Home

Roze, lila, bloemetjes: zo tuttig! Nee, laten deze kunstenaars zien, ‘meisjeskunst’ is juist radicáál

In tentoonstellingen in Den Haag, Utrecht en Schiedam krijgt meisjesachtige kunst alle ruimte. Veel van de makers zijn door docenten en critici weggehoond om hun kleur- en vormkeuze. Wat is er wel of niet mis met ‘tuttige’ kunst?

schrijft voor de Volkskrant over hedendaagse beeldende kunst.

Alsof ze ligt te dagdromen in het gras, op haar buik, haar kin ondersteund door haar handen, zo ligt de vrouw in het levensgrote beeld van Vera Gulikers erbij in Museum Beelden aan Zee. Haar bovenlichaam is naakt, haar benen, gestoken in een zuurstokroze, lichtblauwe en lila legging, zijn absurdistisch lang, dun en elastisch, en vormen een reusachtige, elegante strik boven haar hoofd.

Een lampenkap in de vorm van de kelk van een lelie staat in het Centraal Museum Utrecht. De groene steel van de bloem mondt uit in twee roze sprietbenen, die weer eindigen in Katrien Duck-achtige roze pumps. De benen staan een stukje uit elkaar, en het bloemenhoofd buigt een beetje naar achteren, alsof ontwerper Anna Aagaard Jensen deze bloemenlamp midden in een danspas heeft vastgelegd.

Vier roze, krullerige figuurtjes op een rij. De aquarel die Beatrice Lussol in Stedelijk Museum Schiedam laat zien, lijkt bevolkt door feeën uit een sprookje, die getooid met uitbundige haardossen en elegante jurken een stukje boven de grond zweven.

Zoete, meisjesachtige kunst

Er hangt een roze wolk boven de Nederlandse kunstwereld. En dan heb ik het niet over de roze wolk waarop moeders geacht worden te zitten na de komst van een baby, hoewel ook het moederschap sinds pak ’m beet twee jaar volop in de belangstelling staat in de kunst. Ik heb het over zoete, meisjesachtige kunst, waarvan je op dit moment voorbeelden kunt zien in Den Haag, Utrecht en Schiedam.

Net als die – zeer terechte en langverwachte – aandacht voor het moederschap is deze meisjesachtige kunst het gevolg van het feit dat er de afgelopen jaren steeds meer ruimte is gemaakt voor vrouwelijke kunstenaars, in musea, kunstruimten en galeries. Maar waar het moederschap visueel op heel uiteenlopende manieren wordt verbeeld, is het bij deze tendens juist in de eerste plaats de beeldtaal die deze kunstenaars verbindt.

Bovengenoemde voorbeelden variëren van tekeningen tot sculptuur tot design. En van groot en uitbundig tot subtiel en verfijnd. Wat ze gemeen hebben, is dat ze zich bedienen van een visueel idioom dat je ‘meisjesachtig’ zou kunnen noemen: zoete kleuren, vooral roze, veel bloemetjes, strikjes, krullen en veel versiering. ‘Meisjeskunst’, noemt het Stedelijk Museum Schiedam het: een geuzennaam.

Het eerste voorbeeld van meisjeskunst waar ik zelf ooit tegenaan liep, was een installatie van Tanja Ritterbex in 2015: roze plastic, nepbloemen en heel, heel veel potjes nagellak. Een verfrissend, ludiek statement vond ik het toen, om zoiets frivools als serieuze kunst te presenteren. Misschien zelfs wel een feministisch statement: jezelf versieren is ook kunst. Hoewel ik daar toen ook niet helemaal uitkwam. Want waarom zou je je als feministische kunstenaar juist bedienen van zo’n stereotiep beeld van vrouwelijkheid, en zo’n clichématig vrouwelijke beeldtaal?

Slechte feminist?

In haar boek Bad Feminist uit 2014 somt cultuurcriticus Roxane Gay dingen op die haar een ‘slechte feminist’ maken. Dat ze graag naar rapmuziek met vrouwonvriendelijke teksten luistert, bijvoorbeeld. Dat ze wel eens een orgasme faket. Maar ook: dat ze van roze houdt. En van jurken. Waarom dat onfeministisch zou zijn zegt ze er niet bij, maar ik vermoed dat het ermee te maken heeft dat feministen lange tijd vonden dat je je juist moest losmaken van de clichématige, stereotiepe vrouwelijkheid die vrouwen op allerlei manieren wordt opgedrongen.

Inmiddels zijn we tien jaar en heel wat feminismen verder. Het idee dat feministen niet van roze kunnen houden is inmiddels als cliché op de hak genomen, bijvoorbeeld met de wonderlijke mengeling van feminisme, meisjeskitsch en ironische cultuurkritiek in Greta Gerwigs film Barbie (2023). Sterker: vrouwelijke kunstenaars lijken nadrukkelijk het recht op te eisen om van meisjesachtige dingen te houden, en te betwisten dat dat dom, inhoudsloos of oninteressant zou zijn.

Meisjesachtige kunst is natuurlijk niet nieuw, sommige kunstenaars die nu worden geëerd als pioniers van het genre, zijn al decennia bezig. Lily van der Stokker is zo’n pionier. Zij maakt sinds de jaren tachtig muurschilderingen en installaties met simpele, lieve vormen zoals bloemetjes, wolken in zoete kleuren, en handgeschreven woorden en zinnetjes zoals ‘leuk’ of ‘hoi’ of ‘dankjewel lieve schat’.

In het Stedelijk Museum Schiedam staat zo’n installatie, Retro Kitchen (2022). Een keukenblokje van karton lijkt het, compleet met een oven, wasmachine, vaatwasser, koelkast en keukenkastjes, allemaal bedekt met een flowerpowerprint in vrolijke kleuren. Het is alsof het keukentje uit een poppenhuis plotseling – poef! – menselijke grootte heeft aangenomen. Aan de rechterkant steekt een tekstballonnetje uit met de tekst: ‘Don’t like pandemics’. Van der Stokker maakte het werk tijdens de coronapandemie, wellicht was ze klaar met het uitzicht van haar eigen keuken.

‘Even boodschappen doen’

Typisch Van der Stokker, om zoiets als onderwerp te nemen voor een kunstwerk. Ze verwijst vaak naar alledaagse gedachten en handelingen. ‘Ik ben even boodschappen doen’, schrijft ze bijvoorbeeld bij een muurschildering. Het zijn onderwerpen die de meeste kunstenaars te banaal vinden om kunst over te maken. Van der Stokker vergroot ze juist uit tot grote, spannende muurschilderingen en installaties, die de harde, afstandelijke kleurvlakken en rasters van het (door mannen gedomineerde) minimalisme combineren met het zachte en persoonlijke.

Omdat haar stijl doet denken aan de krabbels die tienermeisjes in hun agenda’s zetten, werd haar werk vaak omschreven als ‘meisjeskunst’. In interviews met Van der Stokker lees je terug hoe ze zich tegen deze typering verzet. Waarom zou haar kunst, alleen omdat ze een meisjesachtige beeldtaal gebruikt, ook meteen ‘meisjeskunst’ zijn? Waarom noemen we kunst met mannenthema’s nooit ‘jongenskunst’?

Dat laatste gebeurt best af en toe, bijvoorbeeld als het gaat over Joe Speedboot-achtige uitvinderskunstenaars als Joost Conijn, Zoro Feigl en Oscar Peters. Maar de term ‘jongenskunst’ heeft geen negatieve connotatie, waar de term ‘meisjeskunst’, in ieder geval lange tijd, vooral denigrerend werd gebruikt. ‘Ik zat ooit in zo’n jury, waarbij flink wat werk met een vies gezicht werd weggezet als ‘meisjeskunst’, zegt Van der Stokker daarover in een interview. ‘Iedereen weet dan natuurlijk meteen wat daarmee wordt bedoeld: figuratief, klef, dromerig. (...) Het woord meisjeskunst was genoeg om het werk af te voeren.’

