Ruim een op de tien inwoners van EU-landen werkt door na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Nederlanders en Denen doen dat bovengemiddeld vaak, omdat ze hun werk leuk vinden. Cyprioten en Bulgaren die hun afscheid van het werk uitstellen, doen dat vaak uit financiële noodzaak.
is datajournalist van de Volkskrant en analyseert en schrijft over het nieuws in cijfers.
Het eerste pensioen is voor 13 procent van de EU-inwoners geen reden om te stoppen met werken, zij hebben daarna nog een betaalde baan. Dit blijkt uit cijfers van Europees statistiekbureau Eurostat. Nederland zit met 17 procent boven het gemiddelde.
Maar vooral in Scandinavië en de Baltische staten werken medewerkers vaak langer door. Estland spant de kroon, daar werkt 55 procent door na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Het is niet zo dat in landen met een vroegere pensioenleeftijd een groter deel van de pensionado’s doorwerkt. In Roemenië en Griekenland, waar de gemiddelde pensioenleeftijd onder de 60 ligt, heeft minder dan 5 procent betaald werk naast de pensioenuitkering.
Meer dan de helft van de gepensioneerden die doorwerken in Cyprus, Bulgarije en Roemenië kan niet rondkomen van het pensioen. Voor slechts 17 procent van de Nederlanders die langer werken is extra geld noodzakelijk, nog eens 7 procent komt de inkomsten van doorwerken goed uit. De meeste Nederlanders, 59,6 procent, die doorwerken doen dat omdat ze plezier hebben in het werk en productief willen blijven. Alleen in Denemarken ligt dat percentage hoger.
Het doorwerken is meestal niet van lange duur. Tussen de 60 en 70 jaar neemt het aandeel werkenden, met of zonder pensioen, snel af. Van de 74-jarigen is 4 procent nog aan het werk.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant