Miep Fredriks-Vat is echt 100 jaar. Hoe kijkt deze moderne Rotterdamse terug op de eeuw die achter haar ligt?
Miep Fredriks-Vat is de eerste 100-jarige in deze serie van wie de interviewer bij de kennismaking toch even een identiteitskaart wil zien om het geboortejaar te checken. Er staat inderdaad 1924 in haar rijbewijs. Het komt niet alleen door haar kastanjebruin geverfde haren dat het moeilijk te geloven is dat ze al een eeuw leeft. Haar hele verschijning doet anders vermoeden. Zelf heeft de eeuweling zo haar vermoedens hoe dat komt.
Hoe verklaart u dat u zo veel jonger oogt dan 100 jaar?
‘Ik ben van niet opgeven, maar doorgaan – dat straal ik misschien uit. De afgelopen 2,5 jaar heb ik veel gemankeerd, maar ik ben er telkens bovenop gekomen. Een gebroken schouder, corona en drie keer een longontsteking – de laatste een dubbele longontsteking. Een arts of een verpleegkundige hoorde ik zeggen: ‘Het gaat nu alleen maar achteruit, we kunnen niks meer doen’, waarop ik dacht: ik zal jullie eens wat laten zien! Iedereen keek ervan op dat ik weer herstelde.’
Uit onderzoek blijkt dat vitale 100-plussers zoals u, een voor hun leeftijd uitzonderlijk sterk afweersysteem hebben.
‘Dat heb ik kennelijk ook. Een verklaring kan bij mij ook zijn dat ik zo’n dertig jaar geleden een stamceldonatiebehandeling heb gehad tegen artrose, in Duitsland. Bloedplasma van lammetjes werd vermengd met lichaamseigen bloed en mij via een infuus toegediend. Wie weet heeft deze methode als een verjongingskuur gewerkt, haha.’
Hoe ervaart u deze hoge leeftijd?
‘Eerlijk gezegd vind ik er weinig aan. Je mag niks meer en hoort telkens: ‘Ga zitten, ga staan. Kijk uit, pas op.’ Als je zo oud bent als ik, word je niet meer als volwaardig beschouwd, terwijl onze generatie genoeg heeft meegemaakt. Ik heb als kind een Zeppelin zien landen en opstijgen, het bombardement in Rotterdam meegemaakt en honger gehad in de oorlog.
‘Na de val en de breuk van mijn schouder, tweeënhalf jaar geleden, ben ik in dit woonzorgcentrum terechtgekomen. Ik mis mijn eigen huis. Ik zou wel een hondje willen, zo’n heel klein rashondje, om op schoot te hebben en tegenaan te praten. Ik snap wel dat als ik een hondje zou nemen, meer mensen hier op de afdeling er een willen, en je er niet twintig kunt laten rondlopen.’
Wat komt als eerste in u op als u terugkijkt op uw leven?
‘Dat ik lang enig kind ben geweest en 11 jaar was toen mijn zusje werd geboren. Als ik wilde buitenspelen met vriendinnetjes, mocht dat niet meer, want ik moest voor haar zorgen. ‘Let op je zusje’, zei mijn moeder altijd. Ik ging met haar wandelen in de wagen, zodat ze genoeg frisse lucht kreeg. Ze noemde mij haar tweede moeder.
‘Ik was de sterke van de twee. Het laatste oorlogsjaar was moeilijk. Mijn vader was door de Duitsers tewerkgesteld in Frankrijk, mijn moeder moest ons drieën zien te voeden. Tijdens de Hongerwinter ruilde ik mijn fiets voor een zak aardappelen. We hadden ieder één snee droog brood per dag. En ’s avonds een kop vieze groene soep die werd uitgedeeld in de gaarkeuken. Mijn moeder ging met mijn zusje, die sterk vermagerd was, de keukens van restaurants langs om te vragen of er wat over was voor haar dochter. ‘Jij bent dik genoeg’, zei ze tegen mij.’
Hoe was de sfeer in jullie gezin?
‘Mijn ouders hadden vaak ruzie, over alles. Dat vond ik heel erg. Mijn moeder vroeg mij wie er gelijk had. ‘Dat moeten jullie zelf uitzoeken’, antwoordde ik. Als er ruzie was, liep ik vaak naar buiten, etalages kijken, wat moest ik anders?
‘Na de bevrijding kwamen alle mannen die dwangarbeid hadden gedaan terug, behalve mijn vader. Een vriend van hem kwam vertellen dat hij in Frankrijk was gebleven. Mijn moeder hoorde dat hij een verhouding had gekregen met de hospita waar hij inwoonde. Of dat waar was, weet ik niet.
‘Drie maanden na de bevrijding zette Frankrijk mijn vader het land uit, omdat hij voor de Duitsers had gewerkt. Hij kwam naar huis en mijn ouders kregen meteen weer ruzie. ‘Al die tijd dat je weg was, heb je mij geen huishoudgeld gestuurd van het loon dat je in Frankrijk verdiende. Nu je Frankrijk bent uitgezet, ben ik weer goed genoeg, ik moet je niet meer’, zei ze, en zette hem de deur uit. Ik stond erbij, mijn moeder vroeg mij: ‘Zeg ik de waarheid?’ Ik antwoordde dat ik dat niet zou zeggen. Mijn ouders gingen scheiden en mijn vader trok bij zijn moeder in.
‘Na de bevrijding ben ik snel getrouwd met Leo, in een geleende trouwjurk. We hadden elkaar tijdens de oorlog op dansles leren kennen. Leo had aan het conservatorium piano gestudeerd en was de pianist van zijn dansorkest. Hij zat ondergedoken – tijdens de razzia in Rotterdam bij ons – maar kwam zondags de hele dag spelen in de dansschool om geld te verdienen.’
Hoe kwamen jullie aan een huis, zo vlak na de oorlog?
‘We kregen via de gemeente een woning toegewezen van NSB’ers die naar Duitsland waren gevlucht. We moesten verplicht iemand bij ons laten inwonen. Uit tweehonderd brieven kozen we een Russische vrouw. Ze was zeer ontwikkeld, sprak zeven talen en wilde graag snel Nederlands leren. Ze vroeg mij haar te corrigeren als ze een fout maakte. Zo zei ze ‘veiligheidse spelden’. Ze is vijf jaar bij ons gebleven.
‘De jaren na de oorlog waren een armoedige tijd. We hadden niks en moesten alles opbouwen, dat ging langzaam. Leo en ik begonnen met een eettafel met vier stoelen en twee leunstoelen. Gordijnen maakte ik van jute aardappelzakken die ik had geverfd.
‘Engelse soldaten die na de bevrijding door de straten van Rotterdam liepen, strooiden vaak met sigaretten. Ik droeg een strakke onderjurk met een wijde rok daaroverheen, die ik omhoog hield als ze aan het strooien waren. Zo ving ik heel wat sigaretten op, die ik met een roker ruilde voor een slaapkamerameublement, zodat we een bed hadden.’
Was u, vrij jong getrouwd, wel klaar voor het huisvrouwenbestaan?
‘We hebben de komst van ons eerste kind vijf jaar kunnen uitstellen. Ik kwam sterk vermagerd en met een longontsteking uit de Hongerwinter en wilde eerst aansterken, anders zou ons kind zwak ter wereld komen. Een collega van mijn man vertelde hem over het bestaan van voorbehoedsmiddelen en gaf een adres waar je zwart condooms kon kopen. Er waren veel gedwongen huwelijken als de vrouw zwanger bleek, dat was die collega ook overkomen. Voorbehoedsmiddelen mochten niet van de katholieke kerk, dus moest het stiekem. Ik herinner me nog dat een buurvrouw langskwam op het moment dat er op onze schoorsteenmantel een stel gewassen condooms hing te drogen.
‘Er kwam geregeld een geestelijke langs om te informeren waar ons eerste kind bleef. ‘Daar vind ik het de tijd nog niet voor’, zei ik, ‘de oorlog is net voorbij.’ Na vijf jaar werd ons eerste kind geboren. Hij was een peuter toen de geestelijke weer eens langskwam om te informeren waar de volgende bleef. Zittend op zijn schoot zei hij: ‘Wat heb jij een lelijke neus, met die pukkel.’ De geestelijke wist niet hoe snel hij moest wegkomen.’
Hoe zag u uw leven welvarender worden?
‘Met de buurvrouw huurde ik elke week een wasmachine, hij werd de trappen opgesjouwd en na twee uur weer opgehaald, dus deden we snel na elkaar onze was. Zodra we geld genoeg hadden om een eigen wasmachine te kopen, voelde dat heel luxe.
‘We hadden het geluk dat Leo voor zijn werk een auto in gebruik kreeg – we waren de eersten in de straat. We kochten een kleine Eriba-caravan, waarmee we op vakantie gingen. We waren helemaal de koning te rijk zodra we onze eerste woning konden kopen, een appartement met een balkon voor en achter. Het was een premiewoning; onze woning kostte 19 duizend gulden en het Rijk subsidieerde dat met zesduizend gulden. Iedereen kon gebruikmaken van deze regeling, maar veel mensen hadden het niet in de gaten.’
Is er iets in uw leven dat u achteraf betreurt?
‘Ik vind het jammer dat ik niet heb kunnen doorleren voor een beroep. Ik had graag iets medisch gedaan, verpleegkunde of arts. Mensen helpen is erg mooi werk. Maar het kon niet. Na de lagere school ging ik naar de industrieschool, waar meisjes leerden koken en naaien, maar ik moest er voortijdig af omdat thuis geld nodig was. Ik ging werken in een hoedenwinkel. Mijn taak was met elastiekjes een hoed passend maken voor de klant. Op een dag was de eigenaresse eventjes weg en kwamen een moeder en dochter de winkel binnen. De dochter mocht een hoed uitkiezen. Ik gaf advies en ze gingen met twee hoeden weg. De eigenaresse was zo blij dat ik daarna ook mocht verkopen.
‘Het was een tijd waarin bijna iedereen een hoed droeg; vrouwen een met een brede rand en later een pillbox, zo’n kleine. Mannen die op kantoor werkten, droegen een hoge hoed, arbeiders een pet. In die tijd gingen de mensen heel netjes gekleed en tot in de puntjes verzorgd de straat op, maar ze droegen wel veel somberder kleding dan nu, veel grijs. Wie kleur droeg, werd een pipo genoemd.
‘Het is jammer dat ik na mijn huwelijk niet meer mocht werken. Als ik naar mijn kleindochter kijk die drie masters heeft gedaan en een mooie baan heeft, denk ik: ik had beter in deze tijd jong kunnen zijn.’
geboren: 20 september 1924 in Rotterdam
woont: in een woonzorgcentrum in Rotterdam
beroep: huisvrouw
familie: twee kinderen, zeven kleinkinderen, dertien achterkleinkinderen
weduwe sinds 2013
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant