Duizenden Syriërs zijn toegestroomd naar Sednaya, naar de beruchte gevangenis van het Assad-regime, om een teken van een vermiste dierbare te vinden. Met de moed der wanhoop dwalen ze door de ondergrondse gangen. Het woord ‘gevangenis’ is een understatement.
is correspondent Midden-Oosten van de Volkskrant. Hij woont in Beiroet.
Ze zijn uit het hele land gekomen. Sommigen in busjes of propvolle taxi’s, anderen lopend. Het zijn moeders, vaders, grootmoeders of andere familieleden van de duizenden Syriërs die ooit verdwenen zijn in de beruchte Sednaya-gevangenis, weggestopt in de bergen boven Damascus. Vroeger durfde geen mens zich hier te begeven, maar nu is dictator Bashar al-Assad verdreven en staan de martelkamers open.
Onderaan de heuvel, op weg naar Sednaya, loopt de menigte gedachteloos langs een verlaten wachthuisje. Bewakers zijn er niet meer. Een dik, met de hand beschreven logboek is door iemand op een muurtje achtergelaten. De 60-jarige Bassima Khalil slaat er geen acht op. Ze is op zoek naar haar zoon Alaa, zegt ze, die bijna tien jaar geleden werd opgepakt. Daarna heeft ze nooit meer iets gehoord – een lot dat vrijwel alle nabestaanden delen. Haar ogen staan dof.
Nu de tiran weg is, eisen de familieleden antwoorden. Zijn hun geliefden vermoord? En zo ja, waar zijn hun lichamen dan? Sommige bezoekers zijn hier voor de tweede of derde dag op rij. Ze hebben nog niets gevonden: geen lichaam, geen splintertje informatie, maar geven de moed niet op. ‘Misschien is er een verborgen hek’, oppert Ali Hussein Baraka wiens broer vermist is. ‘Er moeten afgesloten ruimtes zijn die nog niet ontdekt zijn.’
Het klinkt als wensdenken. De gevangenen die bij de val van Assad nog vastzaten, zijn inmiddels bevrijd – in totaal zo’n 1.500. Ze strompelden naar buiten – verbijsterd, sprakeloos, vaak zichtbaar ondervoed. Het zoeken is daarna doorgegaan, maar volgens de gerespecteerde reddingsbrigade Witte Helmen zijn alle overlevenden gevonden. Ze vroegen betrokkenen te stoppen met het verspreiden van onlinegeruchten over geheime kelders.
Onder het Assad-regime telde Syrië zo’n 130 duizend vermiste personen, van wie een onbekend deel in Sednaya belandde. Het woord ‘gevangenis’ is een understatement. Jaber Baker en Ugur Ümit Üngör, auteurs van een standaardwerk over het Syrische gevangenissysteem, spreken van een ‘vernietigingskamp’. Mensenrechtenorganisatie Amnesty International van een ‘slachthuis’. In de eerste jaren na het uitbreken van de Syrische opstand (2011) werden er vermoedelijk tussen de 5- en 10 duizend mensen geëxecuteerd, wat neerkomt op een gemiddelde van drie à zes executies per dag.
Nu liggen de stroppen in het stof. Zowel in het complex als erbuiten zwerven paperassen, verfomfaaid en smerig, nadat tientallen schoenen erop zijn gestapt. Het zijn doktersbriefjes, administratieve kattenbelletjes, van alles. Sommigen geven een inkijkje in een verborgen wereld. Neem het ongedateerde contract dat bewaker Zakaria ondertekende bij zijn aanstelling. Hij belooft plechtig de gevangenen niet te vernederen. En: ‘Ik zal nooit spreken over de gevangenis, vooral niet met mensen van buiten. Dit alles blijft geheim.’ Een generaal heeft zijn krabbel eronder gezet.
De nieuwe machthebbers in Syrië, aangevoerd door de islamisten van Hayat Tahrir al-Sham (HTS), lijken dondersgoed te weten dat er bij Sednaya waardevolle documenten te vinden zijn. Als de Volkskrant aankomt, loopt er een man met een zwarte sjaal op zijn hoofd naar buiten, een stapel papieren onder de arm. Wat erin staat, wil Abu Seifedinne (25) niet laten zien. ‘Ze zijn voor de baas. Voor Jolani (de HTS-leider, red.).’ Met een blik op het gevangeniscomplex: ‘Er is een tweede Syrië onder de grond.’
Een gevangenis is Sednaya feitelijk niet meer, het is nu een plaats delict. HTS-leider Ahmad al-Sharaa (voorheen bekend als Abu Mohammad al-Jolani) verklaarde woensdag dat alle folteraars en beulen ‘achtervolgd’ zullen worden. ‘We vragen landen om diegenen die gevlucht zijn, uit te leveren.’
Normaliter is het aan mensenrechtenorganisaties en juristen om cruciale documenten te verzamelen en veilig te stellen. Maar wie de chaos bij Sednaya overziet, vraagt zich af of het niet al te laat is. ‘Waar is het Westen?’, vraagt iemand in de menigte. ‘Waar is het Rode Kruis?’ Een ander: ‘Jullie moeten helpen. Misschien kunnen jullie met het voormalige regime onderhandelen en het belangrijke informatie ontlokken.’
In het complex, bestaand uit vijf verdiepingen, is het een drukte van belang. Tussen de speurders bevindt zich een chef-kok uit Groningen. Ammar (‘geen achternaam’), in Syrië geboren maar bezitter van de Nederlandse nationaliteit, is op familiebezoek in Damascus. Hij zoekt zijn neef Walid. ‘Hij werkte bij een supermarkt en is acht jaar geleden opgepakt. Je bent een terrorist, kreeg hij te horen. We hebben nooit meer iets van hem gehoord.’
Of neem het verhaal van de 25-jarige Muhanad al-Masalmeh, op zoek naar zijn oom die dichter was. ‘In zijn gedichten keerde hij zich tegen het regime, tegen de corruptie.’ Dat zijn oom inmiddels dood is, weet al-Masalmeh zeker, want hij heeft zijn lichaam gezien. Hij stond op één van de ruim 28 duizend autopsiefoto’s die jaren geleden door een deserteur (codenaam ‘Ceasar’) naar het Westen werden gesmokkeld. Maar waar is zijn lichaam nu? Dat wil de familie weten.
Het is 11.55 als er plots een kreet klinkt. Iedereen haast zich richting het geluid. Is er misschien toch een geheime ruimte gevonden? Bij een pilaar zit Ammar Jazzar (21) op zijn hurken. Hij zoekt de broer van zijn zwager. Hij heeft een gat in het beton weten te maken, en propt zijn hand-met-telefoon erdoorheen om met een flits een foto te maken. Opgewonden laat hij het resultaat zien. ‘Zie je dat? Een klein lichtje, helemaal beneden. Misschien is daar iemand.’
Onder normale omstandigheden zou iemand zeggen: vergeet het Ammar, er zijn daar geen mensen. Het is gewoon een holle pilaar met wat troep erin. Maar op een dag als vandaag hoor je dat niet. Niet nu de nabestaanden zelf in Sednaya staan. Dichterbij de waarheid waren ze nog nooit.
Met de moed der wanhoop dwalen ze door de gangen. Een man roffelt met de vuisten op een muur, hopend op een holle ruimte die zichzelf prijsgeeft. De 23-jarige Meyzar Mohammad, op zoek naar zijn vader, steekt zijn hand in een gat in een muur. Wrikkend maakt hij het gat groter. ‘Ik wil gerechtigheid’, zegt hij, ‘ook al hebben we geen gereedschap om fatsoenlijk te zoeken.’
Door een gat in de grond gaat hij voor naar de kelder waar de isoleercellen zich bevonden. Er werd vaak geëxecuteerd: met een nekschot, met staven, soms door te wurgen met een ijzeren kabel. Het zijn piepkleine ruimtes, geurend naar een mengsel van benzine en verrotting. Een gat in de grond fungeerde als wc. Het woord ‘isoleercel’ moet je volgens Mohammad niet letterlijk nemen. ‘Ze zaten hier soms met vijftien mensen opgepropt.’
Omar Alshogre, een Syriër die Sednaya overleefde en die inmiddels asiel heeft in Europa, heeft in het Amerikaanse tijdschrift The Nation over de cellen getuigd. Iedere gevangene had een eigen nummer. Met twaalf anderen bracht Alshogre tien dagen in isolatie door, zonder voedsel. Ze kregen drie glazen water per dag. Om te overleven dronken ze hun urine. Schietgebedjes hadden geen zin, vertrouwde een bewaker Alshogre toe. ‘God noem je hier niet; hij zal je niet horen. God zit opgesloten in cel nummer 27.’
Dan: opnieuw rumoer. Bij de ingang is een man op een verhoging gaan staan. De 35-jarige Iqbal Ahmad zegt belangrijke informatie te hebben en staat harder te schreeuwen dan goed voor hem is. ‘Ik heb de namen van de mannen die hier werkten. Kijk, ik heb hun identiteitsbewijzen.’ De menigte pakt telefoons en filmt het. ‘God is de grootste’, roept iemand.
Om wat voor namen het precies gaat, is onduidelijk. Ahmad vertelt desgevraagd dat hij sinds tweeënhalve dag op zoek is naar vier broers en vijf neven. Hij komt uit de zuidelijke stad Dera’a, waar de opstand tegen Assad in 2011 ontbrandde. ‘Je hebt het gezien: er zijn hier geen gevangenen meer. Bashar al-Assad en zijn mensen hebben hen gedood en verbrand. Zij moeten voor het gerecht worden gesleept. Ze hebben het Syrische volk vernietigd.’
Khadra Rashed (‘65 of 70 jaar’) is intussen met haar dochter in de schaduw gaan zitten, moe van het zoeken. Haar zoons waren 22 en 35 toen ze verdwenen, één van hen twaalf jaar geleden. Uit protest is hun moeder sinds drie dagen in hongerstaking. Ze probeert zich sterk te houden, maar kan de tranen niet tegenhouden. ‘Ze huilt al twaalf jaar’, zegt haar dochter Alia zachtjes.
Terwijl de middagzon hoger klimt, houden veel mensen het voor gezien. Ammar, de chef-kok uit Groningen, heeft zijn neef niet gevonden en besluit het te proberen bij een reeks ziekenhuizen in Damascus. Lichamen die eerder in Sednaya werden gevonden, zijn daar overgedragen aan de mortuaria.
Nadien doet Ammar verslag aan de telefoon. Ook in de ziekenhuizen was geen spoor van zijn neef. Bij het Mujtahid-hospitaal liep hij een man tegen het lijf die naar eigen zeggen net bevrijd was uit Sednaya. ‘Toen ik hem naar mijn neef vroeg, begon hij te lachen. Niet gewoon te lachen, maar zoals een geesteszieke lacht. Hij wist zelf niet meer hoe hij heette. Hij wist niks meer. Hij zei: ‘In Sednaya kende ik de anderen alleen bij hun nummer.’
Later op dinsdag, enkele uren na het bezoek van de Volkskrant, wordt er in de gevangenis een massagraf gevonden met 35 lichamen, sommigen zo zwaar toegetakeld dat ze nauwelijks nog herkenbaar zijn. Het zal onder veel speurders tot tegenstrijdige gevoelens leiden. Immens verdriet, maar ook het besef: het heeft zin om te zoeken. Ze zullen morgen weer naar Sednaya komen, met velen tegelijk.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant