Home

‘We moeten onze rijkdom inzetten om te repareren wat we kapot hebben gemaakt’

Pionierend op het vlak van sociaal ondernemen heeft hij de nodige weerstand ondervonden – niet in de laatste plaats van zijn eigen vermogende familieleden. Maar de jongere generaties weet Frank van Beuningen tot zijn grote voldoening wel mee te krijgen.

Op zijn 20ste verlaat hij Nederland om op Wall Street te werken. ‘Een verlegen, roodharig jongetje’, zo blikt hij terug. Dat hij op zo’n jonge leeftijd naar het mekka van de financiële wereld mag, dankt hij niet aan zijn prestaties, maar aan de connecties van een oom, net als hij een telg uit de omvangrijke, vermogende familie Van Beuningen: ‘Ik moest van mijn oom in de harde praktijk de maatschappelijke ladder zien op te klimmen. Op Wall Street werd ik zó de werkvloer op geduwd.’ Succes is de norm binnen de Rotterdamse familie, met het museum Boijmans Van Beuningen als kroon op het werk.

Maar al snel wordt duidelijk dat voor Frank van Beuningen de gebruikelijke route erheen (gymnasium, een universitaire studie en het studentencorps) geen optie is. De jongste van een gezin met drie kinderen kan nauwelijks lezen: ‘Ik had een zeer ernstige vorm van dyslexie. Die aandoening was nog onbekend, dus werd er gezegd dat ik dom was. Ik moest achter in de klas zitten. Vriendjes had ik niet, ze gingen niet met een dommerik om. Ik kreeg een minderwaardigheidscomplex. Mijn jeugd was geen fijne tijd.’

Voornaamste lichtpunt is de ‘ongelofelijk goede band’ met zijn moeder, een overtuigd antroposoof, die hem een ‘warme, liefdevolle’ opvoeding biedt. Zij doet er alles aan de juiste begeleiding te vinden. Uiteindelijk volgt een poging tot eindexamen op een kostschool in Zeist: ‘Aan mijn inzet lag het niet, ik ben een vechter. Terwijl anderen hockeyden, zat ik boven de studieboeken. Maar het lukte toch niet.’

Een tweede dreun krijgt hij door het noodlot van zijn vader, een succesvol zakenman in het familiebedrijf. Die ziet zijn kinderen weinig, alleen tijdens de zomervakanties neemt hij tijd voor ze door ze te leren zeilen: ‘Dan was hij een geweldige vader.’ Als 18-jarige raakt Frank hem kwijt door een auto-ongeluk, ‘een groot verdriet’. Twee jaar later reist hij af naar Wall Street. Daar blijkt hij ‘heel aardig’ te kunnen rekenen – het startschot van een onorthodoxe carrière in het zakenleven.

In de daaropvolgende decennia raakt hij er steeds meer van doordrongen dat het leven ‘niet in balans is als alles alleen om geld draait’. In de jaren negentig pioniert Van Beuningen op het vlak van sociaal ondernemen in Nederland. Daarna wordt zijn missie vermogend Nederland ervan te overtuigen dat hun kapitaal voor ‘het goede’ moet worden ingezet. Een door hem opgezet investeringsfonds, Pymwymic, is van 2 miljoen naar ruim 100 miljoen euro gegroeid: ‘Mijn eigen kapitaal bouw ik nog steeds af. Aan miljoenen op de bank heb ik echt niets.’

Hoe was het voor u als 20-jarige op Wall Street?

‘Het was voor mij een enorme opluchting dat niemand daar de naam Van Beuningen kende. Eindelijk werd ik niet meteen in het hokje gezet van: ‘O, die heeft geld.’ Een geweldige bevrijding. Voor die tijd had ik me geschaamd voor die naam. Omdat ik zo dom dacht te zijn, vond ik mezelf hem niet waard. Ik wilde mezelf kunnen zijn, maar in Nederland was dat voor mij onmogelijk. In New York wel, ik kwam erachter wie ik was – een eerlijke, levendige, sportieve jongen. Ik bloeide op. Na twee jaar wilde mijn firma dat ik in Londen ging werken om deals met Nederlandse pensioenfondsen te sluiten. Dat heb ik een paar jaar gedaan, ik had er handigheid in. Maar het stond me tegen, alles draaide erom van geld nog meer geld te maken. Ik vond dat veel te eenzijdig.’

Hoe kwam dat?

‘Dat heeft te maken met mijn moeder. Mijn vader was altijd met de buitenwereld bezig, met het behalen van successen. Maar mijn moeder was vooral in de binnenwereld geïnteresseerd, in haar eigen waarden. Ze vertelde over het belang van balans – in jezelf, in verhouding tot anderen en tot de natuur. Dat sprak me enorm aan. In die geldwereld waarin ik was beland, was de balans ver te zoeken. Ik ben eruit gestapt, toen ik de kans kreeg mee te doen aan de eerste Whitbread Race, de zwaarste zeilwedstrijd rond de wereld. Die is zeer vormend voor me geweest.’

In welk opzicht?

‘In die enorme oceaan ben je niet meer dan een speldenknop, dat stemt bescheiden. Ik voelde me onderdeel van de natuur, je bevindt je in de mooiste, maar ook de gevaarlijkste omstandigheden: reusachtige golven, gierende wind, dreigende ijsschotsen. Ik ervoer eenzaamheid, maar ook een geweldig teamgevoel – met tien man trotseerden we de gevaren. Voor hen was ik niet meer dat domme jongetje achter in de klas. Toen bedacht ik hoe ik verder wilde gaan – niet opgaan in een groot bedrijf, maar met een klein team iets tot stand brengen. Mijn oom vond dat maar niks, maar mijn moeder begreep het volkomen. ‘Dat grote bedrijfsleven is niks voor jou, tussen die enorme vechtersbazen. Ga maar contrair aan wat de familie van je verwacht’, zei ze. Dat heeft me geholpen onder dat juk uit te komen.’

Wat ging u doen?

‘Met mijn broer heb ik een zeilmakerijtje in Sneek gekocht, Gaastra. Met acht man personeel, waar we met z’n tweeën leiding aan gaven. De windsurfmarkt trok net aan, in 1976 gingen we naar Hawaï, waar de allereerste wereldkampioenschappen werden gehouden. Met vier zeiltjes, in de hoop dat deelnemers ermee wilden varen. Maar iedereen had al zeilen, niemand wilde die van ons. Tot er een 14-jarig jochie onze tent binnenliep. Die zei: ‘Ik vind dat roze zeiltje zo mooi, mag ik daarmee varen?’ Ja hoor, doe maar, zei ik. Prompt werd hij wereldkampioen, Robby Naish. Hij is dat tien jaar gebleven, altijd zeilde hij met ons roze zeil, met de Waterpoort van Sneek erop. Toen wilde de hele wereld datzelfde zeiltje, want de Waterpoort, dat was Robby. Daardoor zijn we enorm gegroeid.’

Toch heeft u het bedrijf verkocht.

‘We kregen zeshonderd man personeel, er kwam een complete managementlaag bij. Dat draaide voor mij uit op een grote teleurstelling, want het teamgevoel dat ik zo belangrijk vond verdween daardoor volkomen. Die mannen wilden alleen maar steeds meer geld verdienen. Daar had ik grote moeite mee. Uiteindelijk hebben mijn broer en ik onze aandelen verkocht, met pijn in het hart. Wat ik er vooral aan overgehouden heb, was iets veel belangrijker dan geld, namelijk zelfvertrouwen. Ik had bewezen zelfstandig succesvol te kunnen zijn.’

U werd ook echt vermogend, als 40-jarige. Wat verder nog te doen?

‘In de VS raakte ik begin jaren negentig betrokken bij Social Venture Network, een groep ondernemers en investeerders die vond dat winst niet de enige bottomline van bedrijven hoort te zijn. Zij bepleitten drie P’s: people, planet, profit. Het moet dus niet alleen om winst gaan, maar ook om het goede voor de planeet en het sociale voor mensen. Dat moeten we in Nederland gaan doen!, dacht ik. Bij wel honderden vermogende mensen ben ik langsgegaan, onder wie mijn hele familie. Maar ik stuitte op enorm veel weerstand. ‘Nee, Frank, dat is iets voor de kerk of de regering, voor ons draait het alleen om de P van profit’, was de reactie.

‘Uiteindelijk overtuigde ik maar tien investeerders, onder wie mijn eigen moeder. We hadden 2 miljoen, eigenlijk veel te weinig, maar zijn toch begonnen met Pymwymic (Put Your Money Where Your Meaning is Community). Toen stuitten we op het probleem dat we in Nederland geen enkele sociale onderneming konden vinden. Onvoorstelbaar als je ziet hoeveel er nu zijn. Terug in de VS kwam ik een oude bekende tegen, Ben Cohen, een van de twee oprichters van Ben & Jerry’s, het ijsmerk dat destijds enorm vooropliep bij het sociaal ondernemen. Hij wilde de plas over en vroeg me of ik de distributie in de Benelux wilde doen. Wat een geluk was dat! Het sloeg meteen geweldig aan bij consumenten. Toen kwamen er ook serieuze investeerders op Pymwymic af. Nu is het een fonds dat los van mij staat, terwijl ik aan de slag gegaan ben met PYM (Pledge Your Money).’

Wat is daarvan het idee?

‘Van oudsher is praten over geld met angst omgeven – de angst om niet genoeg te hebben, de angst om het kwijt te raken. ‘Over geld praat je niet, je hebt het’, leerde ik vroeger. Dus hield ik mijn mond, het hoorde niet. Terwijl het juist erg goed is het er wel over te hebben. Dan kun je van elkaar leren, elkaar inspireren en vervolgens je kapitaal zo effectief mogelijk voor het goede inzetten. Met PYM willen we een veilige plek creëren waar vermogende mensen, iedereen met meer dan een half miljoen op de bank, vrijelijk over geld kunnen praten. Het is een gemeenschap van bewuste investeerders, we zitten op meer dan drieduizend deelnemers, dus we voorzien in een behoefte. Gezamenlijk doorbreken we de angstcultuur, waardoor mensen in een andere verhouding tot hun geld komen te staan. Dan wordt het leuk, omdat je je innerlijke waarden aan je kapitaal kunt verbinden en goed voor de wereld kunt gaan doen.’

Wat verstaat u precies onder het goede?

‘Ik wil mijn energie, inspiratie en geld besteden aan de twee grootste problemen van onze tijd: de klimaatverandering, veruit het grootste gevaar, en de groeiende kloof tussen arm en rijk. Mijn ideaal is dat ik de wereld beter achterlaat dan dat zij ervoor staat. We hebben veel welvaart en rijkdom te danken aan de industriële revolutie, maar dat heeft ook tot uitputting van de aarde geleid. Nu is het zaak onze rijkdom in te zetten om te repareren wat we kapot hebben gemaakt. Mijn familie heeft daar ook aan bijgedragen, ons familiekapitaal komt uit de handel in olie en gas. We hebben dus vuile handen.’

De meeste vermogende Nederlanders heeft u nog niet mee.

‘Dat klopt. In Nederland wonen 110 duizend mensen met een vermogen van meer dan 2 miljoen euro. Van hen doet maar 3 procent aan ‘impact investeren’, zoals wij het omschrijven: deelnemen in kleine bedrijven die zich volledig aan het goede wijden. Dus ik heb het niet over grote bedrijven zoals Shell die met een groen vernisje aan greenwashing doen. Mijn streven is dat die 3 procent naar 30 procent groeit. Dat wil ik meemaken. Mijn moeder is 100 geworden, dus ik heb nog even, haha.’

Waar stoelt u uw optimisme op?

‘Als je kijkt naar de aantallen studenten die tegenwoordig bedrijven met een sociaal of groen doel beginnen, dat is enorm. Mijn hoop is dat die gefinancierd gaan worden door al dat kapitaal van de oudere generaties, de vijftigplussers. Zij moeten gaan begrijpen dat hun kinderen uiteindelijk beter af zijn met zulke investeringen dan met een smak geld voor henzelf. In mijn eigen familie zie ik de omslag plaatsvinden. Toen ik in de jaren negentig over de drie P’s begon, werd ik weggehoond door mijn eigen generatie, niemand zag er iets in. Maar de twintigers, dertigers en veertigers van nu geven me gelijk, die begrijpen mijn verhaal meteen. Geleidelijk zie je hun ouders zich er ook voor openstellen. Dat stemt me enorm optimistisch.’

Boekentip: Het boek van vreugde, Desmond Tutu en de Dalai Lama

‘In deze hectische tijden geeft dit boek mij innerlijke rust op momenten van twijfel en tegenslag. Het helpt me voorop te stellen wat werkelijk van betekenis is in het leven – niet geld, maar noties als dankbaarheid, vergeving, compassie en ruimhartigheid. Dit boek helpt mensen te luisteren naar hun innerlijke kompas.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next