Home

Straatarts Michelle van Tongerloo: ‘Het beste medicijn tegen cynisme is mensen helpen. Ze uit de drek trekken’

Vanuit de Pauluskerk in Rotterdam biedt straatarts Michelle van Tongerloo zorg aan talloze dak- en thuislozen, verslaafden, arbeidsmigranten, ongedocumenteerden en mensen met psychiatrische problemen. Lukt dat niet op de formele manier? Dan lost ze het gewoon zelf op, door risico’s te nemen.

is verslaggever van Volkskrant Magazine.

Er wordt voortdurend geklopt, zonder dat er iemand binnenkomt. ‘De wond staat voor de deur’, weet Michelle van Tongerloo, en de identiteit doet er even niet toe. Hij blijft kloppen, het gejaagde ritme verraadt urgentie.

De eigenaar van de wond mag zich niet laten zien, hier in de behandelkamer op de eerste verdieping van de Pauluskerk in Rotterdam, waar Van Tongerloo als huis- en straatarts spreekuur houdt voor de aanwassende populatie van dak- en thuislozen, verslaafden, arbeidsmigranten, ongedocumenteerden en mensen met tal van psychiatrische problemen. Hij is nog niet aan de beurt.

Van Tongerloo (41) zit aan een tafeltje in een denim outfit, d’r opgestoken haar nat van de regenbui. Klaar om op deze dag een ongelijksoortige stoet mensen uit alle windrichtingen aan zich voorbij te zien trekken.

In de hoek van de kamer ligt haar klassieke dokterstas, en dat is zo’n beetje het enige dat dit spreekuur gemeen heeft met een doorsnee huisartsenpraktijk.

Overbekend terrein

Als je haar boek Komt een land bij de dokter leest, kun je zeggen dat deze plek voor haar gesneden koek is, overbekend terrein. Sinds 2016 werkt ze als straatarts, eerst in Vlaardingen, later in Rotterdam, en duikt ze ‘diep in de huidige staat van onze samenleving’. Elke verontrustende maatschappelijke ontwikkeling verpakt als crisis, ontvouwt zich voor haar neus, schrijft ze, in de vorm van ‘de afvallers’.

Kwetsbaarheid wordt veroorzaakt door omstandigheden, de samenleving is zo sterk als zijn zwakste schakel. ‘Wat je ziet zijn allemaal mensen die niet de juiste papieren hebben, die het niet meer lukt om een woning te vinden, die dakloos raken. Ongedocumenteerden worden oud en ziek op straat. Jonge gelukszoekers blijven komen, het afschrikbeleid werkt niet. Ze mogen niet werken, belanden op straat. Steeds vaker zie ik tijdens mijn spreekuur Nederlandse daklozen, mensen die het economisch niet meer kunnen bolwerken. Nu de bed-bad-broodregeling verdwijnt, wordt het alsmaar erger. Het stapelt zich op.’

Desalniettemin heeft Michelle van Tongerloo er vandaag zin in, zegt ze, zonder een spoortje sarcasme of verkapte vermoeidheid. De tijd dat ze mokkend en snikkend in haar bed stapte omdat het – fucking hell! – niet lukte om die alsmaar grote groep mensen te kunnen helpen, ligt ver achter haar.

Dominee Dick Couvée van de Pauluskerk gaf haar ooit ‘een flinke schop onder de kont’: je moet het zelf uitzoeken, er zijn geen protocollen zoals bij een normale huisartspraktijk, verzin het maar. Maar, sputterde ze dan tegen, hoe weet je dat iemand niet liegt als hij of zijn geen paspoort heeft? Hoe kun je zo iemand nou helpen?

Antwoord van de dominee: God heeft iedereen een eigen identiteit gegeven, dus wat zit je te zeuren over een paspoort.

Religieus perspectief

‘Ook al ben ik niet religieus, ik ben het vanuit een religieus perspectief gaan bekijken’, zegt ze. ‘De normen en waarden van het christelijke geloof, barmhartigheid en naastenliefde. Dat je als mens nietig bent, dat er iets groters is waar je onderdeel van bent. Ik was in het begin erg gericht op de wond, om daar wat aan te doen als arts. Nu weet ik dat het om de hele mens gaat.’

Verpleegkundige Kisha Bennett zit al even opgewekt tegenover haar. Op gezette tijden houdt ze wel een doekje bij haar neus, besprenkeld met Alcolado Glacial, een mentholachtige lotion die de geuren van het bezoek verdrijft. Een Caraïbische gewoonte, zegt Bennett, geboren op Sint Eustatius.

De verpleegkundige voorspelt dat het spreekuur overvol zal zijn, al heeft de vrouw met de verzakte baarmoeder afgezegd. Ron, een voor Van Tongerloo vertrouwde drugsgebruiker, hangt ook boven de markt. Het verhaal gaat dat hij met een overdosis heroïne in het ziekenhuis opgenomen is geweest, en weer rondscharrelt in de stad.

En dan is er de categorie patiënten die willen dat Van Tongerloo ‘iets met formulieren’ doet, wat er doorgaans op neerkomt dat ze een koortsig gevecht met ‘het complexe systeem’ moet aangaan, de gemeentelijke instanties in Rotterdam of het lokale ziekenhuiswezen. ‘Kafka 4.0’ noemt ze dat, maar tegenwoordig wordt ze daar niet meer warm of koud van. Als het niet op de formele manier gaat, lost ze het gewoon zelf op, de doe-het-zelfzorg – maar daarover later meer.

‘Heb je pijn?’

De man van de wond blijft roffelen op de deur, en wisselt dat af met ijsberen in de wachtruimte, een vuilniszak met lege flessen en blikjes bij de hand.

Eerst zijn er twee Algerijnse ongedocumenteerden aan de beurt voor het spreekuur van Van Tongerloo, van wie er eentje een beetje Nederlands spreekt namens de iele verschijning met het eivormige hoofd, de man met de kwaal. Onbekend is waar ze slapen, zonder verblijfsvergunning.

Man: ‘Hij moet veel overgeven. Hij doet geen alcohol. Geen drugs.’

Michelle: ‘Laat me eens even kijken. Zijn ogen zijn geel. Hij moet even plassen, dan kunnen we zijn urine checken. Heb je pijn?’

De Algerijn kijkt naar zijn amateurtolk en wrijft over zijn buik. Hij knikt.

Achter een paars gordijn trekt hij zijn trui uit, nadat hij in de wc een bekertje heeft gevuld.

Michelle: ‘Hij is erg vermagerd, in vergelijking met de vorige keer, en dat is niet goed.’

Man: ‘Wij hebben een hard leven. Ik ook een hard leven. Maar het komt goed. Als het niet goed komt, is het ook goed. Dan is het zo. Allah weet alles.’

Michelle: ‘Er moet een echo van zijn buik worden genomen. Je moet een afspraak maken in het ziekenhuis. En er moet ook bloed worden geprikt.’

Er wordt geklopt, de Algerijnen zijn weg, en Van Tongerloo doet de deur open. De wond vindt dat hij aan de beurt is. Wachten, zegt ze, eerst Louis, een man uit West-Afrika, hij kijkt bedrukt. Hij heeft alweer pijn in zijn borst, het is niet de eerste keer dat hij voor Van Tongerloo verschijnt. Hij denkt dat hij hartkloppingen heeft, dat zijn hart het begeeft, dat hij op een dag zomaar zal omvallen. ‘Ik ga slecht’, zegt hij, en zijn droevige, melancholische blik lijkt de hele kamer te vullen.

Michelle: ‘Hoe is het met je bloeddruk?’

Man: ‘Die is te hoog. Ik heb stress ook, over hart.’

Van Tongerloo belt met het ziekenhuis, er wordt een nieuwe afspraak gemaakt met de internist, zijn hart moet worden gecheckt, en hij moet een fietstest doen. ‘Deze man is totaal vastgelopen’, zegt ze, als de man de kamer heeft verlaten. ‘Hij woont hier al dertig jaar, zonder verblijfsvergunning. Zijn vrouw heeft wel de goeie papieren en zijn dochter is afgestudeerd als advocaat. Niemand gelooft hem, en geen land wil hem hebben.’

De man die de wond heeft, stormt naar binnen. Hij is zeiknat, heeft een verwilderde blik in de ogen en roept wat ongedefinieerde kreten, terwijl hij naar zijn arm wijst, nu nog verpakt in een dikke jas.

‘Dog! Dog! Dog!’, gaat de man op luide toon verder. Hij zegt Russisch, Turks en Oekraïens te spreken, en er wordt een tolk bij gehaald die in de Pauluskerk voor Vluchtelingenwerk actief is, Christiana, een Russische met een bril op en een deftige zijden sjaal rond haar hals gedrapeerd.

Ahhhh ahhhhh ahhhhh, schreeuwt de man, als Van Tongerloo zijn wond bekijkt, achter het gordijn. ‘Het ziet er niet goed uit’, zegt ze, ‘het is dik en rood. Waar slaapt hij?’

De Russische tolk krijgt van de man te horen dat hij op straat slaapt, en een half jaar in Nederland is. Er wordt vermoed dat hij doet alsof hij uit Oekraïne komt, omdat hulp dan vanzelfsprekender is. Een paspoort ontbreekt, hij is nergens geregistreerd.

De vuilniszak met lege flesjes en blikjes heeft inmiddels een flinke plas achtergelaten op het oranje zeil van de spreekruimte.

Michelle: ‘Hij heeft hulp nodig, we gaan hem opnieuw verbinden. Je moet tegen hem zeggen dat hij moet terugkomen. Heeft hij een telefoon? Weet hij dat de klok is verzet?’

Tolk: ‘Nee, hij weet niks.’

Michelle: ‘Dan hebben we een onverkoopbare Nokia voor hem. Hij kan die vieze jas uittrekken. Die is ook zeiknat. En die kapotte kleren. In de kerk beneden kan hij andere kleren krijgen.’

Tolk: ‘Hij zegt dat hij een mitella wil.’

Michelle: ‘Die hebben we niet.’

Kisha komt met een dweil en emmer binnen, om de vloer te ontdoen van de vloeibare inhoud van mans vuilniszak. Zijn natte, kapotte jas blijft achter aan de kapstok.

‘Het beste medicijn tegen cynisme’, zegt Van Tongerloo, ‘is om met je poten in de klei te blijven. Mensen helpen. Ze uit de drek trekken. Je kunt zoveel betekenen, het zijn zulke bijzondere mensen. Mij zul je nooit in de politiek zien, of in een bestuursfunctie. Ik wil vooral dit blijven doen.’

Amper toeval

Het is even rustig, Kisha gaat naar buiten om broodjes Surinaamse kip te halen.

Dat ze dit werk doet, kan Michelle van Tongerloo amper toeval noemen. Ze is opgegroeid in een Nijmeegse achterstandswijk, alleen bij haar bijstandsmoeder. Haar vader was een vermogend man, een medisch specialist, en woonde in een villawijk. Haar ouders zijn nooit bij elkaar geweest. ‘Dat heeft mijn keuzes in het leven bepaald’, zegt ze. ‘Mijn jeugd was niet makkelijk, en natuurlijk heeft dat veel met me gedaan. Dat bepaalt hoe ik nu met mijn patiënten omga.’

Ze heeft een halfzus die bij haar vader is opgegroeid. ‘In die buurt kreeg je bijles als je het niet redde met school, of als je schooladvies te laag was. Dan werd je erdoorheen gesleept’, zegt ze. ‘In mijn buurt was dat geen optie. Die kloof zag ik wel. Ik zag wat de achtergrond deed met je kansen. Heel veel kinderen hadden een taalachterstand, de focus lag anders. Ik voelde me veel meer op mijn gemak in mijn moeders buurt dan in de wijk van mijn vader, met al zijn geld en aanzien. Dat voelde voor mij als nep. Niet dat het nep was, maar het leven had een vernislaagje.’

Bij vriendinnen in haar omgeving zag ze dat het leven niet makkelijk was: veel eenoudergezinnen, geen geld. Maar de problemen in Nijmegen waren natuurlijk niets vergeleken met de armoede in Rotterdam, haast ze zich erbij te zeggen. ‘Ik herinner me dat we boodschappen moesten doen met een vriendje en naar de Albert Heijn gingen. Zijn moeder was woedend omdat we niet naar de Aldi waren gegaan. Ik had thuis die armoedestress niet, ik zag het wel. En in die rijke wijk van mijn vader was er weer de druk om te presteren.’

Het is nooit goed, concludeert ze. ‘Je moet je als kind ergens toe verhouden. Mijn ouders zaten vaak niet op één lijn en ik had vaker het gevoel dat ik het nooit goed kon doen. Ik ben daardoor sterker geworden. Het had een andere kant op kunnen gaan, zo is het wel. Daarom voel ik veel verwantschap met de mensen die hier komen, en hun worstelingen. Ik snap natuurlijk ook veel niet, laat dat duidelijk zijn. Ik heb niet zulke diepe dalen meegemaakt, ben niet verslaafd of verslavingsgevoelig.’

Er was veel frictie tussen haar ouders, en daar wil ze het bij laten. ‘De worsteling die ik in me draag, zal nooit weggegaan. Zo’n privéleven blijft een soort handicap die je hele leven met je meedraagt. Maar het heeft me wel tot een betere arts gemaakt. Ik kan goed contact maken met mensen met een moeilijke achtergrond. Ik kan breed kijken. Ik kijk naar de klacht achter het symptoom. Als je als arts een beetje normaal met mensen kunt praten, en breed kunt kijken, dan ben je goed bezig.’

Gewoon stoppen

‘U was mijn eerste dokter in Nederland’, zegt de hoestende dakloze, dertig jaar geleden vertrokken uit Macedonië, en presenteert haar zijn meest meelijwekkende oogopslag. ‘En ik heb er heel veel gehad, maar u was de beste. Ik heb weer last van mijn longen. COPD, heb ik toch?’

Michelle: ‘Ja je hebt slechte longfunctie, maar je weet wat je moet doen, toch?’

Man: ‘Stoppen met roken. Maar ik weet niet hoe ik dat moet doen.’

Michelle: ‘Gewoon stoppen. Wilskracht. Jij moet het doen.’

Man: ‘Maar ik lig nu in een scheiding. Ik ben oud. Ik eet niet. En de nachtopvang gaat stoppen. Op straat ga ik het niet overleven. Daarom: een sigaret. Het is beetje moeilijk.’

Michelle: ‘Wil je anders nicotinepilletjes, pleisters?’

Man: ‘Ik heb even geen sigaretten gerookt. Ik heb toen sigaren gerookt. Vijftien op een dag. Was niet goed.’

Michelle: ‘Dat is veel erger. Je moet gewoon stoppen!’

Man: ‘Bedankt dokter, ik ga het proberen. U bent een goeie dokter.’

De geharde, grofgebekte immigrant

Amro komt binnen, hij is net bij de sportschool geweest. Hij komt de beloofde financiële bijdrage halen, en kijkt verveeld om zich heen. Van Tongerloo zegt een baan voor hem te hebben, als vrijwilliger.

Amro: ‘Ik wil een echte baan, niet vrijwilliger.’

Michelle: ‘Ja, maar dan ben je tenminste bezig. Dat is toch ook belangrijk.’

Amro: ‘Wil als iedereen zijn, gewoon geld verdienen.’

Op een dag besloot Van Tongerloo harder te gaan werken voor patiënten die niet aardig zijn. Het viel haar op dat talloze ongedocumenteerden met succes een fijnbesnaard toneelspel opvoerden om hulp te krijgen. De geharde, grofgebekte immigranten konden het wel schudden, en ontaardden in agressief gedrag, bedelen, overvallen.

Na een aanvaring met Amro gooide ze het roer om. Als iedereen je al niet moet, waarom moest zij het hem dan ook nog moeilijk maken? Amro’s moeder was een Roma, en het eerste wat hij zag als nieuwe aardbewoner, was de vloer van een woonwagen. Bij een bevolkingsregister is hij nooit aangegeven, hij bestaat niet. Hij werd in zijn jeugd mishandeld en vluchtte de straat op.

In haar boek beschrijft Van Tongerloo zijn leven, over hoe hij al vier decennia op straat onder een stapel dekens slaapt, in elkaar werd geslagen, in zijn buik gestoken, maar zich nooit verloor, of ten onder ging in drugs of alcohol. Hij probeerde vooral niet op te vallen. Maar één keer door rood lopen, of zwart rijden in het openbaar vervoer, en hij werd opgepakt. Opgeteld heeft hij tien jaar in de cel gezeten. Van Tongerloo: ‘Hij zat niet vast omdat hij strafbare feiten pleegde, hij zat vast omdat hij niemand is.’

Om de verhouding tussen arts en patiënt ondersteboven te gooien, besloot ze met hem uit eten te gaan, jawel, dineren in een goed restaurant. Ja, hoe doe je dat, de sociale interactie met iemand die gewend is iets snel naar binnen te schrokken, uit vrees voor een knal voor zijn kanis?

Je probeert het je voor te stellen, dat de houtgerijpte chardonnay wordt ingeschonken bij de op de huid gebakken zeebaars, en je het gesprek luchtig houdt, en de ongewassen dakloze zonder veel woorden een bord kip naar binnen werkt. En ja, zo ging het ook.

Inmiddels heeft Amro een dak boven zijn hoofd, na haar oproep op LinkedIn. Nu nog een verblijfsvergunning, er is een nieuwe procedure gestart.

Amro: ‘Ik ben bij IND geweest. Nu moet ik wachten. Maar ik wacht al veertig jaar.’

Het geld dat Amro elke maand krijgt, komt van de stichting Lekker Geven die sinds 2023 bestaat. Toen ze op LinkedIn en bij De Correspondent over haar belevenissen in het zorgdoolhof begon te publiceren, werd er geld aangeboden, stonden er mensen met envelopjes voor de deur, belden er mensen op die geld wilden geven. Hé, dacht Van Tongerloo, we kunnen het gewoon zelf regelen, met donaties. Inmiddels is er 1 miljoen euro opgehaald.

Gezin in de knoop

Het begon allemaal met de tienermoeder Elys, en haar zoon Cyaran met gedragsproblemen, een gezin in de knoop, omsingeld door hulpverleners. Iedereen dacht te helpen, maar het werd alleen maar erger. ‘En toen dacht ik: nu ga ik het zelf regelen, zelf het risico nemen. Wat heeft ze nou echt nodig? Ik pel het probleem af, en toen kwamen we uit bij een oppas. Die moest gezocht worden en betaald. Zo simpel was het. Maar best wel eng.’

Normaal ben je gewend om je als arts te verschuilen achter protocollen, zegt ze, gooi je het probleem over de heg. ‘Maar nu lukte het door het zelf te doen. Ik ben hiermee doorgegaan. Geen opvang want niet de goeie papieren? Dan regelen we een hotelkamer. Ja, het kan misgaan, er zijn weleens hotelkamers kort en klein geslagen. Maar dan ga je naar het hotel, neem je een fles whisky mee, en probeer je het goed te maken.’

De volgende stap is ‘het meest sociale hotel ooit’ dat, als alles goed gaat, volgend jaar wordt geopend in hartje Rotterdam, samen met ondernemer Bob Richters: Hotspot Hutspot Hotel. 25 hotelkamers en 15 ‘sociale kamers’, toeristen betalen voor de gasten die er uit nood verblijven. Via een crowdfundactie en fondsen hebben ze geld binnengehaald.

Je kunt veel zelf doen als burger, zegt ze, en ze ziet het steeds meer om zich heen. Waarom wachten tot ‘de systeemwereld’ het oplost? Aan de slag. ‘Je moet gewoon niet blijven hangen in je eigen gelijk’, zegt ze. ‘Het begint met je privénummer te geven aan iemand die je wilt helpen, en daarna een kopje thee samen op de bank drinken. Kijk naar Elys. Echt lachen. Het gaat beter dan ooit. Ze heeft een huis, doet twee opleidingen en is van plan een kliniek te beginnen voor botox en fillers. Haar kind staat op de nominatie om naar een normale school te gaan. Mooi hè?’

Soms in de keuken, soms als kindermeisjes

Er komen twee deftig aangeklede Chinese vrouwen binnen, giechelend. Je kunt ze ongedocumenteerd noemen, ze maken deel uit van de Chinese gemeenschap in Rotterdam die hier zonder verblijfsvergunning werkt, soms in de keuken, soms als kindermeisjes.

De vrouw die mevrouw Hong heet, zegt hier te zijn om de andere vrouw te helpen. Die vrouw is vooral blij, want ze heeft geen pijn meer: al haar boventanden zijn getrokken. Ze lacht haar tandvlees bloot.

Van Tongerloo: ‘Nu moet u een kunstgebit. De kerk betaalt 100 euro. U moet zelf 200 euro betalen. Als we alle kunstgebitten vergoeden, wordt de kerk arm.’

Mevrouw Hong: ‘Nederlandse taal heel moeilijk voor mij.’

Van Tongerloo: ‘Ik vind het spreken van Mandarijn-Chinees ook zeer complex.’

Mevrouw Hong belt haar zoon, en die neemt het gesprek verder over. Er wordt een afspraak gemaakt voor de tandarts, voor over een paar weken.

Michelle: ‘Dus tot die tijd moet u soep eten.’

‘Wij blij’, zegt mevrouw Hong bij het afscheid nemen, en de vrouw met de ontbrekende boventanden wijst triomfantelijk naar de lege plekken in haar mond.

Praten met gemêleerd gezelschap

We gaan even een rondje maken, zegt Van Tongerloo, beetje schuifelen door de gang, praten met het gemêleerde gezelschap in de Pauluskerk. Het is er druk, de gezamenlijke maaltijd is aanstaande, de geur van rodekool is dominant. Velen hebben hun jas aangehouden, en staren naar hun smartphone.

Met een vrijwilliger van de kerk komt het gesprek op Ron (44), een heroïneverslaafde. Er staat veel te gebeuren met Ron, je zou kunnen zeggen dat Ron het zorgmedisch meesterstuk van Michelle van Tongerloo moet worden: een ogenschijnlijk onmogelijke opgave met een Nederlandse patiënt bij wie al jaren alles mislukt. Ron weet inmiddels: wat hij ook doet, wie hij ook is, hij kan bij haar terecht. Nooit weggaan, heeft ze zich voorgenomen.

De laatste tijd zag ze dat hij zijn leven als verslaafde echt zat was, en regelde een intakegesprek met een vertegenwoordiger van een Zuid-Afrikaanse afkickkliniek. Nu staat hij op het punt uit te vliegen naar Kaapstad, betaald door haar stichting.

‘Ron heeft niemand in het leven, nooit gehad, geen ouders of familie. Hij kan moeilijk geloven dat iemand in hem wil investeren. Hij is big time para, en vol in gebruik. We hebben een huisje voor hem gehuurd, ver buiten Rotterdam, en hem op een methadonprogramma gezet. Daarvandaan gaat hij eerdaags verdoofd de taxi in en zorgt een gespecialiseerde begeleider op Schiphol dat hij in het vliegtuig komt.’

‘Weet je hoe heftig het is, als je in een actieve heroïneverslaving zit? Dat je uren in een vliegtuig niet kan gebruiken. Hondsberoerd, en niemand die om je geeft. Dat hij aankomt in Kaapstad, en dat er iemand het bordje met ‘Ron’ omhooghoudt. Hoe moet hij dat geloven na zo’n leven? Het is spannend, met Ron. Maar dat is het me allemaal waard. Daar in die kliniek, met een zwembad, en een chef-kok, kan de genezing beginnen.’

Als we teruggaan naar haar kamer, is er onrust op de gang. ‘Ron is er!’, klinkt er. In Van Tongerloos behandelruimte dacht hij ongemerkt, maar wel met de deur open, een naald in zijn arm te zetten. Hij kijkt iedereen verschrikt aan, stopt de voorbereidingen voor een shot, brabbelt wat excuses en is weg.

Van Tongerloo staat bij de deur, ze steekt haar handen in de lucht, met een blik van: ja, wat kunnen we hier aan doen. Ze neemt Ron mee naar buiten, mee de Pauluskerk uit, waar hij de drugs tot zich neemt.

Dan zit de dag erop. Van Tongerloo pakt haar klassieke dokterstas, haar regenjas en een beschermende gelhoes voor haar fietszadel. Daarop treft ze nog wat gemorste heroïne van Ron, een bekend relikwie voor een straatarts. Ze veegt het weg met een doekje, laat het achter in de prullenbak en fietst naar huis.

Komt een land bij de dokter – Nederland door de ogen van een straatarts van Michelle van Tongerloo komt 10 december uit bij De Correspondent Uitgevers.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next