Home

‘De gestolen Van Goghs’ is een aanstekelijke zoektocht vol scherpe observaties

Na de roof van een Van Gogh uit Singer Laren duikt journalist Lex Boon in politie-archieven, ontmoet kunstdieven en de mensen die op hen jagen. Daarbij doseert hij onnodige informatie zó dat het grappig wordt.

​is kunstredacteur van de Volkskrant.

De gestolen Van Goghs begint met een teleurstelling. Maandag 30 maart 2020 stapt journalist Lex Boon in de auto om tijdig bij Singer Laren te zijn. Die nacht is er ingebroken en om 15 uur zal het museum een persconferentie geven. Boon hoopt daarvan verslag te kunnen doen. Als freelancer schreef hij regelmatig voor Het Parool en voor NRC maakte hij een uitgebreide reconstructie van de kunstroof die in 2012 in de Kunsthal in Rotterdam had plaatsgevonden.

Maar die dag heeft Boon pech: er is al een collega ter plaatse. Nu had Boon kunnen aftaaien, maar dat doet hij niet. Hij zoekt, zoals hij zelf uitlegt, afleiding buitenshuis omdat het thuiszitten in lockdown met drie jonge kinderen hem zwaar valt. En gelukkig maar, anders hadden we dit spannende boek niet gehad.

Heel precies noteert Boon daarin wat er in afwachting van de persconferentie wordt gezegd, door andere journalisten, door een botte fotograaf en door buurtbewoners. In de persconferentie wordt vervolgens wereldnieuws uit de doeken gedaan: die nacht is het schilderij Lentetuin (1884) van Vincent van Gogh gestolen, een bruikleen van het Groninger Museum.

Het verdriet dat Boon ziet bij Jan Rudolph de Lorm, de directeur van Singer Laren, motiveert hem om dieper in eerdere diefstallen van Van Goghs te duiken. Aan de hand van die informatie kan hij mogelijk een inschatting maken of en wanneer het schilderij terugkeert.

In een excellsheet gaat Boon dit allemaal noteren. En al vlug ontspoort dit ‘lockdownproject’ op een heerlijk aanstekelijke manier. Boon wil precies weten waarom er schilderijen van Van Gogh worden gestolen, wie dat doen en waarom. Zo duikt hij in politie-archieven, ontmoet kunstdieven en de mensen die op hen jagen.

Onder hen natuurlijk de onvermijdelijke Arthur Brand, zelfbenoemd kunstdetective, die een belangrijke rol speelt in de beoogde terugkeer van de Lentetuin. Via een Limburgse website ontdekt Boon bovendien ‘de bekende Limburgse detective’ Ben Zuidema. Deze Zuidema blijkt een hekel te hebben aan Brand en vice versa. Brand noemt Zuidema het ‘ergste van het ergste’. Zuidema vindt het kwalijk dat Brand wel de kunst opspoort, maar niet helpt de kunstdieven achter de tralies te krijgen.

Boon speurt met allebei mee en merkt elk detail op. Hij citeert mensen het liefst inclusief verhaspelingen en onhandigheden. In deze scherpe observaties zit ook zijn droge humor. Soms gaat het om een terloopse opmerking, zoals over ‘vakidioot’ Arthur Brand: ‘Ik vroeg me weleens af of het betekende dat hij, omdat kunstdetective niet echt een vak is, eigenlijk gewoon een idioot is.’

Ook met de verdrietige museumdirecteur houdt Boon contact. Jan Rudolph de Lorm blijkt helemaal niet geïnteresseerd te zijn in het gemiddelde aantal dagen dat een Van Gogh gestolen is. Hij voelt zich ongemakkelijk bij deze kunstliefhebber: ‘Het is vooral het verhaal van de diefstallen dat me fascineert en tegenover De Lorm schaam ik me daar een beetje voor.’

Dit soort ontboezemingen maakt Boon als verteller sympathiek. Als interviewer is hij dat kennelijk ook: de mensen die hij spreekt lijken volledig op hun gemak. Misschien doet hij zich daarbij wat naïever voor dan hij is: de mannen die hij spreekt (het zijn vooral mannen) willen hem graag iets leren of uitleggen.

‘Zo doe je dat’, zegt Brand bijvoorbeeld nadat hij een bron heeft uitgefoeterd die hem bedreigde. Als Boon even later zelf wordt bedreigd, bedankt hij vriendelijk voor het gesprek voor hij ophangt. Ook zulk begrijpelijk gekluns maakt het prettig Boon te volgen in zijn zoektocht.

Doordat hij zich voornamelijk door zijn particuliere nieuwsgierigheid laat leiden voel je als lezer dat dit verhaal op elk moment een andere afslag zou kunnen nemen. Op een kwart van het boek lijkt het even of Boon de Van Goghs achter zich laat en een detectiveopleiding gaat volgen.

Een eind verder heeft het er de schijn van dat hij het vooral nog over vrachtwagens wil hebben. Ook zo’n boek (Boon over vrachtwagens) zou ik best willen lezen. Eerder schreef hij een nogal vermakelijk boek over de ananas, dus waarom niet over vrachtwagens?

Schrijven is schrappen, zeggen ze. Hoofd- en bijzaken onderscheiden schijnt ook belangrijk te zijn. Maar Boon doseert onnodige informatie zó dat het grappig wordt. We leren bijvoorbeeld dat Arthur Brand alleen maar Fanta drinkt, dat verdachte Nils M. in de rechtszaal een spijkerbroek draagt die ‘iets te strak’ is, dat Zuidema graag raadselachtige gezegdes gebruikt. Meer is meer, lijkt Boons motto.

Niet dat hij zijn onderzoek heeft verzaakt. Achterin het boek staat een ‘catalogus’, een chronologisch overzicht van 48 gestolen schilderijen van Van Goghs en of en wanneer die terugkeerden. De laatste is Lentetuin en ja, ook die werd teruggevonden.

Lex Boon: De gestolen Van Goghs – Het verhaal achter de sensationele diefstal van Lentetuin en 47 andere Van Goghs. Meulenhoff; 240 pagina’s; € 22,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next