Home

‘Oroppa’-auteur Safae el Khannoussi: ‘Ik heb het verlangen niet meer om een thuis te vinden’

Een gesprek met Safae el Khannoussi, schrijver van Oroppa, het beste boek van 2024 volgens de Volkskrant. ‘Op een gegeven moment dacht ik: je kunt ook gaan wonen in die ontheemding. En die kun je literatuur noemen.’

is boekenredacteur bij de Volkskrant. Zij interviewt Nederlandse en internationale schrijvers over hun nieuwste werk.

Safae el Khannoussi (1994) wilde een roman schrijven over verschoppelingen, randfiguren, ballingen, anarchisten, mensen die worden verstoten uit de samenleving. ‘Losers – in politieke zin – dus. Mensen die ervoor hebben gekozen om niet normaal te zijn. En zichzelf niet zien als slachtoffer, maar eerder denken: ik verzet me tegen de normale orde en ik leef mijn leven zoals ik dat wil. Dat was het gevoel en het principe van waaruit ik Oroppa begon te schrijven’, zegt El Khannoussi in het pand van haar uitgever in de Amsterdamse binnenstad.

Oroppa is het prachtige romandebuut van El Khannoussi, waaraan ze zeven jaar heeft gewerkt en waarmee ze zich, pats boem, als nieuwe stem in de Nederlandse literatuur presenteerde. De inhoud van de roman laat zich nauwelijks samenvatten: telkens duiken nieuwe personages op en ontstaan er nieuwe verhalen binnen verhalen, die zich afspelen in Amsterdam, Parijs, Tunis en Casablanca.

Over de Joods-Marokkaanse kunstenares Salomé Abergel, die in de jaren tachtig is gefolterd in een Marokkaanse gevangenis tijdens de ruim drie decennia van repressie, ook wel ‘de jaren van lood’ genoemd, onder koning Hassan II (1929-1999). Over haar beul die plotseling voor haar deur staat in de Amsterdamse Rivierenbuurt, waarna ze verdwijnt en haar schilderijen achterlaat in de kelder.

Over Irad Abergel, Salomés zoon, die in Parijs zijn eigen kroeg heeft, een toevluchtsoord voor een bende verschoppelingen, lanterfanters, dichters en alcoholisten. Over Hind, die vaker stoned is dan nuchter maar door haar baas wordt gevraagd op het huis van Salomé te passen. Over snackbareigenaar Hbib Lebyad, de baas van Hind, die Salomé, of Salma, nog van vroeger kent.

‘Ik wilde de personages complexiteit geven, voorbij het binaire denken van goed of slecht, slachtoffer of beul. Ik wilde laten zien dat het leven veel complexer en interessanter is’, zegt El Khannoussi terwijl ze een slok van haar koffie neemt.

Kent u veel losers?

‘Ik ben zelf een loser, denk ik. Ik ben lang iemand geweest die totaal verloren was. Ik ben opgegroeid met het gevoel van continu verdwaald en ontheemd zijn. Ontworteld. Ik heb het verlangen niet meer om een thuis te vinden. Op een gegeven moment dacht ik: je kunt ook gaan wonen in die ontheemding. En die kun je literatuur noemen.

‘Als middelbare scholier en als student las ik veel, en trok ik daarnaast van kroeg naar kroeg. Daar kwam ik allerlei figuren tegen die door hun persoonlijke verhaal een inkijk gaven in een geschiedenis die ik niet kende. Mensen die opeens circusartiest werden in Las Vegas. Ik ken twee circusartiesten overigens, onder wie mijn oom.

‘Ik verlangde erg naar dit soort eigenzinnige figuren om mij heen, ik had het gevoel dat ik door te luisteren en die verhalen op te schrijven, kon omgaan met mijn eigen angst en eenzaamheid.’

In uw verantwoording schrijft u dat veel verhalen in Oroppa u ooit in een of andere versie zijn verteld door uw vader, uw grootmoeder en overgrootmoeder. Hoe ging dat?

‘Tot mijn vierde jaar woonde ik in Tanger, in Marokko. Dat was een levendige, meerstemmige, veelzijdige wereld. Het gemeenschapsleven is daar zo anders, daar had ik niet twee ouders maar twintig, ik liep van huis naar huis. Er waren geen boeken maar in plaats daarvan waren er verhalen.

‘Als kind deed ik alles om volwassenen steeds nieuwe verhalen te ontfutselen. Voor mij waren mijn grootmoeders dragers, een soort belichaming van een archief. Ze wisten zo veel over het verleden, ze waren getuige geweest van hoe Tanger transformeerde in een grote stad. Zij vertelden daar waanzinnig mooi over.’

En uw vader?

‘Mijn vader is een echte verhalenverteller. Hij werkte al sinds de jaren zeventig in Nederland, dus toen eind jaren negentig mijn moeder en ik bij hem in de Rivierenbuurt in Amsterdam kwamen wonen, gingen de verhalen door. Ik was een angstig kind, voorzichtig, verlegen en teruggetrokken. En ik had weinig zin om nieuwe dingen te ondernemen.

‘Leren fietsen vond ik bijvoorbeeld verschrikkelijk. Wat mijn vader deed, was dat hij beloofde dat hij een verhaal voor mij zou inspreken op een cassettebandje dat ik dan mocht luisteren, als ik had gefietst. Hij zorgde voor spannende cliffhangers, zodat ik de volgende dag wel opnieuw op dat fietsje moest stappen om te horen hoe de rest van het verhaal afliep.

‘Zijn verhalen waren magisch. Ze gingen over een listige figuur die iedereen te slim af was. Heel lang dacht ik dat hij mijn vader was. Dus mijn vader speelde een grote rol in mijn verbeelding.

‘Met de jaren veranderden de verhalen. En mijn begrip ervan veranderde ook. Ik realiseerde me dat verhalen er niet alleen zijn voor ons vermaak, maar ook om kennis over te dragen. Door verhalen kon ik me een beeld vormen van hoe het vroeger was geweest. Voor mijn vader bijvoorbeeld, toen hij naar Nederland verhuisde, maar ook hoe het was om, zoals mijn opa, een boer in het noordoosten van Marokko te zijn in de jaren veertig, vijftig.

‘In Oroppa heb ik dat in de stijl proberen over te brengen, het speelse en het spontane van de manier waarop verhalen en kennis in de vorm van alternatieve levende archieven worden doorgegeven van generatie op generatie. Waarbij alles door elkaar loopt, zoals ook in mijn boek.’

Wilde u als kind al schrijver worden?

‘Zolang ik me kan herinneren, ben ik bezig met boeken en verhalen. Toen ik naar de basisschool ging, sprak ik geen woord Nederlands. Mijn vader hamerde erop dat we thuis alleen Darija, Marokkaans-Arabisch, spraken, achteraf ben ik daar dankbaar voor, want anders hadden we ons die taal nooit eigen gemaakt.

‘In het begin communiceerde ik op school met handen en voeten, maar toen ik eenmaal kon lezen, was ik niet meer uit de bibliotheek weg te slaan. Ik las Thea Beckman en ik heb natuurlijk mijn Carry Slee-fase gehad. Mijn ouders stuurden me niet in wat ik las, dus ik las van alles door elkaar heen. Eigenlijk lees ik tot op de dag van vandaag zo: van Jorge Luis Borges en Danilo Kis tot Michail Boelgakov.

‘Mijn ouders vonden dat lezen van mij leuk, totdat ik in de puberteit kwam, niet meer naar school wilde, spijbelde en niets anders wilde doen dan lezen. Ik was een lastige puber, een wild meisje. Met mijn vriendengroep van het Amsterdams Lyceum zat ik veel in het café, of we stapten in de trein en gingen een dag naar Antwerpen in plaats van school. Mijn ouders kwamen daar dan toch achter doordat we in de trein een boete kregen. Mijn droom was naar Berlijn te gaan en daar een huis te kraken.

‘Mijn ouders dachten in die periode wel: ‘Wat hebben wij een lastig kind. Ze zit alleen maar in haar fantasie. Ze wil haar school niet afmaken, wat is er met haar gebeurd?’ Toen was lezen dus opeens een slecht iets. Ze zeiden: ‘O, dat zullen die boeken wel zijn, daar krijg je al die ideeën door.’ Dus toen keerde het zich tegen me. Maar uiteindelijk heb ik het gymnasium afgemaakt, met de hakken over de sloot.’

U heeft daarna politieke filosofie en Midden-Oostenstudies gestudeerd. Nu doet u promotieonderzoek naar gevangenissen in de Maghreb. Heeft u aan dat academische werk veel gehad tijdens het schrijven van uw roman?

‘Mijn promotieonderzoek heeft mij de tijd, ruimte en middelen gegeven om me verder te verdiepen in politieke dissidenten die in de jaren van lood gevangen werden gezet. Mijn eigen familie was niet politiek actief, dus ik wist weinig over die periode. In de verhalen ging het over de armoede, soms over de vervolgingen, dan zei mijn vader iets in de trant van ‘ja en toen vloeide het bloed door Casablanca’. Het was dus anekdotisch, niet concreet.

‘Maar er zijn een aantal vrouwelijke dissidenten die veel werk hebben gemaakt van het in leven houden van de herinnering aan die periode. Zoals Fatna El Bouih in haar memoires Hadith al-’Atama, naar het Engels vertaald als Talk of Darkness. Alle ervaringen die mijn personage Salomé met zich meedraagt, heb ik uit memoires, uit officiële archieven, maar ook uit literaire bronnen. Jill Jarvis heeft dat mooi verwoord in Decolonizing Memory, waarin zij zegt dat in literatuur een gezicht en een stem kan worden gegeven aan datgene wat de geschiedenis spookachtig heeft gemaakt.’

Had u de titel, Oroppa, ‘Europa’ in het Marokkaans-Arabisch, al vanaf het begin?

‘Nee, pas tegen het einde van het boek kwam ik daarop. Ik wilde het beeld vasthouden dat ik heb als ik in Tanger in café Hafa zit, een beroemd café aan de haven, opgericht in 1921, waar ook de schrijvers van de beatgeneratie graag kwamen. Vanaf het terras kijk je op de Straat van Gibraltar en aan de andere kant zie je de Spaanse kust.

‘Ik wilde het gevoel overbrengen dat je vanuit de buitenkant naar Europa kijkt. Met een soort verlangen en tegelijkertijd ook met het begrip van een buitenstaander. Zodra je ‘Oroppa’ zegt, en niet Europa, spreek je vanuit de ervaringen van een veelstemmige Noord-Afrikaanse diaspora die onlosmakelijk deel uitmaakt van Europa. Zodra je ‘Oroppa’ zegt, verandert je blik op dat continent, en dus de geschiedenis en belevingswereld van waaruit er over dat continent wordt gesproken.

Oroppa is geschreven vanuit gemeenschappen die niet vaak genoeg aan het woord komen. En vanuit individuen die geen enkele pretentie of illusie hebben over ‘het te maken’ in Europa. Het is een leefwereld in tussenruimten, ondergronds en in kroegen. Het speelt zich af op plekken waar niets formeel of geïnstitutionaliseerd is. Dat wilde ik in dat woord kwijt.’

Is het ook een maatschappijkritiek?

‘Ja, kritiek op het soort idealen dat we als Europeanen moeten hebben. Idealen die eigenlijk indruisen tegen alles wat menselijk, spontaan, sociaal en rechtvaardig is.

Welke idealen bedoelt u?

‘Het idee dat je een vastomlijnde identiteit kunt hebben, het streven naar meer rijkdom, naar succes en veiligheid, ook al is dat ten koste van de ander.

Maar is dat iets Europees?

‘Nee, het is iets kapitalistisch, de hele wereld is er in de ban van, maar maar je ziet het ook in Europa. Het Europees grensbeleid is een uitdrukking van collectieve angst voor de rest van de wereld, waardoor Europa een fort wordt en alles daarbuiten als eng en wild wordt gezien, zoals Fred Moten en Stefano Harney schrijven in The Undercommons. Maar het komt ook tot uitdrukking in het demoniseren van bepaalde gemeenschappen. Kijk naar de islamofobie en moslimhaat in Nederland.’

Uw redacteur Evi Hoste zei dat uw roman vanwege de politieke context op geen beter moment had kunnen verschijnen. Zij ziet die als een tegenwicht. Bent u het daarmee eens?

‘Ja, en tegelijkertijd zitten we in een herhaling. Dezelfde vraagstukken als twintig jaar geleden spelen nu weer. Maar ik denk dat er een nieuwe generatie schrijvers is die maatschappelijk en politiek betrokken is, geen concessies wil doen, die het politieke in haar werk verweeft en daarmee ook een bepaalde vorm van ruimte creëert om in het literaire na te denken over wie we zijn en wat we willen. Denk aan Hannah van Binsbergen, Lieke Marsman en Alara Adilow.’

Uw redacteur heeft u ‘ontdekt’ via een verhaal in De Gids dat u schreef onder het pseudoniem Safae Shayeb.

‘Het was een droom om te publiceren in De Gids, ik woonde tijdelijk in Tunis om er te schrijven en werkte daar aan dat verhaal. Meerdere uitgevers zochten na publicatie contact met me, maar ik wilde het allerliefst bij Pluim, die uitgever ademde voor mij de toewijding aan kritische stemmen en eigenzinnige schrijvers als bijvoorbeeld Nadia de Vries. Dat trok me.

‘Soms heb ik spijt dat ik niet onder pseudoniem ben blijven schrijven, het voelt nu alsof ik naakt over straat loop. Aan de andere kant is Amsterdam een dorp en wist iedereen binnen een week dat ik achter het pseudoniem Safae Shayeb zat, dat letterlijk ‘de puurheid van de grijsaard’ betekent.

U wordt gezien als nieuwe stem in de Nederlandse letteren. Welke Nederlandse auteur leest u zelf graag?

‘Anjet Daanje vind ik fantastisch, Het lied van ooievaar en dromedaris blies me omver. Ik moet opeens denken aan Nescio. Met mijn vrienden van de middelbare school lazen we eindeloos Nescio. We gaven elkaar zelfs namen uit zijn verhalen, een van ons heette bijvoorbeeld ‘de uitvreter’ naar zijn personage Japi, omdat die niks uitvoerde en spullen leende die ze nooit teruggaf.

‘We herkenden ons zo in Nescio’s verhalen over Amsterdam en die vriendschappen. En al die avonturen die ze beleefden, die ergens helemaal niet zo avontuurlijk en groots zijn. Nescio heeft een bepaalde generositeit tegenover zijn personages, al spot hij ook met ze. Hij maakt ze mythisch, juist door de banale dingen die ze doen. En hij zet ze niet cynisch weg. Daar heb ik veel aan gedacht, ook bij het schrijven van Oroppa.’

De verhaalstructuur van Oroppa zit ingenieus in elkaar. Bent u weleens vastgelopen?

‘Nee. Ik werk niet gestructureerd en ik heb helemaal geen routine, maar ik loop nooit vast. Ik werk in bed. Soms schrijf ik weken of maanden niet en dan komt er opeens zo’n gevoel op van: nu is het tijd. En dan kan ik wekenlang in mijn bed leven. Dat is dan mijn werkplek.’

En is dat comfortabel?

‘Ja, want ik heb inmiddels een enorm bed aangeschaft, dat dan vol ligt met papieren en koffiekopjes. Ik heb ook een speciaal tafeltje dat ik op mijn bed kan zetten. Ik weet dat als ik eerst opsta, me ga aankleden, ontbijten en wandelen, ik niet meer in die concentratie kom.

‘Ik wil die roes, een soort opwinding, niet kwijtraken. Ik schrijf als een gek, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. En de personages leven ondertussen gewoon door, dus ik hoef het alleen maar op te schrijven. De enigen die alle versies hebben gelezen zijn mijn redacteur en mijn partner, Thomas. Hij was soms zo verknocht geraakt aan mijn personages dat hij boos werd als hij zag dat sommige bijfiguren in een volgende versie waren gesneuveld.’

En uw ouders?

‘Die hebben het niet gelezen, het Nederlands is te moeilijk voor ze. En mijn ouders zijn geen echte lezers. Mijn vader zei: ‘O wee als je iets politieks schrijft.’ Ik antwoordde: ‘Te laat!’ En mijn moeder zat naast mijn vader te knipogen en te hinten ‘zeg verder maar niets’. Maar natuurlijk heb ik het er wel met ze over gehad.

‘Mijn vader was verrast dat ik me zo in de postkoloniale geschiedenis van zijn generatie, zowel in Marokko als hier in Europa, heb verdiept, dat levert dan weer nieuwe gesprekken op. En dat ik nu ook iemand ben met mijn eigen verhalen en dat we die kunnen uitwisselen. Zo wordt zo’n boek dus een vertrekpunt voor weer nieuwe verhalen.’

Safae el Khannoussi: Oroppa. Pluim; 400 pagina’s; € 27,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next