Nieuwe onheilstijdingen. Nederland is fiks gedaald op de ranglijst van meest concurrerende economieën in de wereld. In het deze week uitgebrachte Global Competitiveness Report 2024 zakte Nederland van de vijfde plek op de wereldranglijst in 2023 naar de negende plek dit jaar.
Dat heeft een reeks van oorzaken, waar ondernemers nu steen en been over kunnen klagen. De lonen stijgen te snel en de regeldruk is te hoog geworden. En daarnaast is de arbeidsmarkt te krap, is het belastingklimaat te slecht en laat de energie-infrastructuur te wensen over.
Henk Volberda, hoogleraar strategie en innovatie aan de Universiteit van Amsterdam, stelde begin deze week na zijn jaarlijkse onderzoek onder Nederlandse ondernemers dat ‘ongeveer een op de vijf bedrijven overweegt om in de komende twee jaar activiteiten naar het buitenland te verplaatsen, en voor internationale bedrijven is dit zelfs ongeveer een op de drie bedrijven’. Nog even of Eelco Heinen moet bij het reddingsfonds van de eurozone of zelfs bij het IMF voor steun aankloppen.
Over de auteur
Peter de Waard is journalist en columnist van de Volkskrant, gespecialiseerd in financieel-economische onderwerpen. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Natuurlijk is het niet zo erg. Integendeel zelfs. Ten eerste is een plekje in de top tien van meest concurrerende landen in de wereld sowieso al een wereldprestatie; het is hoger dan Duitsland, Frankrijk en België. Met de loonstijgingen valt het ook wel mee. In juni van dit jaar maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek bekend dat de arbeidsinkomensquote – het deel van het nationaal inkomen dat naar de loonslaven gaat – verder is gedaald naar 69 procent. Van de nationale koek gaat dus 31 procent naar de factor kapitaal – zeg maar de aandeelhouders. In 1995 was dat nog geen 20 procent.
De achteruitgang in koopkracht tijdens de coronapandemie is blijkbaar nog niet gecompenseerd, ondanks de soms spectaculaire loonstijgingen. Het Centraal Planbureau meldde eerder al dat ‘het aanpassingsproces van de lonen op de inflatieschok uit 2022 nog niet volledig voltooid is’.
Maar wat vooral belangrijk is, is dat Nederland op de ranglijst van landen met het grootste handelsoverschot op de vijfde plaats staat. Nederland had in 2023 een overschot van 94 miljard dollar op de goederenbalans en 13 miljard dollar op de dienstenbalans. Dat is een saldo van 107 miljard dollar (102 miljard euro). Het is ongeveer 10 procent van het bbp.
Volgens het groei- en stabiliteitspact van de EU zou geen lidstaat een hoger overschot mogen hebben dan 6 procent van het bbp. Reden is dat hiermee grote onevenwichtigheden in de wereldeconomie ontstaan, hetgeen diplomatentaal is voor het in de vernieling helpen van andere economieën, zoals de Griekse of Britse. Indien Nederland zo veel weet te verdienen, zou het dat geld moeten gebruiken voor consumptie en investeringen. Maar dat doet dit kabinet niet.
Nederland zou zelfs beboet kunnen worden voor deze overtreding (0,1 procent van het bbp of 1 miljard euro), maar zolang de EU ook de Fransen niet durft te beboeten voor een tekort van 6 procent van het bbp op de begroting – terwijl 3 procent is toegestaan – zal dat niet gebeuren.
Gelukkig gaat het met onze concurrentiekracht vanzelf wat minder.
In een eerdere versie van dit artikel stond dat Nederland beboet zou kunnen worden met 10 miljard euro. Dit moet 1 miljard euro zijn en is aangepast.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant