Schrijver Joris van Casteren is coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Onregelmatig schrijft hij over zijn wederwaardigheden bij dat werk. Vandaag: hoe meneer I. steeds meer zijn eigen werkelijkheid creëerde.
In de hele stad had meneer I. vrouwen en kinderen wonen. Het waren er tientallen, misschien zelfs honderden. Hij ontmoette hen regelmatig, tijdens de lange wandelingen die hij maakte.
Piekfijn liep hij erbij, in z’n nette pak met glimmende schoenen, sjieke hoed en wandelstok. Van zijn sociale huurwoning in de Amsterdamse Rozenstraat kuierde hij richting het Centraal Station, onderweg talloze gesprekken voerend.
Niemand hoorde hem, toch kreeg hij altijd antwoord in zijn hoofd. Met de pont stak hij het IJ over, meerdere keren per dag. Het was gratis en het uitzicht prachtig.
Soms ging hij ’s ochtends al aan boord. Tussen ongeduldige forenzen drong hij naar de plecht, waar bij harde wind het zog hem om de oren vloog. Een trotse Keniaan in zijn nieuwe vaderland.
Boven hem woonde de dochter van een acteur. De acteur speelde bij gerenommeerde toneelgezelschappen. Mensen herkenden hem omdat hij ook voor bekende televisieseries was gevraagd.
Meneer I. keek geen televisie, in theater stelde hij geen belang. Hij wantrouwde de acteur, want die dochter was van hem! Net als de vrouw met wie de acteur getrouwd dacht te zijn.
Toen de acteur, die elders in de stad woont, op een dag bij z’n dochter op bezoek kwam, sprong meneer I. tevoorschijn. In de taal van z’n stam, hij behoorde tot het Luhya-volk, voegde hij hem het een en ander toe.
Als hij thuis was, stond meneer I. voor het raam. Hij keek naar buiten, maar leek niet echt iets te zien. Overburen vonden het ongemakkelijk, het leek of hij ze bespioneerde.
Hij stond daar maar te turen, in zijn nette pak. De huiskamer was leeg, op enkele Afrikaanse beelden na. Misschien sprak meneer I. tegen die beelden, want zijn lippen bewogen.
Verderop woonde een alleenstaande moeder. Af en toe kwam de vader het kind halen of brengen, tot ongenoegen van meneer I. Al een paar keer had hij bozig op het raam getikt.
Toen de man het kind ten afscheid een zoen gaf, stormde hij met een hamer naar buiten. De vader sloeg op de vlucht, opgetrommelde agenten namen meneer I. mee naar het bureau.
Daar verklaarde hij dat een vreemdeling zijn dochtertje had aangerand. Het werd een hele toestand, een rechter bepaalde dat hij zich onder behandeling moest laten stellen.
Meneer I. werd op 29 december 1962 geboren in Sio Port, een stoffig, straatarm dorpje in het westen van Kenia, gelegen aan het Victoriameer. De mensen leefden er van de visserij.
Van alles zwom er in het meer, tot wetenschappers in de jaren vijftig nijlbaarzen uitzetten, agressieve roofvissen die andere soorten verorberden, een ecologische ramp van jewelste.
Meneer I. hield niet van vissen, hij vertrok naar Busia, een stadje aan de grens met Oeganda. Hij vestigde zich als handelaar in souvenirs en ontmoette er zijn eerste vrouw, die prompt in verwachting raakte.
Kind en vrouw moest hij zien te onderhouden, wat niet lukte. De mensen in Busia kochten nauwelijks souvenirs. De vrouw werd kwaad en zette haar familie tegen hem op.
Iemand zei dat hij naar Mombasa moest gaan, daar kwamen veel toeristen. Meneer I. reisde dwars door het land naar het oosten, voor het eerst zag hij witte mensen en de oceaan.
De markt aan het strand was gigantisch, westerlingen struinden langs de kraampjes. Het viel meneer I. op dat iedereen min of meer hetzelfde verkocht, hij besloot het met houtsnijwerk te proberen.
Onderweg naar Mombasa had de volgepropte taxibus een tussenstop gemaakt in Machakos County, waar gedreven handwerkslieden wonen die dierfiguren snijden uit hout.
Meneer I. sloeg een partij houten olifantjes in. Het werd een hit, binnen de kortste keren was hij uitverkocht. Regelmatig reisde hij naar Machakos County, kocht voorraden op. Hij verhoogde z’n prijzen.
De zaken liepen goed, hij stuurde geld naar z’n vrouw, die helaas met een ander bleek te scharrelen. Een nieuwe liefde kwam in zijn leven, een Nederlandse dame met lichtgrijs haar die aan z’n kraam was verschenen.
De Nederlandse was wel wat ouder, maar dat deerde meneer I. niet. Speciaal voor hem kwam ze nogmaals naar Kenia, daarna trouwden ze. In de winter van 1995 landde meneer I. op Schiphol, hij wist niet dat het zo koud zou zijn.
Meneer I. had grootse plannen, wat hij in Mombasa voor elkaar had gekregen zou hem in Europa ook lukken. Hij trok in bij zijn vrouw, die in de hoofdstad woonde.
In het nieuwe land had iedereen het druk. De taal bleek nogal lastig en het voedsel was heel anders dan thuis. Mensen veronderstelden dat hij een schijnhuwelijk was aangegaan. Alsof hij in ruil voor een verblijfsvergunning de bedjonker van zijn oudere vrouw moest zijn.
Terwijl meneer I. juist een gezin met haar wilde stichten, dat was in zijn cultuur na een trouwerij hoe dan ook de bedoeling. Maar de vrouw was te oud voor kinderen, het leidde tot spanningen waardoor het huwelijk na vijf jaar strandde. Hij verliet het huis, zat een tijd in onderhuur en vond met veel geluk de woning in de Rozenstraat.
Op het Waterlooplein had hij z’n eigen marktkraam, dat vervulde hem met trots. Zijn Afrikaanse snuisterijen waren in trek, het probleem zat ’m in de aanvoer. In Kenia bestelde handel arriveerde niet of veel te laat.
Hij vloog terug, in Mombasa hing hij de gebraden haan uit. Tussenhandelaren bleken een flink deel van zijn winst op te strijken, voortaan zou hij zelf de containers vullen en naar Amsterdam verschepen.
Tijdens deze zakenreizen ontmoette hij verschillende vrouwen, bij drie van hen verwekte hij een kind, want het ging hem voor de wind. Hij zou hen financieel ondersteunen, net als de eerste vrouw, die hij nog steeds geld stuurde.
Maandelijks maakte hij vanuit Amsterdam honderden euro’s over. Intussen ging het steeds minder goed met z’n kraam, mensen bestelden liever via internet. Een vaste kraam was niet meer zo handig.
Hij kocht een bestelbus die hij vulde met z’n Afrikaanse artefacten. In België, Duitsland, Zwitserland en Frankrijk deed hij plaatsen aan waar markt werd gehouden.
Het draaide uit op een fiasco, in 2010 werd meneer I. bankroet verklaard. Hij belandde in de WW, de vernedering was compleet. Met niemand wilde hij erover praten, alleen een Keniaanse kennis die inmiddels in Alkmaar woonde, wist ervan.
Zijn moeder overleed, vervolgens een broer. Meneer I. had geen geld om bij de begrafenissen aanwezig te zijn, maar deed alsof hij het te druk had om te komen.
Er knakte iets in hem, hij zag dingen die er niet waren. Zijn vrouwen en kinderen waren niet alleen in Kenia, ze waren overal. De medicijnen die hij moest slikken na het incident met de hamer nam hij niet altijd, het spul maakte hem loom.
Er was een brandje in zijn woning. Het ontstond in de keuken, waar een onbekende Afrikaanse vrouw iets had staan koken. Brandweer en politie snelden toe.
Meneer I. zei dat de Afrikaanse vrouw niet weg wilde gaan. Weken ervoor had ze hem aangeklampt op straat. Ze had geen papieren en kon nergens terecht, dus bood hij haar een slaapplek aan. Vervolgens was ze gebleven, tegen zijn zin. Hij was blij dat de agenten hem van haar verlosten.
Hij kampte met diabetes en een hoge bloeddruk. In 2022 werd meneer I. met hartproblemen opgenomen in een Amsterdams ziekenhuis. De acteur besloot met zijn dochter op ziekenbezoek te gaan, ook al was hij eerder in een vreemde taal door hem uitgefoeterd.
De patiënt was verrast en diep ontroerd om zijn buren aan het bed te zien. Hij kreeg goede medicatie en was helemaal zichzelf, de acteur en zijn dochter konden zich niet voorstellen dat ze ooit bang voor hem waren geweest.
Een pacemaker moest worden geplaatst, meneer I. was doodsbenauwd, de acteur stelde hem gerust. Een verpleegkundige vroeg of zij contactpersonen wilden zijn, meneer I. had verder niemand.
In mei ontdekte de acteur dat hij al geruime tijd de energierekening van meneer I. betaalde, gevolg van een administratieve fout bij de stroomleverancier. Meneer I. liet hem binnen om de kwestie te bespreken.
De acteur zag de Afrikaanse beelden staan, en andere onverkochte restanten van zijn voormalige handel. Meneer I. zei dat hij z’n computer niet meer gebruikte, hij kon de cijfertjes en lettertjes niet meer lezen, er was iets met zijn ogen aan de hand.
Meer dan drieduizend euro had de acteur onbedoeld voor hem betaald. Eerst probeerden ze het op de energieleverancier te verhalen, maar die scheepte hen vakkundig af.
Meneer I. wilde het bedrag terugbetalen, al had hij geen idee hoeveel er eigenlijk op z’n rekening stond. Om een overzicht te krijgen van de financiën schakelde de acteur een boekhouder in.
In juni liep hij met meneer I. en allerlei mappen naar het kantoor. Meneer I. was slecht ter been, het ging tergend langzaam. Bovendien had hij weer last van wanen. ‘Ik ben de vader van Willem-Alexander’, zei meneer I. onder meer.
Zogenaamd had hij geld zat, de boekhouder zag dat het anders zat. Maandelijks zou hij misschien honderd euro opzij kunnen zetten, maar dat zou ten koste gaan van de bedragen die automatisch werden overgeboekt naar de vrouwen en kinderen in Kenia. De acteur besloot de zaak te laten rusten.
De dochter van de acteur is dierenarts. In september ging ze naar Curaçao om katten te steriliseren. Toen ze in oktober terugkeerde, zag ze dat het licht bij meneer I. de hele dag brandde. Er groeide onkruid tussen de stoepstenen, gewoonlijk haalde hij dat weg met een schoffeltje.
Ze klopte en belde, stelde haar vader op de hoogte en schakelde de politie in. Meneer I. lag in z’n slaapkamer op de grond, een forensisch arts rapporteerde later dat hij er zeker een maand heeft gelegen.
In de woning werd een telefoonnummer van een van de kinderen gevonden. Team Uitvaarten van de gemeente Amsterdam belde een aantal malen. Toen er eindelijk werd opgenomen, viel de verbinding weg.
Begraafplaats Sint Barbara, dinsdagochtend 19 november. De acteur en z’n dochter zijn gekomen, net als de vroegere kennis. Van hem hoorde ik dat meneer I. van Franco Luambo hield, meester van de rumba, dus dat laat ik draaien in de kapel.
Later die week slaagt de Keniaanse ambassade er alsnog in een van de kinderen te bereiken. Al een hele poos hadden ze niets van hun vader vernomen, maar dat gebeurde wel vaker, bovendien zijn de verbindingen slecht.
Hij was een verre vreemdeling, een afwezige die ze nooit hebben gekend. Maar hij dacht aan hen, dat zullen ze niet vergeten. Volgens de traditie zal in Port Sio een bananenplant voor hem worden ingezaaid.
Brief aan een dode
Het raam was hartverscheurend
hoe het je vasthield in zijn sponningen
en je omlijstte als een foto, of een in perspex gegoten man
als een vlinder, kakkerlak, kleine vogel misschien
Ik zie het masker dat je droeg, olieblinkend
om wanen te verbergen, je jaagde met een hamer
op het niets dat bezit nam van je ogen, uur na uur
starend naar buiten
Ze zetten je kort gevangen, in een cel met een klein raam
dat jou onverschillig was
Kreeg er je er heimwee naar de gele giftige oleander
uit je geboorteland of naar de zijde eik, zijn hout gestolen
voor het schrijnwerk van ruiten, zijn geeloranje
bloemen als borstels?
Toen je daar, thuis, een maand lang lag
op de kale vloer in die kale kamer, keek het raam
voor het eerst naar binnen om te zien wie het was
die hem aanbad, dat is het enige dat ik weet
toch voel ik een liefde als voor een naamloze hond
die ook niet kan terugschrijven
en ik laat deze brief met jou begraven
in het grote niets
Sasja Janssen
Sasja Janssen schreef dit gedicht speciaal voor de gestorvene en las het bij de uitvaart voor.
Schrijver Joris van Casteren doet in de Volkskrant verslag van zijn wederwaardigheden als coördinator bij het begeleiden van eenzame uitvaarten in Amsterdam. Daarbij leest een dichter, aangesloten bij de zogenoemde Poule des Doods, een gedicht voor de gestorvene voor.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant