Het was een ‘winterborrel’, waarbij de genodigden bijgepraat zouden worden over de overname van de uitgeversgroep door een groot en buitenlands uitgeversconcern. De borrel begon om 4 uur en door omstandigheden stapte ik pas iets voor zessen het pand binnen. Terwijl ik mijn jas ophing, maakte een collega-schrijver net aanstalten te vertrekken. ‘O, je hebt echt wat gemist’, ze zei. Ze had een holle, vermoeide blik in haar ogen. Ze pakte haar jas uit het kledingrek en keek me aan: ‘Ik weet nu precies hoe het zit met de achterkant van de website.’
Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Ik hoorde gefluister: ‘Ze zijn al anderhalf uur bezig. Het houdt maar niet op.’
In de ogen van een andere schrijver zag ik dat het ernstig was. ‘Kom’, zei hij, ‘we gaan gewoon even een biertje drinken.’ Ik volgde hem de hal uit, door de receptie van de uitgeverij, naar de keuken, waar de borrel plaats had. In het midden stond een lange tafel met wijnflessen, fris, bier en een schaal met gesneden wraps. We hadden net een paar woorden met elkaar gewisseld, toen een vrouw in een witte glitterrok in een microfoon begon te praten die het niet deed. Het was de directeur van het concern waar mijn uitgever onder valt. ‘Als ik zo wegloop, ligt dat niet aan jou’, fluisterde de schrijver, ‘dan zien we elkaar gewoon de volgende keer.’
De directeur begon haar verhaal. Het ging over ‘AI’, ‘rapporteren’, ‘private equity’ en ‘aandeelhouders’. Mijn aandacht dwaalde af naar de andere aanwezigen. Ik zag schrijvers, redacteuren en andere medewerkers van de uitgever. Ze hadden gehoopt op een sprankelende kerstborrel waarin de kou, het duister en de sleur van december voor een paar uur ingeruild zou worden voor warmte, gelach en misschien wat voorzichtig geflirt. Een vrouw keek alsof ze moest huilen.
Vanuit de receptie hoorde ik geroezemoes. Ik veinsde dat ik mijn lege bierflesje op een tafel zette en liep met een paar grote stappen door in de richting van het geluid. Daar trof ik een groepje dat normale gesprekken aan het voeren was. We spraken een tijdje over autopech en hoeveel zoenen je elkaar geeft. Vanuit het toilet kwam een schrijver aanlopen die ik alleen ken van naam en palmares. Hij kwam even bij ons staan en had een vermoeid, uitgestreken gezicht, alsof een deegroller alle levenslust uit zijn ziel had gedrukt. Hij knikte naar de keuken, waar het corporate blabla onverminderd doorging. ‘Ik ben nu op het punt dat het geen humor meer is’, zei hij. Daar moest ik hard om lachen. Hij niet.
Na een tijdje klonk er een daverend, opgelucht applaus. Moegestreden zochten de overgebleven aanwezigen troost in het inmiddels lauwe bier. Ik ontwaarde een schier onaangetast bakje cashewnoten en pakte er een flinke hand uit. Daarna pakte ik mijn jas en verdween in de verfrissende sleur van de koude, donkere decemberavond.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant