Home

Vicekorpschef over discriminatie en racisme binnen de politie: ‘Je kunt slecht nieuws ook gebruiken om iets te veranderen’

Na vier jaar als plaatsvervangend korpschef neemt Liesbeth Huyzer donderdag afscheid van de politie. Ze was verantwoordelijk voor het moeilijke dossier van discriminatie en diversiteit in het korps. ‘Het nieuwe beleid zit nu echt tussen de oren bij de leiding.’

is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.

Toen Liesbeth Huyzer in 2005 van het ministerie van Binnenlandse Zaken overstapte naar de politie in Amsterdam, schrok ze: ‘Het voelde alsof ik twintig jaar terugging in de tijd, naar een dominante mannencultuur. Ze waren al niet gewend aan mensen van buiten de stad, en dan was ik ook nog eens vrouw en zij-instromer.’

Als buitenstaander werd ze, zoals ze dat bij de politie noemen,‘blauw geverfd’: ze kreeg les in aanhouden en schieten en liep mee met collega’s op straat. ‘Wanneer ik merkte dat er iets niet goed ging, stelde ik dat aan de orde bij de leiding. Dan kreeg ik reacties als: ‘Meisje, dat ga je nog wel begrijpen’ en ‘Hoeveel moorden heb jij opgelost?’ Zo werd ik op mijn plek gezet. Het was pittig, zeker in het begin.’

Er zijn vast mensen die na zo’n lastige start denken: ik stop.

‘Voor mij werd het de drijfveer om te blijven. Ik had al snel mijn hart verpand aan het politiewerk en kon dat niet verenigen met wat er intern gebeurde. De manier waarop collega’s niet op hun werk werden beoordeeld, maar in hokjes werden geplaatst: vrouw, Marokkaan. De politie moet diversiteit juist omarmen, vond ik. Daar wilde ik aan bijdragen, dat heb ik de afgelopen negentien jaar gedaan.’

Huyzer (63) groeide op in een gereformeerd gezin in Breda en heeft door haar calvinistische opvoeding iets van een ‘schooljuffrouw’, zei ze ooit tegen NRC. Ze hield zich als topambtenaar bij Binnenlandse Zaken al met de politie bezig toen ze naar Amsterdam werd gehaald, om te zorgen voor meer openheid en tegenspraak.

Donderdag neemt ze afscheid, omdat ze het rustiger aan wil gaan doen, in de aanloop naar haar pensioen. De laatste acht jaar zat ze in de landelijke korpsleiding, waar ze verantwoordelijk was voor een hoofdpijnportefeuille: diversiteit, inclusie en discriminatie. Sinds 2020 is ze plaatsvervangend korpschef.

‘Toen ik in 2017 op deze plek begon’, zegt Huyzer in haar werkkamer in Den Haag, ‘was 10 procent van de nieuwkomers bij de politie multicultureel. Dit jaar is dat 16 procent. We gaan vooruit. Helaas is de uitstroom van deze groep ook hoog, 14 procent, maar het saldo is positief.’

Om verder te komen is het essentieel om vertrouwen te winnen en te behouden binnen deze doelgroep. Dat valt niet mee, want de politie komt geregeld in opspraak door racistische uitspraken van medewerkers. In een appgroep uit 2018 en 2019, bijvoorbeeld, gebruikten Rotterdamse agenten woorden als pauperallochtonen en kutafrikanen en zeiden ze op hen te willen schieten.

Die racistische appjes leidden niet tot ontslagen, maar tot berispingen. Veel mensen begrepen dat niet. Hoe kijkt u hierop terug?

‘Achteraf gezien hebben we jarenlang te weinig opgetreden tegen discriminatie en racisme binnen de politie, vanuit de gedachte: ‘Het is niet misselijk wat sommige collega’s op straat meemaken. Als je lange diensten draait, in gevaarlijke situaties terechtkomt en emoties hoog oplopen, moet je stoom kunnen afblazen. Soms zeg je dan iets onbehoorlijks.’

‘Dat die appjes zijn afgedaan met een berisping, moet je in deze context zien. Pas in 2022 is ons beleid ingrijpend veranderd, na de documentaire De blauwe familie, over discriminatie in het korps. Die heeft grote indruk gemaakt. Sindsdien kom je niet meer straffeloos met zoiets weg.’

Ik kan me nauwelijks voorstellen dat een agent die het heeft over ‘kutafrikanen’ totaal onbevooroordeeld iemand van Marokkaanse afkomst aanhoudt.

‘Precies, daarom moest het anders. Dat maakte vooral in het begin veel los. Ik kreeg reacties als: ‘Je mag ook niks meer zeggen’ en ‘Gaat de politie nu iedereen ontslaan?’ Nee, maar soms kun je wel tot de conclusie komen dat zo’n maatregel noodzakelijk is. In dat licht is het wel belangrijk dat we mensen op tijd van werkplek laten wisselen en elkaar aanspreken op foute opmerkingen. Hoe moeilijk dat ook is.’

Waarom duurde het zo lang voordat de korpsleiding echt aan de slag ging met racisme en discriminatie, terwijl allang duidelijk was dat dit een enorm probleem was?

‘Dat komt ook doordat we te maken hadden met de grootste reorganisatie ooit in de publieke sector: twaalf jaar geleden moesten we bijna overnight van 26 korpsen naar één Nationale Politie, met 20 procent minder leidinggevenden. Daardoor werden teams te groot voor chefs, was er te weinig toezicht en zorg, en grepen we te laat in.’

Bij de première van de documentaire De blauwe familie, over discriminatie in het korps, richtte u het woord tot de zaal. U zei dat u zich schaamde dat dit gebeurde en collega’s in de kou stonden. Toen riep iemand: ‘Doe er dan wat aan!’

‘Dat begreep ik wel. Ik was er al druk mee bezig, maar stond daar ook als hoogste vertegenwoordiger van de politie, om de woede, emotie en agressie op te vangen.’

Jan Struijs, toenmalig voorzitter van de Nederlandse Politiebond, zei tegen me: ‘Veel leidinggevenden duiken op zo’n moment weg, Liesbeth heeft het lef om in de wind te gaan staan.’

‘Ja, ik heb hier altijd voor gestaan. Je kunt slecht nieuws ook gebruiken om iets te veranderen. Zo kijken alle agenten in opleiding nu verplicht naar De blauwe familie en praten ze daarover.’

Critici erkennen dat de tijd van straffeloos racisme in het korps voorbij is en u oprecht betrokken bent. Maar nog steeds haakt een flink aantal medewerkers af door discriminatie. U zou niet genoeg doorpakken of te vaak de interne strijd verliezen.

‘Die kritiek kan ik plaatsen als ik terugdenk aan de situatie van een paar jaar geleden. Toen kreeg ik dat soms te horen. Het heeft tijd gekost, maar het nieuwe beleid zit nu echt tussen de oren bij de leiding.’

Toch gaat er nog veel mis. In augustus bleek uit extern onderzoek dat er bij de politie in Rotterdam-Centrum sprake was van een ‘onveilig werkklimaat’, door discriminatie, seksisme, pesten en grensoverschrijdend gedrag. Huyzer noemt dit pijnlijk, maar ze is blij dat haar collega’s ‘het deksel van de put’ durfden te halen. Volgens haar speelt in andere grote steden iets vergelijkbaars. ‘Denk niet dat dit bij jou niet gebeurt’, zei ze tegen alle politiechefs.

Haar laatste maand werd overschaduwd door de aanvallen op Israëlische voetbalsupporters, na Ajax - Maccabi Tel Aviv. Ze keek geschokt naar filmpjes uit die nacht, maar dacht ook: wat zit hierachter? Die vraag kwam tot haar spijt nauwelijks aan de orde in het publieke debat, dat vooral over antisemitisme en gebrekkige integratie ging.

‘Juist nu is het belangrijk met elkaar in verbinding te blijven’, zegt de vicekorpschef. ‘In plaats daarvan zie ik politici steeds dingen ‘benoemen’. Dan denk ik: jullie benoemen alleen wat je in die filmpjes ziet, niet de onderliggende spanningen. Beseffen jullie wel hoe hard jullie woorden aankomen bij de kinderen en kleinkinderen van mensen die ooit als goedkope arbeidskrachten naar Nederland zijn gehaald?’

Sommige politici zouden nu zeggen: u bent een wegkijker.

‘Nee. Dat er in Amsterdam op Joden is gejaagd, vind ik afschuwelijk, net als antisemitisme. Maar laten we individuele verdachten aanpakken, niet bevolkingsgroepen de schuld geven. Vergeet niet dat veel moslims zich al heel lang behandeld voelen als tweederangsburgers. Ook als ze hartstikke goed geïntegreerd zijn. Sommige mensen lijken dit niet te willen horen, maar deze problemen bestaan naast elkaar.’

Leiders van het Joodse netwerk in de politie zeiden in september in het Nieuw Israëlitisch Weekblad dat er collega’s zijn die Joodse objecten of evenementen niet meer willen beschermen. Is zoiets mogelijk?

‘Uiteindelijk lag dit anders: die leiders waren bezorgd dat de polarisatie in onze samenleving hiertoe zou kunnen leiden. Er is geen sprake van collega’s met gewetensbezwaren die zoiets niet doen. Dat kan niet; de politie dient de rechtsstaat en is neutraal.’

Er schijnen ook agenten te zijn die gewetensbezwaren hebben tegen het beveiligen van koranverbrandingen door Pegida, zoals in Arnhem is gebeurd.

‘Natuurlijk zeggen sommige agenten dat ze iets heel ingewikkeld vinden. Dan gaan we in gesprek: wat speelt hier? Zo was er een Palestijnse collega van wie de oma omkwam door een bombardement in Gaza. Met zoiets houd je rekening in het werk. Maar dat doen we ook als een agent net een zware reanimatie van een kind achter de rug heeft.

‘Na die koranverbranding in Arnhem hebben we als leidinggevenden aan collega’s uitgelegd wat onze afwegingen waren en hoe het demonstratierecht in elkaar zit. Hun reactie was: ‘We vinden dit nog steeds afschuwelijk, maar begrijpen het wel.’’

Toen Huyzer in 2020 plaatsvervangend korpschef werd, kreeg ze er een portefeuille bij: de Landelijke Eenheid (LE) – het politieonderdeel dat de zware criminaliteit bestrijdt en regionale eenheden ondersteunt. Enkele maanden daarvoor pleegde een medewerker zelfmoord. Na haar benoeming volgden nog twee zelfdodingen bij de LE, binnen grofweg een jaar.

‘Daar heb ik wakker van gelegen, vooral omdat een relatie werd gelegd met hun werk. Ik dacht: hoe komt het dat wij collega’s zo in de steek hebben gelaten dat ze geen andere uitweg meer zagen?’

Er zijn sindsdien tal van rapporten verschenen over machtsmisbruik en een verziekte werksfeer bij de LE. Vakbonden en politici vonden dat de korpsleiding te lichtzinnig was omgesprongen met signalen over misstanden. Wat verwijt u uzelf?

‘Ik wil niets afdoen aan mijn verantwoordelijkheid en die van collega’s. We hadden sneller moeten ingrijpen, dan was het misschien niet zover gekomen. Maar de kritiek werd zo persoonlijk gemaakt, dat vond ik te ver gaan. Enige zelfreflectie bij de bonden en politici zou wel op zijn plaats zijn geweest. Zij waren er zelf bij toen de politie werd gereorganiseerd, met minder leidinggevenden en de opdracht de LE net zo te behandelen als andere korpsen. Terwijl al die specialisten van de LE maatwerk nodig hebben.’

Ik zie boosheid bij u.

‘Ja. We waren ermee bezig, maar werden al snel geconfronteerd met die tweede en derde zelfdoding. Toen hebben we alles laten onderzoeken. Inmiddels is de Landelijke Eenheid gesplitst in twee nieuwe, zelfstandige eenheden. Sindsdien gaat het gelukkig beter, stap voor stap.’

Tot slot: waar bent u trots op?

‘Dat ik als zij-instromer plaatsvervangend korpschef ben geworden en de diversiteit enorm is toegenomen. Vooral als het om de verhouding man-vrouw gaat. Ik snap best dat politiewerk op onderdelen wat meer een mannelijk beroep is, maar ik roep al jaren dat het logisch zou zijn als we ten minste 40 procent vrouwen binnenhalen. Dat is dit jaar eindelijk gelukt.’

In februari werd Janny Knol de eerste vrouwelijke korpschef. Vier van de vijf leden van de korpsleiding zijn nu vrouw. Zeggen jullie weleens tegen die ene man, Henk Geveke: ‘Ach jongen, je begrijpt het niet…’

Huyzer schiet in de lach. ‘Nee hoor, al is hij ook een zij-instromer’, zegt ze grijnzend. ‘Weet u, intern wordt soms meewarig gekeken naar die ene man in de korpsleiding. Onderling kunnen we daar wel om lachen. Dan zeg ik: ‘Nou Henk, zullen we het er eens over hebben hoelang ik hier de enige vrouw was?’ Ik moet zeggen dat hij daar groothartig mee omgaat.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next