Boek uit de kast Uit straatboekenkastjes in heel Nederland haalt Arjen Fortuin steeds een boek, bespreekt het, en geeft het door. Vandaag de verschijning van Fjodor M. Dostojevski in Tilburg.
December in Tilburg. Het lijkt of de zon een snipperdag heeft genomen, of wellicht al aan zijn kerstreces is begonnen. Op zoek naar een boek dat een mens door de donkere dagen kan slepen, beland ik bij de Maranathakerk, die zich ontfermt over het zielenhiel van de plaatselijke studenten. Kerken zijn geliefde locaties voor straatbibliotheken, maar het Tilburgse kerkkastje is in die zin bijzonder dat het thematisch is ingericht. Hier geen oude Boekenweekgeschenken, tips om gillend rijk te worden of wild in het rond stekende psychopaten, maar vrome titels als Hoe een paus gelijk kreeg, The Victory of Reason en Brieven over het lijden.
Even twijfel ik over de twee delen verzameld werk van de heilige Teresa, maar het zijn haar Meditaties niet. Dan toch maar bezweken voor De broers Karamazov uit 1880, in de twintig jaar geleden bejubelde vertaling van Arthur Langeveld. Dat het een dik boek is, dat wist Fjodor Dostojevski ook wel getuige de omzichtige wijze waarop de verteller zich in een ‘woord vooraf’ in bochten wringt om zich ervoor te excuseren dat hij twee delen heeft geschreven, hoewel „één roman voor zo’n bescheiden en onbestemde held wellicht te veel is”.
Wij vinden dat niet erg: uitgeverij Van Oorschot slaagde erin de 966 bladzijden in een band te stouwen en daaruit stijgt de bedoelde held, Aljosja, de jongste der Karamazov-broers, op als een helder licht. Een held waarbij je bewondering voor zijn goedheid gelijk opgaat met vrees voor zijn toekomst.
Intussen amuseert de schrijver zich met het portretteren van de vader van de held: de klaploper Fjodor Karamazov, een leeghoofd maar niet dom, een man die te allen tijde zichzelf op de eerste plaats zet. Lees even mee: „Behalve langwerpige en vlezige wallen onder zijn kleine ogen, die altijd brutaal, achterdochtig en spottend keken, behalve een heleboel diepe rimpels in zijn kleine maar vette gezicht, had hij onder zijn puntige kin nog een grote adamsappel hangen, vlezig en langwerpig als een beurs, wat hem een walgelijk wellustig aanzien gaf.” En om het af te maken: „Telkens wanneer hij begon te praten, spatte zijn speeksel in het rond.”
Nee, dat is geen goede vader voor zijn drie zoons uit twee huwelijken (beide echtgenotes stierven). Deze man kon zijn kinderen domweg ‘vergeten’, afgeleid door het volle leven of wat hij daarvoor aanzag. Intussen was zijn hang naar sentiment en (zelf)destructie overgeslagen op in elk geval een deel van zijn kroost, wat maakt dat De broers Karamazov weliswaar door de omvang een lange zit is, maar je door alle onderhoudende ontwikkelingen nooit stilzit.
Maar ook wie taalt naar kersternst kan bij Karamazov terecht. Neem de passage waarin de getourmenteerde en onpeilbare broer Ivan Karamazov zich voorstelt hoe Jezus opduikt in zestiende-eeuws Sevilla. Hij doet een meisje van zeven uit de dood herrijzen en wordt vervolgens door de grootinquisiteur van dienst zonder omhaal in het cachot geworpen: „Geef geen antwoord, zwijg. Wat zou je ook kunnen zeggen? Ik weet maar al te goed wat je gaat zeggen. Je hebt het recht niet nog iets toe te voegen aan wat je eerder hebt gezegd. Waarom kom je ons voor de voeten lopen? Want je bent gekomen om ons voor de voeten te lopen, dat weet je heel goed.” Laat dit dan maar de kerstgedachte zijn. Die Jezus van Dostojevki, dat is net de literatuur: iets wat ons in een wereld van geharnaste zekerheden steeds weer voor de voeten komt lopen.
Source: NRC