Barbies en baarmoeders taboe

Die negatieve connotaties rondom meisjesachtige beeldtaal speelden ook recenter nog. Heske ten Cate, artistiek directeur van kunstruimte Nest, zei een paar jaar geleden tegen de Volkskrant dat een mannelijke docent tijdens haar studie aan de kunstacademie (2008-2012) opsomde welke onderwerpen taboe waren om kunst over te maken of in je kunst te verwerken: bloemetjes, barbies, My Little Pony’s, vagina’s en baarmoeders. In het onderzoeksrapport Een nog onverteld verhaal (2022) van Women Inc. vertelt ze hoe ze tijdens een toespraak in een museum over deze ervaring vertelde, en er ‘een golf van herkenning’ door de zaal ging. ‘Het laat zien dat deze opvattingen breedgedragen zijn, en niet incidenteel’, aldus Ten Cate.

Vera Gulikers, die in 2016 haar master aan de kunstacademie in Antwerpen afrondde, vertelt in de tentoonstelling I Hit You with a Flower over een soortgelijke ervaring. Gulikers gebruikt zoete kleuren, van spekjesroze en geel tot pastelgroen: meisjeskleuren. ‘Een mannelijke docent werd helemaal onpasselijk van mijn kleurgebruik’, aldus Gulikers. ‘Hij zei: ‘Ik krijg er een vieze smaak van in mijn mond, kun je er niet mee ophouden?’’

Wat is het met ‘meisjesthema’s’ en kleuren dat ze ‘taboe’ moeten worden verklaard of een ‘vieze smaak’ veroorzaken? De kinderlijkheid ervan is misschien een factor, dat die niet wordt gezien als onderwerp voor serieuze kunst. Maar dan zou ook ‘jongenskunst’ met knallende, ronkende, ratelende machines dit soort reacties moeten oproepen, en dat is niet zo.

‘Deze onderwerpen zouden tuttig en frivool zijn’, licht Ten Cate het door haar docent opgelegde taboe toe. Ook Van der Stokkers werk werd vaak truttig genoemd. In een recensie uit 1994 in NRC bijvoorbeeld: ‘Het werk van Van der Stokker’, staat daarin, ‘straalt een eendimensionale lievig- en truttigheid uit die even lachwekkend is, maar daarna weer op de zenuwen gaat werken.’ Dat die lievig- en truttigheid juist het punt was, en dat die nadrukkelijk in gesprek ging met de machokunst van haar tijd, ontging de recensent blijkbaar.

Simpelweg ‘tutje’

Ook bij Kinke Kooi, een andere pionier op het gebied van meisjeskunst, duiken woorden als ‘tuttig’ en ‘truttig’ geregeld op. Maar dan vooral in haar eigen werk en haar eigen woorden daarover. Kooi maakt, ook sinds de jaren tachtig, prachtige, verfijnde tekeningen vol meisjesachtige details, zoals bloemenranken en parelkettingen, vaak in pastelkleuren. Met potlood schrijft ze er vaak, dun en priegelig klein, woorden en associaties bij. ‘This is the moment for all women who feel ashamed that they are ‘tutje’’, staat er op eentje. Simpelweg ‘tutje’ op een andere.

Volgens Van Dale betekent ‘tuttig’ stijf of kneuterig.‘Truttig’ staat voor ‘saai, onaantrekkelijk, stijf, of ouderwets’. Een tutje is volgens het woordenboek een ‘houterige, stijve vrouw’. Vooral het terugkerende woord stijf valt op in dit rijtje, het suggereert strakheid en rechte lijnen. Daarvan is juist weinig te vinden in de kunst van Van der Stokker en Kooi, waar de ronde en zwierige vormen van bloemblaadjes, wolken en krullerige versieringen je juist om de oren vliegen.

De stijfheid waarnaar wordt verwezen gaat dus niet over de beeldtaal, maar over het type mens waarmee deze beeldtaal wordt geassocieerd. Een tutje, een saai meisje dat niet de grenzen opzoekt, maar netjes binnen de lijntjes kleurt. Dat van bloemetjes, versiering en roze houdt, en daarmee helemaal voldoet aan het meisjescliché.

Kunst moest shockeren

Dat zo’n braaf tutje weerstand oproept in de kunst is niet zo gek. De afgelopen eeuw stond namelijk in het teken van modernisme. Van artistieke avant-garde, van visuele grenzen verleggen, het verwerpen van traditie. Het ging over de grenzen opzoeken van wat je kon afbeelden, en hoe, niet om binnen de lijntjes kleuren. Vanaf pakweg de jaren tachtig werd er weliswaar op allerlei manieren getornd aan modernistische idealen, maar het idee dat kunst moest ontregelen, in veel gevallen zelfs moest shockeren, en vooral niet aardig, lief en mooi mocht zijn, werd in veel opzichten alleen maar sterker.

Bovendien was één ding waar het tutje van houdt in al die stromingen uit den boze: decoratie. Modernistische architecten als Le Corbusier verwierpen elke vorm van ornament, in de abstracte schilderkunst van Mondriaan, waar de werkelijkheid is teruggebracht tot lijnen en een beperkt kleurenpalet, was er al helemaal geen ruimte voor, en in het abstract expressionisme stonden simpele gebaren centraal, denk aan Pollocks drip-paintings. Postmodernisten gingen wel met decoratie en ornamenten aan de haal, maar dan vooral ironisch.

Decoratie past niet bij een visie op kunst waarin een kunstwerk uitdrukking moet geven aan het individuele genie van de kunstenaar, in die tijd meestal een man. Kinke Kooi zegt hierover in een interview: ‘Het dictaat van de goede smaak ziet liever geen versieringen langs randen, want dat drukt volgzaamheid uit. Decoratie volgt de vorm die er al is en vult die aan. En dat strookt niet met het individuele ‘ik-gevoel’.’

Verzet tegen de mannelijke maatstaf

Maar als tuttigheid en decoratie taboe waren, en dat in veel gevallen nog steeds zijn in de kunst, is het dan niet juist heel vooruitstrevend om dat taboe te doorbreken? Om nadrukkelijk en doelbewust het meisjesachtige, het tuttige, centraal te stellen, zoals Lily van der Stokker en Kinke Kooi beiden al decennia doen?

Hoewel de vorm op het eerste gezicht braaf lijkt, schuilt er iets radicaals in deze kunst. Juist door dit vrouwelijke stereotype uit te venten verzetten deze kunstenaars zich tegen de maatschappelijke, mannelijke maatstaf, tegen een kunstwereld die ‘vrouwelijkheid’ afwijst, tegen docenten die hun een dwingende norm opleggen. Dat is dus niet stijf of belegen, maar juist rebels en revolutionair.

Een jongere generatie kunstenaars lijkt er inderdaad het radicale van in te zien. Zij zetten deze tuttige, meisjesachtige beeldtaal in om op een speelse manier maatschappelijke normen te onderzoeken en te bekritiseren, vooral op het gebied van gender en seksualiteit. Zo eigent Beatrice Lussol zich een tuttig schildergenre toe, de aquarel, en levert daarmee uitdagend commentaar op de taboes die er nog altijd zijn rondom vrouwelijke seksualiteit. Ze schildert uitsluitend vulva’s, die in haar aquarellen vol golvende en krullerige lijnen de vorm aannemen van operazangeressen, taartjes en wulpse landschappen.

Vera Gulikers neemt met haar pastelkleurige beelden vrouwelijke schoonheidsidealen op de hak: de figuren in haar sculpturale zelfportretten hebben zulke absurdistisch lange, elastische dunne benen dat ze er hele tekeningen mee in de lucht kan maken. Haar zachte kleuren gebruikt ze als verzet, bijvoorbeeld tegen docenten die er misselijk van worden.

Wordt het vrouwen opgedrongen?

Toch blijft de vraag of dit soort meisjesachtige kunst nu bevrijdend is. Worden vrouwen hiermee niet opnieuw gereduceerd tot hun lichaam en uiterlijk? Waren we daar niet allang voorbij? Vragen deze kunstenaars aandacht voor iets waar ze zelf van houden (roze, zachtheid, bloemen, schoenen, versiering), of voor een vrouwbeeld dat ze door de schoonheidsindustrie en, laten we het woord toch maar een keer gebruiken, het patriarchaat, wordt opgedrongen?

Omdat deze stereotypen al eeuwenlang zo veel invloed hebben op ons vrouwbeeld, kun je die twee dingen niet helemaal van elkaar scheiden. En natuurlijk kun je aan de ene kant van vrouwelijke of meisjesachtige dingen als roze, zachtheid en versiering houden, en tegelijk inzien dat je al van jongs af aan die richting op wordt geduwd. De spannendste, leukste en radicaalste meisjeskunst speelt met die paradox, en stelt er kritische vragen over. Ze laat zien dat het niet óf óf is, maar én én, en rekt daarmee alsnog de definities op.

Toen ik de nagelstudio van Tanja Ritterbex dit jaar weer tegenkwam, in de tentoonstelling Meidenpracht vrouwenkracht in Stedelijk Museum Kampen, zag ik dat er nog veel meer in deze ontplofte beautycase verpakt zit dan ik in eerste instantie dacht. Het is niet alleen het op een voetstuk plaatsen van frivole meisjesbezigheden, niet alleen het schoppen tegen ‘goede smaak’. Er zit ook een subtiel commentaar in op de giftige dampen die nagelstilisten inademen, en op grenzeloos consumentisme. Viering en kritiek kunnen zo samengaan.

Het meest bevrijdend zijn wat mij betreft de zachte, ‘ tuttige’ tekeningen van Kinke Kooi, die na decennia stug doorwerken nu eindelijk doorbreekt. Koois tekeningen zitten vol decoratieve elementen: sierlijke bloemkelken, slingerende planten, parels en ruches. Daar doet ze heel spannende dingen mee, zowel beeldend als inhoudelijk.

Neem het drieluik Visit (2019), te zien in Schiedam. De tekening is zacht van kleur, met in het hart van het middenpaneel een donker hoekje waar je ogen direct naartoe worden getrokken. Het is een klein interieurtje, ingebed in een kronkelig, trippy netwerk van bloemen, plooien en parelkettingen.

‘Toen ik een dochter kreeg’, zegt Kooi in een interview, ‘vroeg ik me af wat zij te zien zou krijgen in onze maatschappij, en ik schrok me wild. Vooral door wat ze níét zou zien. Denk bijvoorbeeld aan de cinema, en stel je voor dat je alle mannen zou uitvlakken. Of alle witte mannen. Wat houd je dan over?’

Die roze, bloemige kronkels om het kamertje heen, zijn haar manier om de ruimte om die mannen, noem het het mannelijke ego, in te vullen. De decoratieve elementen zijn hier geen bijzaak, maar het onderwerp. Ze eisen ruimte op voor ‘vrouwelijke’ symbolen, maar ook voor ‘vrouwelijke’ waarden, zoals verbinding en deel uitmaken van een geheel. Waarden die in een door individualiteit en ego gedreven kunstwereld lange tijd onzichtbaar bleven.

Het tutje neemt ruimte in, ook als ze keer op keer te horen krijgt dat die er voor haar niet is. En ze laat zien hoe kleurrijk, zwierig, vol en uitbundig haar wereld eigenlijk is.

Meisjeskunst in Nederlandse musea:

Love over Gold, Museum Beelden aan Zee, Den Haag, t/m 2/3.

De eerste solotentoonstelling van Vera Gulikers (1991) toont zowel schilderijen als sculpturen in snoepkleuren. Haar sculpturen zijn vaak zelfportretten, waarin ze op ironische manier schoonheidsidealen onderzoekt. In haar abstracte schilderijen verwijst ze juist naar vrouwelijke kunstenaars die haar voorgingen.

Welkom thuis, lieverd, Centraal Museum Utrecht, t/m 30/3

In haar eerste museale solo omringt Anna Aagaard Jensen (1990) haar eigen feministische en meisjesachtige design, lampen op pumps en een uitdagende womanspreading-stoel, met meubels en kunst uit de collectie van het museum.

I Hit You with a Flower, Stedelijk Museum Schiedam, t/m 4/5

Deze groepstentoonstelling brengt 24 kunstenaars en ontwerpers samen die in hun kunst vol glitter, bloemen en roze vaak subtiel activisme verwerken. Pioniers van het genre, zoals Lily van der Stokker, Kinke Kooi en Pipilotti Rist, hangen naast jongere kunstenaars, vrouw of queer.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next