Ben Rümke is 100 jaar. Hoe kijkt deze geëmancipeerde Amsterdammer terug op de eeuw die achter hem ligt?
Ben Rümke is opgegroeid in een milieu van artsen en academici en koos een geheel andere weg. Met dank aan de middelbare school die hij bezocht, zegt de 100-jarige Amsterdammer. Zelfstandig denken en beslissen stonden daar hoog in het vaandel. Het komt ook door deze ‘beslissende episode’ in zijn leven dat hij getutoyeerd wil worden; iedereen is gelijk, dus spreek mij alsjeblieft aan met ‘je’ en ‘jij’, is het eerste wat hij zegt bij binnenkomst.
Met zijn 94-jarige vrouw Olga bewoont Ben Rümke een licht appartement in Amsterdam. In de zithoek hebben ze zich omringd met stapels boeken. Van de nieuwste publicatie van Sander Schimmelpenninck, De domheid regeert, tot de stokoude bundel De liederen uit Valerius, Nederlandsche Gedenck-Clanck, met geuzenliederen over de Tachtigjarige Oorlog waarvan Rümke er vele uit zijn hoofd kent. Olga mengt zich geregeld in het gesprek, soms op zijn verzoek: ‘Kun je mij even helpen?’
Hoe ervaart u, eh je, de ouderdom?
‘Als je mij vraagt wat de beste manier is om oud te worden, dan is mijn antwoord: de liefde. Ik besef dat ik bof iets te hebben wat de meeste mensen niet meemaken: een tot op hoge leeftijd zeer gelukkig huwelijk. Het is heel, héél leuk om samen oud te worden.
‘Nu ga ik een prachtig verhaal vertellen. Ik vroeg deze jongedame vijftig jaar geleden ten huwelijk. Ze zei: ‘Daar mag je het nóóit meer over hebben!’ Ze had een ongelukkig huwelijk achter de rug en was net als ik gescheiden. Ik liet de kwestie betijen. Enige tijd later vroeg ik: ‘Wanneer gaan we trouwen?’ Een keer raden wat ze antwoordde: ‘Aanstaande zaterdag!’ Je moet een vrouw dus niet ten huwelijk vragen, maar het samen doen.’
Wat maakt jullie nog zo gelukkig samen?
‘Dat we in de eerste plaats vrienden zijn. We kunnen het erg goed met elkaar vinden en zijn graag in elkaars aanwezigheid. Dat was zo vanaf het moment dat we elkaar leerden kennen, op de middelbare school van onze kinderen. Langzamerhand zijn we veel van elkaar gaan houden.’
Olga: ‘We hebben de moed te zeggen wat je niet aanstaat in de ander. Dat houdt je relatie zuiver. Dat hebben we wel moeten leren. Bio-energetica therapie heeft mij enorm geholpen. Ik stelde het erg op prijs dat Ben uit zichzelf besloot mee te doen.’
Ben: ‘Olga kan iets wat weinig mensen kunnen: luisteren en gedrag veranderen. Ze kon kattig en ongeduldig zijn als ik iets zei waarmee ze het oneens was. Dat vond ik afschuwelijk. In een relatie is het belangrijk dat je je mening kunt uiten, zonder dat er een conflict ontstaat.’
Olga: ‘Jij hebt geleerd niet alles van een donkere kant te bekijken.’
Wat heb je geleerd van je eerste huwelijk?
‘We deden mee aan het grote zwijgen, wat ons dwars zat bleef ongenoemd. In zijn algemeenheid denk ik dat er een ogenblik kan komen dat de liefde weg is – dat het op is. Mijn eerste vrouw en ik waren het erover eens dat het bij ons zover was gekomen.’
Hoe waren je jeugdjaren?
‘Nu ga ik je iets bijzonders vertellen: tussen mijn oudere broer Philip en mij zat 1,5 jaar, tussen mij en mijn tweelingbroer Coen 1,5 uur.
‘Mijn vroege jeugd was een veilige, aangename tijd, daarmee heb ik geboft. Er was veel muziek: mijn vader speelde piano en cello, mijn moeder altviool. Ze organiseerden muziekavonden, zo is mijn liefde voor kamermuziek ontstaan.
‘Ik was een baby toen we naar Den Haag verhuisden, waar mijn vader de huisartspraktijk van zijn vader overnam. Als een van de weinigen hadden we een auto; tegenwoordig ga je naar de huisarts, in die tijd zocht de dokter zijn patiënten thuis op.
‘Mijn ouders verwachtten meer van mij dan ik kon waarmaken. Zo moest ik net als Coen op de padvinderij, maar ik vond er geen pest aan. ‘Akela, wij doen ons best’, was zo’n slogan. Ik maakte ervan: ‘Akela, ik doe geen pest’. Ik wilde graag hobo leren spelen, maar moest van mijn moeder op vioolles.
‘Ik herinner me nog dat ik een jaar of 9 was en we als gezin een wandeling maakten door de Haagse Bosjes en ik tegen mijn moeder zei: ‘Als jullie ooit uit elkaar gaan, wil ik bij vader blijven.’ Ik was 10 jaar toen ze gingen scheiden. Het was een belangrijke gebeurtenis in mijn jeugd, maar ik kan niet zeggen dat ik daarvan vreselijk ondersteboven was.
‘Mijn moeder maakte een goede keuze door na de scheiding met haar kinderen naar Bilthoven te verhuizen, en ons naar de school van Kees Boeke en Beatrice Cadbury te sturen. Het woord ‘school’ gebruikten zij niet, de Werkplaats werd het genoemd. De kinderen heetten ‘werkers’ en de docenten ‘medewerkers’. Er werd veel toneel gespeeld en muziek gemaakt. Het meest genoot ik van zingen. Kees Boeke componeerde en schreef zelf liederen.’
(Hij zet in - en Olga zingt mee:) ‘Open de grenzen, open ze wijd, tata ta ta ta tata ta ta.’
Olga: ‘Dit lied moet van eind jaren dertig zijn geweest, toen veel Joden Duitsland ontvluchtten.’
Ben: ‘Boeke was een felle anti-nazi. Ik ben ongelooflijk blij dat ik op de Werkplaats heb gezeten. Die jaren zijn van grote invloed geweest. Ik heb er geleerd zelfstandig te denken, je eigen weg te kiezen en dat man en vrouw gelijk zijn.’
Olga: ‘Daar pluk ik nog dagelijks de zoete vruchten van. Als ik terugkom van mijn koorrepetitie is de afwas gedaan en alles opgeruimd.’
Ben, schertsend: ‘Het belangrijkste wat ik op de Werkplaats heb geleerd, is de plee schrobben.’
Hebben Coen en jij er weleens gebruik van gemaakt een eeneiige tweeling te zijn?
‘Jazeker. Elke 100-jarige die je vraagt naar de rottigste tijd van zijn leven, zal antwoorden: de oorlog. Je was je vrijheid kwijt. Mijn oudere broer Philip bood verzet door dingen te doen, ik door dingen níét te doen. Zo weigerde ik de loyaliteitsverklaring van de Duitse bezetter te tekenen om te kunnen studeren, en ging ik niet voor dwangarbeid naar Duitsland, waardoor ik moest onderduiken.
‘Mijn tweelingbroer Coen werd om onbegrijpelijke redenen in 1942 opgepakt en gevangengezet in het beruchte Kamp Amersfoort. Ik denk dat hij werd verward met Philip, die actief was in het verzet en Joden naar onderduikplaatsen bracht. Coen is uiteindelijk door een vrouw van het Rode Kruis, Loes van Overeem, uit het kamp geholpen. Hij zocht een schuilplaats bij mijn vader in Den Haag, waar ik op dat moment ook zat ondergedoken. Om te voorkomen dat iemand in de gaten kreeg dat we daar allebei zaten, lieten we ons tot de bevrijding nooit samen zien. Na de oorlog werden we in de buurt ‘the twin hiders’ genoemd.’
Hoe bouwde je na de oorlog je leven op?
‘Ik had verschillende baantjes voordat ik in 1947 naar Indonesië vertrok. Zoals bekend wilden de Indonesiërs onafhankelijk worden. De Nederlandse regering wilde het behouden en stuurde soldaten. ‘Indië verloren, rampspoed geboren’, was het adagium. Daar geloofde ik niets van. Ik heb het altijd vreemd gevonden dat zo’n piepklein landje in Europa de baas wilde zijn over het veel grotere Indonesië. Ik vond dat het afgelopen moest zijn met de koloniale overheersing en besloot met eigen ogen te gaan kijken wat er gaande was.
‘Ik kon een contract krijgen bij de Nederlandse overheid daar, mijn taak werd romoesja’s – Javanen die tijdens de Japanse bezetting dwangarbeid hadden verricht – aan een baan helpen en van kleding voorzien. Daar zag ik dat de wens onafhankelijk te worden breed gedragen werd onder de bevolking en onomkeerbaar was.
‘Na afloop van mijn contract keerde ik in 1950 terug naar Nederland. Ik besefte dat ik in de wonderlijke situatie verkeerde dat ik de enige in de familie was zonder universitaire opleiding. Het lag voor de hand volgens de familietraditie medicijnen te gaan studeren, want arts was hét familieberoep, maar die studie duurde mij te lang. Ik koos voor de kortst mogelijke route: rechten. Coen zei dat ik het Z.U.L.O. ging doen: Zeer Uitgebreid Lager Onderwijs. Maar ik heb er nooit spijt van gehad, je kunt er overal mee terecht.’
Is de geest van Kees Boeke in uw volwassen leven van invloed geweest op keuzen die u heeft gemaakt?
‘Oja, ik denk dat ik zonder de Werkplaats van Kees Boeke een ander mens was geweest, zonder dat precies in detail te kunnen uitleggen. Ik heb meegekregen dat je je eigen weg moet kiezen en van A tot Z verantwoordelijk bent voor je beslissingen. De gelijkwaardigheid tussen man en vrouw zit in mijn vezels. De laatste twintig jaar van mijn loopbaan was ik directeur van de Stichting Opleidingen in de Metaal. Er was een nieuwe medewerker nodig. Omdat ik vond dat er te weinig vrouwen bij de organisatie werkten, bedacht ik een truc. In de advertentie voor de vacature liet ik v/m zetten in plaats van het gebruikelijke m/v. Het werkte! Er solliciteerden veel meer vrouwen dan we gewend waren. Het werd ook een vrouw.’
Hoe kijkt u terug op de afgelopen 100 jaar?
‘Met het besef dat ik geweldig heb geboft: met de beslissende episode op de Werkplaats, de onderduikadressen, onze kinderen én met de jongedame die ik elke dag aan mijn zijde heb.’
geboren: 22 oktober 1924 in Amsterdam
woont: zelfstandig, in Amsterdam
beroep: organisatie adviseur
familie: zijn vrouw (94), twee kinderen, vijf kleinkinderen, drie bonuskinderen, zes bonuskleinkinderen en acht bonusachterkleinkinderen
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant