ik het ook heel naar; dan weet je eigenlijk wel dat het niet goed is wat je doet. Ik raakte mijn huig aan, maar het lukte me niet over te geven.
‘Achteraf ben ik heel blij dat het niet lukte, want dan had dit nog veel langer kunnen duren. En dan had ik misschien heftige eetbuien gekregen.’
Hoeveel calorieën heb jij met jouw trainingsprogramma nodig, om je lijf niet op te branden?
‘Tussen de 2.000 en 2.500 calorieën. Ik ben in die tijd 14 kilo afgevallen; nu ben ik weer 12 kilo zwaarder. Ik noem mijn absolute lichaamsgewicht bewust niet, want ik weet dat dat mij destijds had kunnen triggeren. Dat ik dan was gaan vergelijken. Dat is nu niet meer zo, maar ik wil niet dat het bij anderen wel gebeurt.
‘Als ik terugdenk aan die tijd waarin het slecht ging, voelt het soms als een andere Hetty. Een afgestompte versie. Ik was minder gelukkig, minder blij. Ik was er wel, maar was er eigenlijk niet, want niets raakte me. Terwijl ik eigenlijk een vrolijk persoon ben.’
Hoe reageerde jouw omgeving?
‘Mijn zus zei als ze mij een knuffel gaf: ik voel je ribben. Mijn moeder zag me dunner worden en zei: nou is het wel genoeg, toch? Maar dan dacht ik: mam, jij hebt geen verstand van topsport en wat erbij komt kijken. Na een tijdje dacht ik: misschien is het nu wel genoeg, qua afvallen, maar ik wilde het niet vragen aan de bondscoach, wilde niet zwak overkomen. Ik hoor het wel als het voldoende is, dacht ik.
‘In het krachthonk stond een bord, waarop elke dinsdag het gewicht van iedereen uit ons team werd opgeschreven. Die getallen van voorgaande weken bleven staan, dus je zag hoeveel ik was afgevallen.
‘Maar niemand had er erg in. En ik liet niet merken dat ik zo serieus met eten bezig was. Ik woonde in die tijd alleen, niemand kon zien wat ik daar deed.’
Bovendien stapte Bill Huck onverwachts op. Zijn opvolger, Hugo Haak, kende de voorgeschiedenis rond het dieetadvies niet. In de maanden die volgden vlogen bij Van de Wouw de kilo’s eraf.
Uiteindelijk begon het op te vallen. ‘Hetty is wel heel veel afgevallen’, hoorde teamgenoot Kyra Lamberink van haar vriend. En nadat ze tijdens de Zesdaagse in Ahoy met een groepje in een hotel hadden ontbeten, zei hij: ‘Er is hier een heel lekker ontbijtbuffet en Hetty houdt het bij wat yoghurt en muesli.’
Daarop ging Lamberink naar Haak, die vervolgens met Van de Wouw in gesprek ging. Ze kreeg direct opdracht te stoppen met afvallen. Samen met een diëtist stelden Van de Wouw en Haak in het voorjaar van 2019 een plan op.
‘Ik weet nog dat ik dat heel eng vond. Dat ik dacht: als ik ga aankomen, is dat juist slecht voor mijn sportprestaties. Maar ik hou ook van eten, dus ergens was ik ook blij dat ik niet meer zo raar hoefde te leven.’
Hoelang duurde het uiteindelijk?
‘Lang, voordat het echt uit mijn systeem was. Eerst was aankomen eng: ik was bang dat ik slecht ging presteren. Maar dat bleek niet zo te zijn.
‘Rond 2020 dacht ik dat ik weer ontspannen was met eten, maar toen ik in 2021 een vriend kreeg, kwamen de laatste dingetjes aan het licht. Hij zag dat ik nog steeds één spuitje van de olie gebruikte bij het bakken. ‘Wat is dat nou?’, zei hij. Het heeft bij elkaar minstens tweeënhalf jaar geduurd voordat ik weer helemaal mezelf was.
‘Mijn prestaties gingen wel snel weer vooruit. In 2021 hadden we door covid geen wedstrijden, maar dat jaar reed ik al harder dan ooit.’
Afvallen is een lastig onderwerp. Hoe kun je het als coach volgens jou het beste aanpakken?
‘In een gesprek aan tafel, met een diëtist erbij; niet op een vliegveld in een rij. Uitleggen waarom iemand moet afvallen, maar ook wat het streefgewicht is. Het is belangrijk om regelmatig in te checken bij iemand, te vragen hoe het gaat.
‘En het onderwerp privé houden. In mijn geval werd tegen het hele team gezegd: we gaan naar het EK en Hetty heeft het goed gedaan, want ze is zo- en zoveel afgevallen. Daarmee kreeg ik het gevoel dat iedereen vond dat ik te zwaar was.
‘Ik heb wel een tijdje gedacht: dit zal ik nooit meer écht helemaal kunnen loslaten. Ik zal altijd dat stemmetje in mijn hoofd hebben dat zegt: moet je dit wel eten? Nooit taartjes durven eten, of bij elk product denken: hier zitten zo veel calorieën in. Gelukkig kan ik nu zeggen dat dat niet meer zo is.’
Waardoor komt dat?
‘Door mijn omgeving. Toen mensen er eenmaal van wisten, gingen ze opletten. Als iedereen uit mijn team een taartje nam bij een koffieritje (een rustige fietstraining buiten, met een koffiestop, red.), maar ik zei dat ik niet wilde, of vroeg of iemand wilde delen, zeiden ze: nee, Hetty, je neemt er gewoon zelf eentje.’
Dat bord in het krachthonk, is dat weg?
‘Gelukkig wel, allang. Ik ben bij ons het voorbeeld geweest van hoe het niet moest. Daarom vertel ik mijn verhaal. Ik vind het belangrijk dat de mensen die om een sporter staan weten dat het heel belangrijk is wat je zegt, hoe je dat doet en aanpakt. Als ik anderen opmerkingen hoor maken als ‘ik begrijp niet waarom ze dat eet’, dan zeg ik tegenwoordig vaak: voorzichtig met dat soort uitspraken, je weet niet wat het kan doen.
‘Voor de spiegel kan ik soms nog denken: ik heb te veel vet hier, of daar. Maar snel daarna denk ik: het is goed zo. Ik fiets hard. Dat is het allerbelangrijkst.’
Sportkoepel NOCNSF deed eerder dit jaar met Amsterdam UMC een onderzoek naar mentale problemen in de topsport. Zij stellen dat 22 procent van de vrouwelijke en 9 procent van de mannelijke topsporters kampt met verstoord eetgedrag.
‘Vooral topsport is een mijnenveld’, zegt sportpsycholoog Karin de Bruin. ‘Daarin zijn er allerlei triggers waardoor je een stoornis kunt ontwikkelen.’ Dat kunnen sportspecifieke elementen zijn, zoals gewichtsklassen bij sporten als judo en roeien, waarin sporters regelmatig in korte tijd flink afvallen.
Er zijn duursporten waarbij het beeld bestaat dat een lager gewicht bijdraagt aan een sportprestatie. De Bruin: ‘Of er zijn mensen die gevraagd en ongevraagd jouw lichaam bekijken en beoordelen. Of het nou de jury, een televisieprogramma of sociale media is, er wordt van alles geroepen en gevonden.’
Al zijn er inmiddels protocollen te vinden voor de preventie van eetstoornissen, in haar praktijk ziet De Bruin nog steeds regelmatig topsporters met een eetstoornis. ‘Die preventie is op papier en dringt niet vanzelf door in het veld.’
Daarom richtte De Bruin Stichting (W)eet wat je doet op, met workshops en voorlichting, om eetproblemen vroegtijdig te signaleren en te helpen voorkomen. ‘Het is echt hard nodig om de sport gezonder en veiliger te maken.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant