Het houdt een keer op, weet cabaretier Hans Dorrestijn – hoewel hij dat moment lang voor zich heeft uitgeschoven. Op 84-jarige leeftijd speelt hij morgen zijn laatste solovoorstelling. ‘Inmiddels weet ik wel dat ik wat kan. Al weet ik dat ook weer niet helemaal zeker.’
is journalist en programmamaker. Hij schrijft interviews voor de Volkskrant.
‘Wil je nog even mijn tas controleren?’, vraagt Hans Dorrestijn aan zijn rechterhand Daniela Titocci. Ze heeft ondertussen haar handen al in zijn rugzak. Geroutineerd loopt ze na of alle partituren en teksten voor vanavond aanwezig zijn. Dorrestijn kijkt ondertussen hulpeloos toe. ‘Ja, is alles er?’ Ze knikt geruststellend. Alles zit erin. Inclusief twee boterhammen met pindakaas. Bedoeld voor na de voorstelling, want daarvoor kan hij toch maar moeilijk eten. Daarna volgt de gas-check. En gelukkig, ook het fornuis staat uit. ‘Welke jas wil je mee?’ Ze klopt hem bemoedigend op z’n schouder. ‘Het komt goed, hoor.’
Een kwartier later zijn we in haar grijze Renault onderweg van Bennekom naar theater Diligentia in Den Haag. Hoeveel kaarten er voor vanavond zijn verkocht, wil Dorrestijn weten. Wat? 275 maar? Hij valt even stil. ‘Jezus, dat is verdomd weinig.’ Diligentia is zo’n theater waar hij altijd bang voor is. ‘Daar zit de elite. Ik moet het hebben van gewone mensen.’
Op een dag dat hij moet spelen staat alles in het teken van dat optreden. Op zo’n dag durft hij amper op de fiets boodschappen te doen buiten Bennekom. ‘Je zal maar een lekke band krijgen.’ Overdag neemt hij thuis bijna de hele show een keer hardop door. Zeker het gedeelte dat hij uit zijn hoofd doet. Want ja, het kan natuurlijk altijd misgaan. Maar het publiek reageert bij zijn afscheidstournee ‘t Houdt een keer op hartverwarmend, heeft hij gemerkt. ‘Ze komen me na afloop bedanken alsof ik goudstaven heb uitgedeeld. Inmiddels weet ik ook wel dat ik wat kan. Al weet ik dat ook weer niet helemaal zeker.’
Daniela hoort het ondertussen vanachter het stuur glimlachend aan. ‘Je hebt niks te klagen, want het gaat tegenwoordig bijna altijd goed.’ Ze rijdt Dorrestijn al vijfentwintig jaar naar al zijn optredens. Voordien bereisde hij het land met de trein. Een doffe ellende, want vaak kwam hij na de voorstelling niet meer op tijd thuis. En zelfs als hij station Ede wél bereikte, ging het soms nog mis. ‘Ik kwam een keer aan met de laatste trein. Doodmoe. Ik zag nog net iemand op mijn fiets wegrijden.’
Hij is lang niet meer zo gespannen voor een optreden als vroeger, zegt hij, terwijl hij in de kleedkamer in zijn thee met honing roert. Jarenlang zat hij voor de voorstelling in de kleedkamer te wachten als een ter doodveroordeelde op zijn executie. ‘Ik voelde bij voorbaat schaamte tot in mijn knieschijven.’ Maar die barre tijden zijn voorbij. Het helpt dat hij al 25 jaar nauwelijks meer alcohol drinkt. ‘Ik zoop voor de verdoving, om van de wereld te raken. Met verschrikkelijke katers als gevolg.’ De omslag kwam toen zijn dochter Kirsten op zo’n ochtend na weer zo’n zwaar drinkgelag aan hem vroeg: ‘Papa, ben je boos op me?’.’ Hij zwijgt. En opeens komen de tranen. ‘Dat vond ik zo erg. Ik voelde me zo schuldig. Dat zij denkt dat je boos op haar bent, terwijl je je verdomme kapotgezopen hebt. Ik heb direct al het bier door de gootsteen gespoeld.’
Een uur later maakt hij zijn entree op het podium. ‘Sorry lieve mensen. Daar ben ik nog.’ De benedenverdieping van het theater is toch bijna helemaal vol. En het publiek is razend enthousiast. Na anderhalf uur verdwijnt Dorrestijn na een staande ovatie naar de foyer om boeken en cd’s te signeren. ‘Ze zijn bijna allemaal op’, zegt hij een half uur later stralend tegen Daniela. ‘Zie je nou wel dat je populair bent’, zegt zij, met een knipoog. ‘Dit was echt een heel goede avond’, mompelt hij gelukzalig, op de weg terug naar Bennekom. Eindelijk kan hij aan zijn boterhammen beginnen. Langzaamaan vult de lucht van pindakaas de auto, als de geur van succes.
Een week later speelt Dorrestijn in Ede. In feite een thuiswedstrijd, op fietsafstand van zijn huis. Maar hij weet ook dat thuiswedstrijden vaak het zwaarst zijn. Als hij vroeger in Ede gespeeld had, durfde hij daarna vaak drie dagen de straat niet op. ‘Ik was bang dat ze me een idioot vonden.’ Dat is allang niet meer zo, heeft hij gemerkt. Het is vanavond niet voor niets stijf uitverkocht. ‘Maar toch: je hebt geen enkel houvast in dit vak. Aan de andere kant móét ik er ook tegenop zien. Dan speel ik vaak beter.’ Aan de voorbereiding zal het niet liggen. Met kwistige hand strooit hij keukenzout in een glas water om daar vervolgens langdurig mee te gorgelen. Zo komen zijn stembanden lekker los.
De schuifelende tred waarmee hij even later het podium betreedt, verraadt desondanks diepe onzekerheid, en misschien wel angst. Volkomen overbodig, blijkt al snel. Want Ede onthaalt zijn beroemde buurtgenoot ruimhartig. Er wordt tijdens de voorstelling veel en hard gelachen. Maar ook opvallend veel gehoest. Dat heeft híj natuurlijk weer. ‘Verkouden mensen spreken altijd met elkaar af om vanavond naar Hans Dorrestijn te gaan.’
Het gaat hem best aan het hart dat er nog maar een paar voorstellingen te gaan zijn. Zeker nu het allemaal zo goed gaat. ‘Maar ik kan het fysiek bijna niet meer opbrengen. Het is te zwaar. Ik heb twee dagen nodig om bij te komen van één optreden.’ Maar goed, wie speelt er dan ook nog op z’n 84ste? Dat vergeet hij weleens. ‘Als ik in de kleedkamer zit, denk ik: hoe moet ik dit nou weer redden? Maar dan krijg ik van Daniela een energiedrankje. Zo'n oranje blubber-achtig goedje, dat je via een soort speen naar binnen moet zuigen. Daar schijn je dus sterker van te worden.’
Een paar dagen nadien opent hij met rode konen de voordeur van zijn huis in Bennekom. De avond ervoor speelde hij in Tilburg. ‘En wat denk je?’, vraagt hij opgewonden. ‘Het ging onwaarschijnlijk goed.’ Hij ziet er altijd als een berg tegenop om in het zuiden te spelen. Want daar begrijpen ze nooit echt wat hij bedoelt. ‘Daar zijn ze bourgondisch, opgevoed met het idee dat je ook moet dansen als je maar één been hebt. Wat ik doe, staat daar volledig haaks op. Maar gisteren vonden ze het geweldig.’
En toch, die eeuwige twijfel is ondanks het huidige succes nooit ver weg. ‘Soms denk ik, als ik ze in de zaal hoor brullen, dat het misschien een vorm van massapsychose is. Dat het niet echt goed is, maar dat ze elkaar dat hebben wijsgemaakt. Dat gevoel blijft altijd.’
Vroeger was het nog veel erger. Zijn eerste jaren in het kleine circuit waren loodzwaar. Hij vond optreden ‘de hel’. In de trein op weg naar een voorstelling zagen zijn vingers vaak al na een kwartier wit, ‘helemaal dood, van pure angst’. Bij aankomst in het theater moest hij zijn handen eerst in een emmer warm water houden, voordat hij een akkoord op de piano kon aanslaan. Maar door de jaren heen werd het succes groter, en de angst kleiner.
Denk niet dat hij zichzelf een prutser vond. Helemaal niet. Hij heeft echt mooie dingen gemaakt. Zijn lied Het buigen is echt een heel goed gelukt nummer. ‘Maar ik weet ook dat ik nooit zo'n prachtig lied gemaakt heb als Je veux de l’ amour, van Raymond van het Groenewoud. En aan Tom Waits en Jacques Brel kan ik al helemaal niet tippen. Dat is niet mijn divisie. Maar in het segment daaronder deed ik aardig mee.’
Hij groeide op met Toon Hermans en Wim Kan. ‘Bij mij thuis was het alleen leuk als Wim Kan op de radio was. Zelfs mijn stiefvader, die niets liever deed dan mij slaan, was dan ongevaarlijk. Die zat gewoon te láchen... Wim Kan stond voor mij daarom voor geluk.’ Zichzelf onderbrekend: ‘Ja, verdomme zeg, nu ik het zo zeg, snap ik het: dát is wat ik altijd over heb willen brengen. Ik wist uit eigen ervaring: als mensen echt lachen, drukken ze even hun narigheid weg. Daarom zijn grappen voor mij altijd de hoofdzaak geweest. Ik ben veel meer cabaretier dan zanger.’
In elke voorstelling stopte hij grappen waarvan hij wist dat die het altijd goed deden.
Als ik een vrouw ontmoet met een intelligent gezicht,
een edel gevoelig profiel en beschaafde manieren,
met poëziebundels van Rainer Maria Rilke en Hölderlin
en een altviool onder de arm,
dan denk ik meteen aan neuken.
Een vrouwenhater, noemden ze hem soms. Maar ja, zoals hij in ’t Houdt een keer op zegt: ‘Ik ben niet als vrouwenhater geboren. Daar hebben die kutwijven het zelf naar gemaakt.’ Hij was vaak verliefd in zijn leven. Maar hij zette vrouwen altijd te veel op een voetstuk, beseft hij nu. ‘Dat is natuurlijk verkeerd, want dan kunnen ze zich niet meer vrij bewegen. Pas na twee huwelijken realiseerde ik me dat vrouwen ook gewoon naar het toilet gaan en winden laten.’
Aan de leeslamp op de eettafel hangt een briefje: 1. glas water, 2. fruit, 3. glas water, 4. koffie en 5. weer koffie. Dat is de vaste volgorde voor zijn ontbijt, legt hij uit. Hij wordt al een paar jaar gekweld door verstopping. Dorrestijn pakt zijn notitieboekje erbij en leest het verslag van die dag voor. Vanochtend echt wanhopig door het gebrek aan stoelgang. Maar toen ik op het vogelhuisje voor het eerst weer in tijden een puttertje zag, voelde ik dwars door alles heen een diepe vreugde en dankbaarheid. Als je verstopt bent, voel je alleen maar wanhoop. En toch kan ik genieten van zo’n vogeltje.’
Hij was jarenlang actief als vogelaar. Hij maakte voor Omroep Max vier seizoenen lang het natuurprogramma Baardmannetjes, samen met Nico de Haan. Maar het bos intrekken met een verrekijker doet hij niet meer. De eerste jaren als vogelaar was hij vooral een blinde vink. Hij kon vroeger eindeloos staan turen, tussen andere vogelaars die opgewonden stonden te wijzen naar ondefinieerbare vogels op onduidelijke takken. Dan duurde het minstens een half uur voordat hij er ook eentje zag.
Maar dat is de winst van ouder worden, zegt hij met een brede glimlach. ‘Ik heb leren genieten van de dingen waar ik niet goed in ben.’ Gelukkig struinen de appelvinken en de geelgorzen ook volop in zijn eigen tuin. Geluk blijkt gewoon aan huis te worden bezorgd.
Hij heeft net een reisje geboekt naar Schiermonnikoog, herfst volgend jaar. Eigenlijk tegen beter weten in. ‘Want ik heb het idee dat ik dat niet haal. Ik weet het zelfs bijna zeker. Al denk ik zo langzamerhand ook: het einde mag nu wel komen. Ik vind het bestaan zwaar. Als ik boodschappen loop te doen, ben ik een stokoude vent. Dan zie ik andere mensen denken: ‘Jezus man, wat doe jij nog op straat?’. Ik verfraai het stadsbeeld nou niet bepaald. Dat voel ik nu veel sterker dan vroeger.’
Waarschijnlijk heeft het ook te maken met de tia die hem drie jaar geleden trof. Hij was op bezoek bij zijn goede vriend Rob Schouten. Het viel Schouten op dat Dorrestijn opeens zo raar begon te lopen. ‘Het leek wel of ik klompen met hoge hakken aanhad.’
Eenmaal thuis zat hij voor de tv te eten toen zijn mes op de grond viel. ‘En wat ik ook probeerde, ik kreeg het niet meer opgepakt.’ Hij merkte dat zijn middelvinger en zijn ringvinger niet meer goed werkten. Om het te testen schoof hij achter de piano. ‘En inderdaad, het lukte absoluut niet meer om sommige overgangen te pakken. Toen besefte ik: dit is ernstig.’
Hij besloot maar naar bed te gaan, in de hoop dat het de dag erop beter zou gaan. Maar de volgende dag lukte het hem nog maar net om Daniela te bellen. ‘Zij was er eerder dan de ambulance.’ In het ziekenhuis werd hij vervolgens geopereerd aan een ader in zijn hoofd. ‘De artsen zeiden later: ‘Meneer Dorrestijn, u hebt geweldig veel geluk gehad dat het zo is afgelopen.’’
Zijn herstel nam uiteindelijk meer dan een jaar in beslag. Al is hij nooit meer helemaal de oude geworden. Hij begon weer voorzichtig met pianospelen, door mazurka’s van Chopin in te studeren. ‘Die mazurka's zijn voor een klein talent speelbaar. Maar de meeste dingen die ik vroeger gespeeld heb lukken niet meer goed.’
Of hij op 9 december in De Kleine Komedie echt zijn allerlaatste voorstelling speelt? Ach, dat kan hij niet beloven. Hij zal heus nog wel eens op een podium staan. Vooral om zijn zoon Jesse in de schijnwerpers te plaatsen. ‘Jesse is een geweldige gitarist en componist. Ik wil hem graag aan het publiek voorstellen.’ De werktitel is er al: Nog even dit. Maar een solovoorstelling zit er beslist niet meer in, bezweert hij. ‘Dat is fysiek te zwaar voor me.’
Er staan in huis in elk geval nog nergens geraniums, zegt Dorrestijn. ‘Die gaan toch maar dood als ik thuiskom.’ Hij weet nu nog niet hoe zijn dagen er straks uit zullen zien. Al stelt hij zich daar niet al te veel van voor. ‘Mijn mogelijkheden zijn zo verschrikkelijk beperkt. Ik heb zoveel meer tijd nodig voor gewone dingen, die ik er vroeger makkelijk bij deed. Boodschappen doen, koken, daar ben ik de hele dag mee zoet. Vroeger schreef ik er ondertussen een hele roman bij.’ Maar goed, als hij straks dood is kan hij tenminste een hele tijd uitrusten. Al is dat ook weer niet echt een aanlokkelijk vooruitzicht. ‘Persoonlijk vind ik het verschil tussen dood en leven veel te groot. Eerst de hele kosmos doorgronden om vervolgens als een levenloos voorwerp in de grond te zakken. Dat kunnen ze toch eigenlijk niet maken.’
Jesse is nu 42, zijn dochter Kirsten 40. Hij wilde eigenlijk helemaal geen kinderen. ‘Ik was als de dood dat ik ze dan misschien ook ging slaan.’ Maar zijn tweede echtgenote werd tot zijn grote wanhoop en ontzetting toch zwanger. ‘Jesse werd geboren in het ziekenhuis. En zodra ik hem zag, golfde het door me heen: ik hou van hem. Goddank!’
Hij was er jarenlang van overtuigd dat hij een slechte vader was. Al helemaal toen hij na zijn scheiding in een psychiatrisch ziekenhuis belandde. Bovendien was hij voor zijn gevoel door al die optredens veel te vaak van huis geweest. ‘Maar mijn psychiater zei: ‘Hans, er zijn ook zeekapiteins die veel weg zijn. Die kunnen toch ook prima vaders zijn. Dus maak je geen zorgen.’’ En juist daarom vindt hij het zo’n prachtige gedachte om straks nog af en toe met Jesse op te treden. ‘Dan voel ik dat ik iets voor mijn zoon kan doen.’
Of het nog een moeilijk afscheid wordt, in die Kleine Komedie? Hij schudt het hoofd. ‘Ik probeer het te zien als een normaal optreden. Mijn manager had een gastenlijst van vijftig mensen samengesteld, maar ik heb gezegd dat ik liever vroeg naar huis ga. Ik vind het toch te moeilijk om te vieren. Mijn verstand zegt dat het mooi is geweest. Ik moet het alleen nog even aan mezelf uitleggen.’
Hans Dorrestijn (Ede, 1940) begon na de kweekschool en de MO-lerarenopleiding Nederlands teksten te schrijven voor onder anderen Don Quishocking, Adele Bloemendaal, Jenny Arean en Herman van Veen. In 1974 debuteerde hij als cabaretier met het programma Bofkont. Hij publiceerde verschillende boeken, waaronder Het anti-hondenboek, De donkere kamer van Dorrestijn, De Spaanse kat en Dorrestijns vogelgids. Dorrestijn maakte ook radio- en televisieprogramma’s: op de radio presenteerde hij onder meer jarenlang in Het Gebouw van de VPRO ‘nieuws’ van Dorrestijns Persagentschap. Op televisie was hij tussen 2014 en 2017 bij Omroep Max te zien in Baardmannetjes. Op 9 december speelt hij zijn allerlaatste solovoorstelling ’t Houdt een keer op in De Kleine Komedie.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant