De Tweede Kamer en de Raad van State stonden onlangs stil bij de waarde van het Statuut voor het Koninkrijk waarin de relatie tussen Nederland en de voormalige koloniën overzee is vastgelegd. Wat betekent dit zeventig jaar oude document nog?
is politiek verslaggever van de Volkskrant en schrijft over het koninklijk huis.
Het was formeel een pennenstreek waarmee koningin Juliana op 15 december 1954 in de Ridderzaal het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden ondertekende. Maar het betekende in de praktijk het officiële afscheid van het eeuwenlange staatsbestel met Nederland als zogenoemd moederland en haar koloniën overzee. Suriname en de Nederlandse Antillen hadden vanaf nu een gelijkwaardige plaats in het Koninkrijk – tenminste op papier. Sindsdien is 15 december Koninkrijksdag.
In de rubriek Toen duiken historici en specialisten van de Volkskrant in het verleden om de actualiteit beter te kunnen begrijpen.
Suriname zou in 1975 alsnog onafhankelijk worden. Aruba kreeg in 1986 een status aparte en op 10-10-10 werden de Antillen ontmanteld. Aruba, Curaçao en Sint Maarten zijn nu landen in het Koninkrijk. Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn bijzondere gemeenten van Nederland. Deze veranderingen zijn in het statuut verwerkt, maar wat is daar zeventig jaar na dato nog de waarde van?
Die vraag staat centraal in de net verschenen bundel Last of lust? Ze was in de aanloop naar Koninkrijksdag ook onderwerp van diverse symposia. Afgelopen dinsdag stond de Tweede Kamer er bij stil, en onlangs bracht de Raad van State (die ook de Raad van het Koninkrijk is) op eigen initiatief een advies uit. De betekenis van het statuut ligt in de geschiedenis ervan. De Raad adviseert de tekst ongemoeid te laten en vooral te investeren in betere samenwerking.
Juliana sprak van ‘onze drieledige saamhorigheid’. In een nieuwe rechtsorde was de afspraak dat de landsdelen zelfstandig hun belangen behartigden en een aantal taken (zoals defensie en buitenlandse betrekkingen) gezamenlijk zouden uitvoeren. Het recht op afscheiding werd niet letterlijk opgenomen in het statuut, maar impliciet wel erkend.
Zelfbeschikking
Al tijdens de Tweede Wereldoorlog werd duidelijk dat de koloniale grootmachten hun overzeese gebieden vroeg of laat zouden moeten opgeven. Onder historici geldt het Atlantisch Handvest als het begin van nieuwe internationale verhoudingen. In deze verklaring, opgesteld op 14 augustus 1941, lopen de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt en de Britse premier Winston Churchill al vooruit op een naoorlogse situatie. Die zou geen territoriale uitbreiding meer dulden en in het teken staan van zelfbeschikking.
Koningin Wilhelmina verklaarde op 6 december 1942 vanuit Londen voor Radio Oranje dat ‘vernieuwing nodig is in de staatkundige bouw van het Rijk’. Met een blik op de toekomst sprak zij van een ‘Rijksverband, waarin Nederland, Indonesië, Suriname en Curaçao tezamen deel zullen hebben, terwijl zij ieder op zichzelf de eigen inwendige aangelegenheden in zelfstandigheid zullen behartigen’.
Politiek en militair gezien zou het nog heel wat voeten in de aarde hebben, maar zeker wat de Amerikanen betrof, was het tijdperk van het imperialisme voorbij. De dekolonisatie van Nederlands-Indië werd een pijnlijke en gewelddadige geschiedenis. De Indonesische nationalisten keerden zich tegen een rijksverband. Ook het geforceerd vasthouden aan Nieuw-Guinea bleek een achterhoedegevecht, dat in 1962 tot een einde kwam.
Animo
Alleen de Caribische eilanden zijn uiteindelijk bij Nederland gebleven - ‘de laatste resten tropische Nederland’, in de formulering van schrijver W.F. Hermans. Volgens het Handvest van de Verenigde Naties mogen zij voor zelfstandigheid kiezen, maar zij kunnen daartoe nooit worden gedwongen. De Raad van State stelt in haar recente advies vast dat de inwoners van de Caribische landen sterk hechten aan hun autonomie, maar tegelijkertijd ‘nauwelijks animo’ hebben om uit het Koninkrijk te stappen.
Spanningen zijn er wel. Het voormalige moederland is groter en economisch sterker. In de Rijksministerraad leggen de drie gevolmachtigde ministers van de Caribische landen het altijd af tegen de getalsmatige meerderheid van de Nederlandse ministers. Dat leidt tot wantrouwen. Over een geschillenregeling wordt al jaren ruzie gemaakt, zonder zicht op een door alle partijen gedragen uitkomst. De voorbije jaren speelde de discussie over de herdenking van het slavernijverleden hoog op. Het ‘ongemak’, zoals hoogleraar Gert Oostindie het noemt, is er altijd. Maar het paspoort van het Koninkrijk is voor veel mensen van grote waarde.
Kamervoorzitter Martin Bosma (van de PVV, de partij die in 2007 de Antillen nog op Marktplaats wilde zetten) herinnerde de Kamerleden er afgelopen dinsdag aan dat zij niet alleen trouw hebben gezworen aan de Grondwet, maar ook aan het Statuut voor het Koninkrijk. Dat laat zien dat het Statuut ook nu nog van betekenis is. In de hal van de Tweede Kamer is de komende weken het originele exemplaar van het Statuut te bewonderen, met de handtekening van Juliana.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant