Eindelijk weer eens een schrijverspolemiek, reageerden sommige lezers gretig op de recente, openbare pennenstrijd tussen de schrijvers Rob van Essen en Ilja Leonard Pfeijffer. Het was in 1981 dat literatuurwetenschapper Ton Anbeek een omstreden oproep richtte tot Nederlandse schrijvers om „meer straatrumoer’’ in hun boeken te verwerken. Een echo daarvan is terug te horen in de discussie tussen Van Essen en Pfeijffer, twee gelauwerde schrijvers.
Van Essen begon. Op 20 oktober 2024 hield hij een lezing in Nijmegen die na een rustig begin plotseling uitmondde in een filippica tegen collega Pfeijffer. „Maar de literatuur is dood”, constateerde hij halverwege zijn lezing. Hij had het gemerkt op de Buchmesse van Leipzig waar hij zich „volkomen gevaarloos” en „vervreemd” voelde tussen de talrijke hoogwaardigheidsbekleders.
„De begrafenis van de literatuur” vond voor hem eerder in Antwerpen plaats op een avond waar Pfeiffer zijn nieuwe roman Albikiades presenteerde. Van Essen zat op de tribune en ergerde zich bovenmatig aan de plechtstatigheid van het hele gebeuren. „Het was een begrafenisdienst, en de dode, dat was de literatuur.”
Bij de lancering van zo’n boek, klaagde Van Essen, wordt voortdurend beklemtoond dat het eigenlijk een actueel verhaal is over de teloorgang van de democratie. Hij noemde dat „het eeuwige misverstand dat een roman iets moet zeggen over de huidige tijd, en het liefst iets geëngageerds natuurlijk”. Zijn afkeer daarvan vatte hij verderop aldus samen: „Romans waarin de wereld wordt geduid – niets ergers dan dat (…). Heeft ooit iemand, een lezer, een roman ter hand genomen om de wereld beter te begrijpen?”
Jazeker, antwoordde Pfeijffer hem in zijn repliek in HP/De Tijd: ,,Alle romans die ik ter hand neem, sla ik open in de hoop om de wereld beter te begrijpen.” Ook enkele romans van Van Essen had hij „met plezier” gelezen, maar „het gebrek aan urgentie leidt tot een vorm van vrijblijvendheid. Het was een leuk verhaal, oké, maar het had net zo goed een ander verhaal kunnen zijn”.
Anders gezegd: Pfeijffer hekelt het escapisme waar Van Essen zich als schrijver juist op laat voorstaan. „Het zijn juist die eisen van actualiteit en relevantie die de literatuur van vandaag vaak zo plechtstatig maken”, vindt Van Essen.
Mijn vraag: waarom zouden die twee literatuuropvattingen, de escapistische en de geëngageerde, niet naast elkaar mogen bestaan? Ik ken lezers – zelf ben ik er ook zo een – die romans in beide genres kunnen waarderen. Misschien is het om verveling te voorkomen zelfs aanbevelenswaardig om afwisseling na te streven. Van Essen lijkt me absoluter („niets ergers dan dat”) in zijn afwijzing dan Pfeijffer in de zijne. Voor Van Essen is de dood van de literatuur zelfs een feit, al geldt het niet voor álle literatuur, zegt hij er in een curieus bijzinnetje bij; Pfeijffer vindt het escapistische genre hooguit een aardig, maar niet erg belangrijk „tijdverdrijf”.
Wie wint? Het pessimisme van Van Essen is mij te gortig, Pfeijffer klinkt iets te neerbuigend, dus zou ik het als onafhankelijke literaire ringrechter voorlopig willen houden op een ‘onbeslist’. De winnaar is eerder de Nederlandse literatuur die er dankzij deze polemiek weer twee zeer leesbare teksten bij heeft.
Source: NRC