Home

Blij met de erkenning, maar ‘liever lezers dan prijzen’: Maarten ’t Hart krijgt de P.C. Hooftprijs

Voor de aanstekelijke vertelkracht in zijn ‘kwalitatief indruk­wekkende oeuvre’ krijgt Maarten ’t Hart op zijn 80ste alsnog de prestigieuze literaire P.C. Hooftprijs. Hij had het zelf niet meer verwacht.

schrijft voor de Volkskrant over Nederlandstalige literatuur.

‘Ik hoop dat mijn vijanden een slechte dag hebben als ze in de krant lezen dat ik de P.C. Hooftprijs heb gewonnen’, grinnikt Maarten ’t Hart maandag aan de telefoon. ‘Ik had het niet meer verwacht en nu gebeurt het tóch! Ik ben heel gelukkig met de erkenning, maar ik ben al 80, een wrak en ik schrijf niet meer. Als ik in de spiegel kijk, zie ik een soort gnoom. De prijs komt te laat.’

Maarten ’t Hart, geboren in het zwartst van de tijd, aan het begin van de Hongerwinter, op 25 november 1944, droomde er al vanaf zijn prilste jeugd van om schrijver te worden. Hij is de oudste zoon van de streng gereformeerde Pau ’t Hart, tuinder en later grafmaker van Maassluis, en zijn zachtmoedige vrouw Magdalena van der Giessen.

Maarten was een verschrikkelijk druk kind, die door zijn vader met harde hand in het gareel werd gehouden. ‘Je was een ramp’, zei zijn moeder later tegen hem. ‘Maar toen je eenmaal kon lezen, had ik geen kind meer aan je.’ In het piepkleine, armzalige ouderlijke huis in de Patijnestraat 8 lag alleen de Bijbel op de schoorsteenmantel. Maar op zijn 12de had hij al de hele Gereformeerde Evangelisatie Bibliotheek van Maassluis leeggelezen. Zijn ongebreidelde leeswoede duurt tot op de dag van vandaag. ‘Elke dag een boek lezen’, verzucht ’t Hart aan de telefoon, ‘dat is het enige dat ik nog kan.’

Beroemd worden

Het mooiste leek het Maarten – het beste jongetje van de klas – om een boek in handen te houden dat hij zelf had geschreven. Hij hield zijn wens geheim, maar toen zijn juf vroeg wat hij wilde worden, durfde hij te zeggen: ‘Schrijver.’ Hij moest dan wel een beetje beroemd worden, zei zijn juf, want de mensen kopen heus geen boek van een onbekende. ‘Dat woord ‘beroemd’ zette zich vast in mijn prille hersens’, schreef ’t Hart in zijn memoires, Het roer kan nog zesmaal om, ‘ik moest dus eerst beroemd worden.’

Om beroemd te worden, moest Maarten uitblinken. Hij was een eenzaam, angstig jongetje, maar ook een strebertje, een allesweter. Eerst blonk hij uit op de lagere school, later op de hbs in Vlaardingen en daarna als student biologie. Hij ging in 1962 biologie studeren in Leiden, omdat hij daar kon inwonen bij een oom en tante en de christelijke universiteit, de VU in Amsterdam, te ver fietsen was van Maassluis. Aan de hand van zijn leermeester Piet Sevenster ontwikkelde hij zich in Leiden tot een uitstekend gedragsbioloog en promoveerde uiteindelijk op het doorkruipgedrag van de driedoornige stekelbaars.

Tijdens zijn studie viel hij, tot verdriet van zijn ouders, van het geloof. Al jong had hij De Schrift betwist. Zo rekende hij uit dat als Noach ‘van elk rein diersoort zeven paartjes en van de onreine één paartje’ meenam in zijn Ark, dat dat wel om tien miljoen dieren zou gaan en de Ark vijftigduizend keer zo groot als beschreven moest zijn. Het is typerend voor zijn nuchter-geestige kijk op het bestaan. In De bril van God vraagt ’t Hart zich af waarom zoveel mensen een bril hebben. ‘Heeft de schepper op zo’n cruciaal punt gefaald? Heeft Hij, hoewel hij alles zo ‘goed’ kon maken, het ultieme probleem van het zien niet bevredigend kunnen oplossen? Geloof je in een almachtige Schepper, dan sta je voor een raadsel.’

Een vlucht regenwulpen

Op de grens van de jaren zeventig sloeg zijn leeswoede om in schrijfwoede. In 1971 debuteerde hij onder het pseudoniem Martin Hart met Stenen voor een ransuil, twee jaar later verscheen Ik had een wapenbroeder. Beide romans, over het afscheid van een streng calvinistische jeugd en de worsteling met seksualiteit, werden nauwelijks verkocht. De Arbeiderspers, de uitgeverij die hij zijn leven lang trouw is gebleven, meldde aan haar auteur dat hij zijn derde roman – waarin dezelfde thema’s een rol speelden – maar beter in een la van zijn bureau kon laten liggen. Die roman heette Een vlucht regenwulpen – en zou van hem in één klap een beroemd en rijk auteur maken.

Een vlucht regenwulpen werd in 1978, na een aantal intensieve herschrijvingen, toch gepubliceerd onder zijn eigen naam. De roman werd onthaald als voortreffelijk, uitstekend, subtiel en hartverwarmend, om een paar van de adjectieven uit de kritieken te citeren. In het gereformeerde milieu waar hij uit voortkwam, werd geschokt gereageerd. De ene herdruk volgde op de andere. Het boek beheerste wekenlang de bestsellerlijsten. En het loopt nog altijd.

Voor De Arbeiderspers is Maarten ’t Hart van onschatbare waarde, zegt Elik Lettinga, zijn uitgever. ‘Toen ik bij de AP begon – een zeer aanzienlijke tijd geleden – zat het werk al op twee miljoen. Hoewel hij niet op reis wil, is hij al decennia enorm populair in Duitsland. Wat hem uniek maakt? Een diepgeworteld klassenbewustzijn, sensualiteit en nieuwsgierigheid.’

Een vlucht regenwulpen roept een verloren, strenggelovige wereld op, de liefde voor de natuur en het hopeloze verlangen naar een onbereikbaar meisje. Maarten smacht in de roman naar Martha als Anton Wachter naar Ida in Vestdijks fameuze roman Terug tot Ina Damman. In beide gevallen cirkelen de jongens in bewondering om hun gedroomde geliefde heen zonder haar werkelijk te naderen. ‘De zoektocht naar een vrouw, dat is toch een oeroude vorm in de literatuur? Dat drijft mij ook als schrijver voort.’

‘Mijlenver achter Vestdijk’

Maarten ’t Hart heeft een tomeloze bewondering voor Vestdijk, deelt zijn liefde voor de literatuur en de muziek, en steekt de duivelskunstenaar uit Doorn in werkkracht en productie naar de kroon. Hij publiceerde in de afgelopen halve eeuw meer dan vijftig boeken, waaronder negentien romans. Er zit een roman over zijn vader bij, De aansprekers, over zijn moeder, Magdalena, een detective, Het woeden der gehele wereld, en een historische roman over Maassluis aan het einde van de 18de eeuw, Het psalmenoproer.

‘Ik heb niet stilgezeten’, zegt hij, ‘maar ik wil me toch niet met Vestdijk vergelijken. Die schreef wel 52 romans! Ik kan dat werk hier in de boekenkast niet eens met twee armen omvatten. Nee, ik blijf mijlenver achter. Maar het is prachtig dat ik nu met hem in het rijtje van P.C. Hooftprijswinnaars sta.’

De verschillen tussen beide veelschrijvers zijn groot. ‘Ik heb geen fantasie’, zei ’t Hart in een eerder gesprek. ‘Neem De ziener van Vestdijk. Dat verhaal heeft hij helemaal verzonnen – dat zou ik nooit kunnen. Er moet altijd eerst iets gebeuren dat ik kan gebruiken. Bovendien heeft hij met veel minder plezier geschreven dan ik. Als je eens wist hoe somber Vestdijk was. Diep treurig. Depressief. Dat is bij mij helemaal niet. Ik moet erg om mijzelf lachen.’

Twintig jaar geleden schreef hij, nadat hij zijn dijbeen had gebroken na een val op de fiets, de roman Verlovingstijd om zichzelf op te monteren. ‘Dat lukt me nu niet meer’, bromt ’t Hart somber. ‘Ik wil je niet met mijn ziektegeschiedenis vermoeien, maar het is één grote ellende. Ik kreeg een herseninfarct en ben aan mijn hart geopereerd. Dat leek redelijk opgelost, maar sinds ik van de trap ben gevallen, gaat het bergafwaarts. Achter de computer zitten, dat gaat niet met mijn rug. Wat zeg je? Dat ik Verlovingstijd toch ook met de hand heb geschreven…? Daar heb je gelijk in. Maar ik kan het gewoon niet meer opbrengen. Ik ben na vijf minuten al doodmoe.’

Aanstekelijke vertelkracht, dat is de reden dat hem nu de P.C. Hooftprijs is toegekend. ‘’t Hart heeft een omvangrijk en kwalitatief indrukwekkend oeuvre opgebouwd, dat kritisch, schrijnend, liefdevol, spannend, kwetsbaar en geestig is’, schrijft de jury in haar rapport. ‘Zijn meesterschap blijkt met name uit zijn dialogen, hij heeft een uitstekend oor voor hoe mensen met elkaar praten en hij weet als geen ander dat spreektaal gestileerd moet worden wil die dialoog in een roman tot leven komen.’

Traditie van meestervertellers

De vertellerskwaliteiten waarvoor hij door deze jury wordt geprezen, zouden ook weleens de reden hebben kunnen zijn dat hem de P.C. Hooftprijs zo lang is ontzegd. Niet zelden is hem eendimensionaliteit verweten, een gebrek aan gelaagdheid. ’t Hart verketterde op zijn beurt de ‘academistische’ literatuuropvatting van veel critici. In het essay ‘De opmars der Neerlandici’ citeerde hij Multatuli: ‘Zonderling toch dat die knappe lui nooit zelf iets voortbrengen dat de moeite waard is.’

Met trots staat Maarten ’t Hart in de traditie van geliefde meestervertellers als Trollope, Tsjechov en Dickens. ‘De roman is de mooiste literaire vorm die er is. Daar kan ik alles, een-op-een, in kwijt. Als ik schrijf, heb ik maar één doel voor ogen: zo precies en levendig mogelijk een verhaal vertellen dat al een tijd lang in mijn hoofd rondzoemt.’

Veel literaire prijzen heeft hij niet gekregen. Hij somt op: ‘De Multatuli Prijs voor Het vrome volk, De Gouden Strop voor Het woeden der gehele wereld, de Biesheuvelprijs voor de verhalenbundel De moeder van Ikabod. Dat was het geloof ik wel zo’n beetje. Voel ik me miskend? Nee, het heeft me niet dwarsgezeten. Want ik had lezers. Liever lezers dan prijzen.’

Toen aan zijn vriend en voornaamgenoot Maarten Biesheuvel in 2006 de P.C. Hooftprijs was toegekend, werd hij op de Leidse markt luidkeels gefeliciteerd. ‘Gefeliciteerd, Maarten, je hebt de hoofdprijs gewonnen!’ De ene na de andere marktkoopman kwam hem feliciteren, hij kreeg geen kans het misverstand op te helderen. ‘Dat weet jij misschien nog niet’, zei de groenteman tegen het koffiemeisje, ‘maar Maarten hier heeft er af en toe plezier in zich te verkleden.’ Tot overmaat van ramp werd de aartsgierige Maarten als man in bonis gedwongen om een paar kopjes koffie te betalen. ‘Ondertussen hoop ik dat ze mij die prijs nooit toekennen, want één zo’n duur rondje koffie vind ik meer dan genoeg.’

Zelfs dat lot is ‘de grootste schriep der schepping’ nu niet bespaard gebleven. Aan de P.C. Hooftprijs is een bedrag verbonden van 60 duizend euro. ‘Dat geld kan ik natuurlijk nooit meer opmaken’, zucht hij aan de telefoon. ‘Maar ik geef toe: dat was me sowieso nooit gelukt.’

CV Maarten ’t Hart

1944 Geboren in Maassluis, als oudste zoon van een grafmaker. Zijn zus is de schrijfster Lenie ’t Hart.
1956 Groen van Prinsterenlyceum in Vlaardingen.
1962 Studie biologie aan de Universiteit Leiden.
1971 Debuutroman Stenen voor een ransuil onder het pseudoniem Martin Hart.
1974 Het vrome volk, verhalenbundel, krijgt Multatuli Prijs.
1978 Promoveert op A study of a short term behaviour cycle over de stekelbaars.
1978 Een vlucht regenwulpen.
1984 Boekenweekgeschenk De ortolaan.
1991 Verschijnt op het Boekenbal in travestie als ‘Maartje’.
1993 Het woeden der gehele wereld, roman bekroond met De Gouden strop.
1997 De schrift betwist deel I: Wie God verlaat heeft niets te vrezen.
2006 Het psalmenoproer, historische roman.
2016 De moeder van Ikabod, verhalenbundel bekroond met de Biesheuvelprijs
2024 De P.C. Hooftprijs 2025 voor verhalend proza.

De P.C. Hooftprijs is een oeuvreprijs die jaarlijks wordt toegekend aan Nederlandse schrijvers voor telkens een wisselend genre: verhalend proza, beschouwend proza en poëzie. De meest recente laureaat verhalend proza was Arnon Grunberg (in 2002), die ditmaal zelf in de jury zat.

Maarten ’t Hart is getrouwd met Hanneke van den Muyzenberg en woont in Warmond.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next