In de bonte verzameling aan beelden die Happy Birthday Amsterdam in het H’art Museum biedt, moet de bezoeker zelf maar op zoek naar een rode draad. De jeugdige stadsbewoner bijvoorbeeld.
is kunstredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over films, series en fotografie.
Ze heeft haar blik naar beneden geslagen en lijkt een anonieme passant op het drukste plein van de stad, en van het land. Maar ze staat prominent op het grootste schilderij, in een tentoonstelling die de verjaardag van deze stad moet vieren. In haar anonimiteit heeft ze ook iets onvergetelijks, al was het maar omdat je in een overvolle expositie op zoek gaat naar haar lotgenoten, of generatiegenoten.
Amsterdam rook honderd jaar geleden naar paarden. Dat moet haast wel als je naar het werk van de grote schilder (en fotograaf) George Hendrik Breitner kijkt, die een voorliefde had voor het paard in de stad als motief. Een van zijn grote werken is De Dam uit 1898 (in de collectie van Stedelijk Museum Amsterdam) waarin we het bekende plein zien, met onderin het beeld een aantal trams die rond de eeuwwisseling nog door paarden werden getrokken.
Breitner zou vaker naar de Dam terugkeren, met een voorliefde voor de avondtaferelen. In Happy Birthday Amsterdam, de tentoonstelling ter gelegenheid van de 750ste verjaardag van de hoofdstad in het H’art Museum (voorheen de Hermitage Amsterdam), ontbreken de grote werken van Breitner. We treffen wel onder meer zijn foto Dam 2 aan uit de collectie van het Stadsarchief Amsterdam, in 1896 of 1897 gemaakt vanaf de plek waar nu het monument staat. Breitner is een van de 75 kunstenaars op de expositie die een band met de stad hebben en van wie nu werk te zien is dat grotendeels van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed komt.
En wie een beetje door de schelle en nu al wat vermoeiende toon van dit door stadsmarketing gedomineerde verjaardagsfeestje heen prikt, ziet op zijn minst een tentoonstelling met weinig greatest hits uit andere musea, maar soms verrassend en niet al te bekend werk van bekende kunstenaars. Een schitterende Dumas uit de collectie van ABN Amro, een aantal vroege Erwin Olafs uit het uitgaansleven of een verrassend traditioneel-pittoreske ophaalbrug van Karel Appel. De samenhang wordt aangegeven met een wat dunne thematische ordening en de connectie met de stad die niet altijd even helder is, iets wat je je in het geval van Breitners foto van de Dam niet hoeft af te vragen.
Maak er een zoektocht van en constateer dan op zijn minst dat Breitner nog een keer verscholen opduikt in een van de grootse werken op de tentoonstelling: De Dam te Amsterdam bij avond (1900-1925) van Breitner-leerling Kees Maks. Het was de meester zelf die een eerste versie van het werk opzette, niet tevreden was, en het doek vervolgens voor een ander schilderij gebruikte. Hij vroeg aan Maks of hij, uit het hoofd, het oorspronkelijke schilderij kon reconstrueren. Misschien was het verschil in stijl nog het meest af te lezen aan de manier waarop Maks de paarden verbeeldde.
Het oeuvre van Breitner wemelt van de vermoeide werkknollen, maar Maks zet vooral het centrale witte paard neer als een soort hoogtepunt van de schepping, een bijna bovennatuurlijke verschijning aan het eind van een lange Amsterdamse werkdag. De blik van beide paarden richt zich op het dienstmeisje dat de linkerhelft van het doek domineert en heel breitneriaans (als in een snapshotfoto) half uit het kader loopt.
Het in wit geklede dienstmeisje, met het kenmerkende witte schort en hoedje, was een terugkerende figuur in het werk van de kunstenaars rond het fin de siècle. En niet alleen als een schilderkunstig motief, of als een soort knipoog naar het in wit geklede meisje uit Rembrandts De Nachtwacht; het wemelde van de dienstmeisjes op straat.
Er werkten naar schatting 250 duizend dienstmeisjes in het Nederland van de vroege 20ste eeuw en vanaf het moment dat schilders zich gingen baseren op foto’s doken ze op en kwamen ze in beeld, als onvermijdelijke passanten. De hele Amsterdamse grachtengordel draaide op dit leger van slechtbetaalde en vaak minderjarige meisjes, van buiten de stad, die de huishoudens draaiende hielden en alleen op zondag even vrij hadden.
Het blijft wonderbaarlijk dat in dezelfde eeuw, zo’n zestig jaar later (een oogwenk!) een andere chroniqueur van het stadsleven drie meisjes in de Beethovenstraat fotografeert, als ze met lange passen en korte rokken de straat oversteken. Twee van de vrouwen werpen lachend een blik in de richting van de fotograaf die zijn aanwezigheid ongetwijfeld luidkeels duidelijk heeft gemaakt. Ed van der Elsken maakte in totaal vier foto’s van de vrouwen, drie als ze over het trottoir op hem aflopen.
De foto uit 1967 die op de expositie te zien is, is vermoedelijk de derde in deze reeks, bleek eerder uit onderzoek in het archief van Van der Elsken. In zijn fotoboek Hallo! uit 1978 schreef hij zelf het bijschrift: ‘Tofachtige, prachtige winkelmeisjes of kantoormeisjes of zo, in hun lunchpauze. In de Beethovenstraat of all places.’
Dat laatste verwijst vermoedelijk naar het statige karakter van de winkelstraat in Amsterdam-Zuid. Net als het dienstmeisje van Maks (en Breitner) liepen deze drie vrouwen op een onverdacht moment de beeldgeschiedenis binnen, in het geval van het drietal als een inmiddels klassiek beeld van de jaren zestig in Nederland en de vitaliteit van de jeugd. Later bleek overigens dat het drie uitzendkrachten waren, op weg tijdens hun lunchpauze.
Aan het begin van diezelfde jaren zestig maakte fotograaf (en verzetsvrouw) Violette Cornelius (1919-1998) in opdracht van het Stadsarchief Amsterdam een serie foto’s van jongeren op een dansavond op het Amstelveld (bij de Prinsengracht). ‘Jongeren op het Amstelveld’ luidt het bijschrift en we zouden er wat voor over hebben om te weten welke muziek hier, in 1962, wordt gedraaid, een nummer dat wordt bezegeld met een innige kus. Het Beatlestijdperk is hier nét begonnen: Love me do, wellicht? Een paar jaar eerder publiceerde de jonge fotograaf Johan van der Keuken een portret van zijn generatie: Wij zijn 17. Het is geen vreemde gedachte dat het Stadsarchief zelf ook foto’s van die generatie in huis wilde halen.
Twintig jaar later ziet het leven van jongeren in de stad er al weer volkomen anders uit, als de jonge fotograaf Erwin Olaf (1959-2023) in 1983, wederom voor het Stadsarchief de gayscene fotografeert: een jongen hangt tegen een hek bij het urinoir op de kruising van Keizersgracht en Spiegelstraat, een bekend ontmoetingspunt. De onderliggende tragiek van de vrijmoedige foto’s uit 1983 is dat we nu weten dat we op de drempel stonden van het aidstijdperk.
Het mag een wat chaotische (vrijzinnige!) beeldenverzameling zijn die in het H’art Museum te zien is, je kunt in elk geval blij zijn dat op deze manier een prachtwerk als Schoolplein 1970-1979 van Armando Caïro opduikt. Een jongen met een basketbal in zijn hand staat op een pleintje onder een verweerd basketbalbord met een ring zonder net. Toch zie je aan alles dat dit zijn wereld is. In blik en houding én de manier waarop hij uit het kader valt, lijkt hij zeventig jaar later een weerspiegeling van het dienstmeisje van Breitner en Maks: een bewoner van de stad met een heel leven voor zich.
Caïro is een geboren Amsterdammer die in 1976 afstudeerde aan de Rietveld Academie als portretschilder. Een jaar later nam hij voor het eerst een saxofoon ter hand en inmiddels is hij een bekende jazz-muzikant. Je zou het een Amsterdamse carrière kunnen noemen.
Happy Birthday Amsterdam, H’art Museum Amsterdam, t/m 16/3.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant