Home

In Nederland haalt de overheid meer geld uit boeken dan ze erin stopt

Waar gaat het geld naartoe dat lezers voor een boek betalen? In deel 2 van deze onregelmatig verschijnende serie staat de rol van de overheid centraal. ‘Er hoeft niet meer subsidie naar schrijvers; er moet meer worden gedaan aan de leescultuur.’

‘Als je niet goed kunt lezen, kun je niet zelfstandig door het leven’, sprak schrijver Ted van Lieshout op 4 november tegen een verslaggever van de NOS. ‘Dan heb je altijd iemand anders nodig die je helpt bij het zoeken naar de waarheid. Eigenlijk moet de btw naar 0. Het is hetzelfde als ademhalen: daar hef je ook geen belasting over.’

Van Lieshout protesteerde op die grauwe maandagochtend samen met anderen in Den Haag tegen het voornemen van het kabinet-Schoof om op sport, media en cultuur met ingang van 2026 niet langer het lage btw-tarief van 9 procent te heffen, maar het standaardtarief van 21 procent. Het was niet het eerste protest tegen het kabinetsvoornemen; met name vanuit de goed georganiseerde boekensector werd vanaf het moment dat het kabinet zijn hoofdlijnenakkoord bekendmaakte stevig actie gevoerd. Half november bezweek minister Heinen van Financiën onder de druk van de oppositiepartijen, die het hele belastingplan waarvan de btw-verhoging deel uitmaakt dreigden te saboteren, en beloofde hij op zoek te gaan naar een alternatief.

Waar gaat het geld naartoe dat lezers voor een boek betalen, met andere woorden: hoe komt de prijs van een boek tot stand? Daarover spreekt de boekenredactie deze maanden met schrijvers, boekhandelaren, uitgevers en andere betrokkenen uit het boekenvak. Eerder gaf schrijver Jean-Marc van Tol inzage in de boekhouding van zijn vorig jaar verschenen roman Buat, nu staat de rol van de overheid centraal. Hoeveel geld stopt de overheid in literatuur; en hoeveel vloeit er vanuit boeken richting staatskas?

Eenrichtingsverkeer

In het geval van Buat, zonder overheidssubsidie tot stand gekomen, lijkt op het eerste gezicht sprake van volstrekt eenrichtingsverkeer – van schrijver naar staat, welteverstaan. Van de 24,99 euro die de paperback in de winkel kost, gaat 2,06 euro in de vorm van btw naar de overheid en 2,35 naar de schrijver (bruto, daar moet nog inkomstenbelasting vanaf). Bij een btw-tarief van 21 procent zou de de overheid 4,34 euro krijgen, bijna twee keer zoveel als de auteur nu krijgt. Het is overigens vrijwel zeker dat uitgevers een hoger btw-tarief zullen doorberekenen in de prijzen van hun boeken, die dan duurder worden.

De btw is dus een belangrijk instrument waarmee de overheid de prijs van het boek kan sturen. In 1969, toen de ‘belasting over de toegevoegde waarde’ werd geïntroduceerd, bedroeg het lage tarief 4 procent. In 1984 werd dat 5 procent, in 1987 6 en sinds 2019 is het 9. Het lage tarief geldt voor producten waarvan de overheid de consumptie wil aanmoedigen of de prijzen laag wil houden, zoals voedsel, kinderkleding, kunst, en tot dusver dus boeken.

De overheid verdient niet alleen aan de boekenverkoop, ze levert ook een bijdrage. Sinds de jaren zestig subsidieert de overheid het schrijversvak. Tot dan werden schrijvers wier werk matig werd verkocht overeind gehouden door particulieren, of deden ze er al dan niet knarsetandend iets betaalds naast. De enige staatssteun bestond uit de P.C. Hooftprijs, ingesteld in 1947. Amoene van Haersolte kreeg 1.000 gulden voor haar verhalenbundel Sophia in de Koestraat.

Schriel literatuurbeleid

In december 1962 protesteerden 65 Nederlandse schrijvers via een brief aan het Nederlandse volk tegen het ‘schriele literatuurbeleid’ van de overheid. ‘Mede door het beperkte taalgebied is de Nederlandse schrijver niet in staat van zijn pen te leven’, schreven ze. ‘Hij is gedwongen allerlei werkzaamheden te verrichten die met zijn vak niet of zijdelings te maken hebben. Zijn creatieve arbeid lijdt hieronder en wordt hem dikwijls onmogelijk gemaakt.’

Onder de protesteerders zaten succesvolle auteurs als Annie M.G. Schmidt, Marga Minco, Simon Vestdijk en Godfried Bomans, hoewel die laatste een jaar later verklaarde dat hij eigenlijk tegen schrijverssubsidie was: ‘Een schrijver die met een hoog bedrag en een vulpen aan een bureau wordt geplaatst, zal beslist niet meer produceren dan indien hij in moeilijke omstandigheden verkeert. Als hij de drang heeft tot schrijven, zal hij het toch wel doen’. Bovendien: ‘Een goed schrijver is de schrijver wiens trilling in het volk zijn frequentie vindt. Men zál hem lezen en vanzelf zal het talent betaald worden’.

Evengoed resulteerde het schrijversprotest in 1965 in de oprichting van het Fonds voor de Letteren, waarin het Rijk in dat jaar een bedrag van 340 duizend gulden stortte. In 2010 ging de stichting samen met het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds (opgericht in 1990) op in het Nederlands Letterenfonds, de kleinste van de zes rijkscultuurfondsen die Nederland rijk is.

Tot 2028 is via het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 23,79 miljoen euro per jaar gereserveerd voor letteren. Daarvan gaat een deel onder meer naar instellingen die aan leesbevordering of leespromotie doen (Stichting Lezen, Schrijverscentrale, Schoolschrijver), naar het Utrechtse literatuurfestival ILFU, naar het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten en naar het Literatuurmuseum. Financiering van bibliotheken valt hier niet onder.

Het grootste deel, ruim 17 miljoen euro per jaar, gaat naar het Nederlands Letterenfonds. Dat verdeelt die subsidie vervolgens weer onder schrijvers, vertalers en illustratoren, deels rechtstreeks – in de vorm van projectsubsidies – en deels via het financieren van werkplekken en literaire prijzen. Verder geeft ook het Nederlands Letterenfonds geld aan organisaties die zich inzetten voor literatuureducatie en leesbevordering, financiert het literaire festivals als Wintertuin, Poetry International en Crossing Border en promoot het de Nederlandse literatuur op internationale beurzen, zoals afgelopen voorjaar de Leipziger Buchmesse, en komend voorjaar de Boekenbeurs in Turijn, waar Nederland gastland is.

Vaste boekenprijs

Het derde instrument waarmee de overheid het literaire klimaat in Nederland beïnvloedt, is de wet op de vaste boekenprijs. Voor alle algemene boeken in de Nederlandse en Friese taal (dus met uitzondering van schoolboeken) geldt een wettelijk verankerde prijs. De wet op de vaste boekenprijs, van kracht sinds 1 januari 2005, is de opvolger van het Reglement Handelsverkeer van de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak, de KVB (opgericht in 1815), dat begin vorige eeuw werd ingesteld.

De prijs van het papieren boek (ebooks en audioboeken vallen er niet onder) wordt sindsdien bepaald door de uitgever. Alle verkopers moeten zich aan die prijs houden. Na een jaar mag de uitgever de prijs aanpassen, waarna verkopers zich aan de nieuwe prijs moeten houden. Pas als de uitgever de prijs ‘opheft’ mogen boekverkopers zelf bepalen wat ze voor een boek vragen.

De wet op de vaste boekenprijs wordt elke vier jaar geëvalueerd. In 2024 zou het weer zover zijn, maar de evaluatie lijkt nu in 2025 plaats te vinden, zegt Martijn David, algemeen secretaris van de Groep Algemene Uitgevers en een van de twee bestuurders van de KVB, de bewaker van de vaste boekenprijs. David is niet bang dat het huidige kabinet die gelegenheid aangrijpt om de vaste boekenprijs de nek om te draaien. ‘Ik ken helemaal niemand die tegen de vaste boekenprijs is. Oké: één keer heb ik een discussie gehad met een liberale econoom die me vertelde dat hij er principieel wel op tegen móést zijn, omdat hij nu eenmaal tegen marktinmenging was; maar ook hij vond dat de vaste boekenprijs toch maar moest blijven.’

Goed voor iedereen

Van de instrumenten waarmee de overheid het literaire klimaat in Nederland stuurt, is de wet op de vaste boekenprijs misschien wel het belangrijkste, zegt David. ‘De wet op de vaste boekenprijs is een cultuurwet die zorgt voor een brede beschikbaarheid van boeken, zowel in aantal verkooppunten als in aanbod. Hij is goed voor de boekhandel, hij is goed voor de uitgevers én hij is goed voor de auteurs.’

Voor de boekhandel, licht hij toe, is de wet goed omdat je zonder vaste boekenprijs situaties krijgt waarbij de supermarkt bestsellers voor een tientje naast het wc-papier legt, waarna boekhandels bij gebrek aan klandizie massaal failliet gaan.

Voor de uitgevers is de prijs goed omdat zij dankzij hun goedbetaalde bestsellers ook minder goed in de markt liggende boeken kunnen maken. ‘Dat systeem wordt wel het interne subsidiëringsmodel van de uitgeverij genoemd: goed verkopende titels compenseren de slecht verkopende. En verreweg de meeste boeken vallen in die laatste categorie. Van de ongeveer 18 duizend titels die elk jaar in Nederland uitkomen, maakt het grootste deel geen winst maar verlies. Van 80 procent van de titels zijn na een jaar minder dan honderd exemplaren verkocht, en voor 50 procent van de titels is dat na tien jaar nog steeds zo. Een uitgeverij draait op die paar boeken die wél goed lopen.’

Voor de lezer is het model – ondanks de mogelijk hogere prijzen – goed, zegt David, omdat die een ruime keuze uit boeken heeft. En ook voor de schrijver is het goed: ‘Die is natuurlijk beter af met een percentage over het normale bedrag dan met een percentage over een stuntprijs.’

Klein taalgebied

Ook Frankrijk, Duitsland en België hebben een vaste boekenprijs. In Vlaanderen werd in 2017 de Gereglementeerde Boekenprijs op verzoek van de boekensector ingevoerd. In Denemarken werd hij begin 21ste eeuw juist afgeschaft, en in het Verenigd Koninkrijk al in de jaren negentig. David: ‘Daar zaten ze met het dilemma dat zij een fixed price-systeem hanteerden terwijl aan de overkant van de plas boeken in dezelfde taal werden uitgegeven voor veel lagere prijzen. Maar de Britten hebben enorme exportmogelijkheden, dat hebben we in Nederland niet. Er gaan een paar boeken naar België en dan houdt het wel op. Ons kleine taalgebied houdt de boekenmarkt klein.’

In de Van Baerlestraat in Amsterdam wappert schrijver Maarten Asscher met zijn hand richting boekhandel Het Martyrium. Vanuit economisch perspectief bezien, zegt hij, bestaat 98 procent van wat daar aan boeken ligt uit prototypes. Uitprobeersels. ‘Het zijn nog geen producten, want hooguit de drukker en de binder houden er wat aan over. In Nederland is het zo dat als er niet minstens vijf- of nog liever tienduizend exemplaren van een boek worden verkocht, niemand er wat aan verdient.’

Maarten Asscher, inmiddels met pensioen, was gedurende zijn lange carrière in zo ongeveer alle denkbare hoeken in het boekenvak werkzaam: als uitgever, als boekhandelaar, als vertaler, als recensent en als ambtenaar – Asscher was onder meer directeur Kunsten bij het ministerie van OCW.

Peanuts

Op de vraag welke functie in financieel opzicht het lucratiefst is, is volgens hem geen eenduidig antwoord mogelijk: ‘Een ondernemer die vijf boekhandels bezit, kan daar best wat mee verdienen, en als je een mooie positie bekleedt binnen een concern, heb je een volwaardig salaris – al is het peanuts vergeleken met de verzekerings- of bankenwereld. Wie rijk wil worden, moet niet in de boekensector gaan werken. Maar in de boekensector ben je financieel het best af wanneer je een dienstverband hebt, tenzij je je als ondernemer op populairdere genres dan de literatuur richt.

‘Eigenlijk is dat een zorgelijke constatering: dat het minste geld gaat naar de plekken waar de oorspronkelijke waarde wordt gecreëerd. De auteurs, de vertalers, de vormgevers, de ontwerpers, de mensen die zorgen dat boeken inhoudelijk iets voorstellen, zitten in het financiële verdomhoekje; de mensen die met de dozen schuiven, kunnen er wél een behoorlijk inkomen aan overhouden.’

Hoofdoorzaak voor deze scheve situatie is ook volgens Asscher de miezerige omvang van ons taalgebied. ‘Het exploitatiemodel van de literaire uitgeverij is in de 19de eeuw ontstaan in de Angelsaksische wereld. Op een marktschaal die veel groter is dan die van ons. Als je in Engeland of Amerika als uitgever of schrijver een beetje succes hebt, kan het hard gaan, en met een goed succes kun je zelfs een aantal jaren vooruit. In Nederland is het vliegwiel gewoon te klein.’

Nieuw verdienmodel

Is het dan niet hoog tijd voor een nieuw verdienmodel? Zou er bijvoorbeeld subsidie naar boekhandels moeten, zoals Frankrijk doet? ‘Dat is een optie die best onderzocht zou kunnen worden, maar daar horen strikte voorwaarden bij – en boekhandels zijn óók gewoon commerciële bedrijven. We willen met zijn allen natuurlijk vooral onze vrijheid behouden. Het is een groot goed dat schrijvers kunnen schrijven wat ze willen, dat uitgevers kunnen uitgeven wat ze willen en dat de overheid niet gaat bepalen wie wel of geen schrijver mag zijn.’

De Nederlandse overheid haalt meer uit de boekensector dan ze erin stopt, zegt Asscher. ‘Met de btw, met inkomstenbelasting, met vennootschapsbelasting. Reken maar uit, er worden hier per jaar 43 miljoen boeken verkocht; alleen al de btw over die omzet, ook met het lage tarief, levert de overheid meer op dan wat er aan subsidies uit gaat.’

Toch moet er niet méér belastinggeld richting schrijvers, vindt hij. ‘Wat de overheid vooral moet doen, is zorgen dat er nieuwe generaties gretige lezers worden opgevoed die niet alleen maatschappelijk, maar ook cultureel goed mee kunnen. Een gezonde boekencultuur draait niet alleen om het produceren van nieuwe titels. Het gaat ook om opvoeding, een gecultiveerde samenleving, excellent leesonderwijs, permanente educatie.

‘In de jaren zestig en zeventig zorgde de democratisering van het onderwijs voor een enorme opkomst van een lezerspubliek, dat terecht kon bij een zeer succesvol en uitgebreid bibliotheeknetwerk of voor weinig geld pockets en paperbacks kon aanschaffen. Iedereen gaf elkaar boeken, op verjaardagen en in december. Nu is er een totaal ander klimaat, door de sociale media, maar ook door het verval van het onderwijs. Bibliotheken zijn inmiddels met dank aan slecht overheidsbeleid afgegleden tot een soort informatiestations. Het probleem zit hem in die hele cultuur.’

Leesbevordering

Ook Tiziano Perez, tot vorig jaar directeur bij het Nederlands Letterenfonds waar hij een kwart eeuw werkzaam was, denkt dat er voor de overheid met name op het gebied van leesbevordering werk aan de winkel is. Over de hoogte van het bedrag dat rechtstreeks naar de letteren gaat, is hij niet ontevreden. ‘Het budget van de fondsen die in 2010 in het Nederlands Letterenfonds zijn opgegaan, was toen ik begon bij elkaar opgeteld beduidend lager dan nu, ook als je het corrigeert voor inflatie. Het zal toen zo’n 6 miljoen euro zijn geweest; dat is sindsdien ruim verdrievoudigd.’

Perez kent geen landen waaraan Nederland een voorbeeld zou kunnen nemen wat betreft het verdienmodel van het boek. ‘Overal zie je dezelfde ontwikkelingen: ontlezing, lagere boekverkoop, minder vertalingen. Het grote probleem van nu, in alle landen die ik de afgelopen jaren heb leren kennen, is de disbalans tussen het aanbod aan en de afname van boeken. En dat ga je niet oplossen met gepruts aan verdelingen en percentages.’

Maar als er meer boeken uitkomen dan mensen kunnen lezen, waarom zou je schrijvers dan überhaupt subsidie moeten geven? Perez: ‘Het gaat maar om een beperkt aantal titels, hè. Als je constateert dat er te veel boeken zijn voor te weinig lezers, zijn die honderdvijftig tot tweehonderd gesubsidieerde romans per jaar niet de boeken die de doorslag geven. De subsidie van het Letterenfonds gaat naar boeken die van literair maatschappelijk belang worden geacht, maar waarvan niet kan worden verwacht dat ze commercieel gezien op zichzelf kunnen staan. Of waarvan de verwachting is dat schrijvers onvoldoende middelen uit royalty’s halen om een professioneel schrijverschap te kunnen vervullen.’

Roeping

Jawel, Slauerhoff voorzag in zijn inkomen als scheepsarts en Nescio verdiende zijn geld met handel, maar zo moet je niet denken, vindt Perez. ‘Het is heel legitiem om van jezelf te zeggen: ik ben een kunstenaar. Ik ben een schrijver. Dit is mijn roeping, dit is wat ik moet doen – en misschien ook wel het enige wat ik kán doen. Veel grote auteurs, te beginnen bij Mulisch en Haasse en Hermans, later Oek de Jong of A.F.Th. van der Heijden, hebben op enig moment in hun carrière een vorm van steun gehad van het fonds.’

Als ‘aanjager en financier van de literaire sector’ subsidieert het Nederlands Letterenfonds vooral fictieschrijvers, door het fonds aangeduid als ‘literaire makers’ (want hun werk hoeft niet altijd te resulteren in een boek). Dat doet het via projectsubsidies, ontwikkelbeurzen, stimuleringsbeurzen of subsidies voor ‘nieuwe literatuur buiten het boek’. Uitgevers hebben hun eerste mails waarin ze auteurs erop attenderen dat in januari ‘de loketten weer open gaan’ reeds verstuurd.

De hoogte van de beurzen kan oplopen tot 55 duizend euro. Of een beurs wordt toegekend, wordt beoordeeld door een commissie van onafhankelijke adviseurs. Wie boven een inkomensgrens van 45 duizend euro bruto zit (vanaf januari is dat 47.500 euro) krijgt sowieso geen subsidie, en die wordt ook niet gegeven als er twijfel bestaat over de kwaliteit van het te maken literaire werk. De meeste auteurs die het afgelopen decennium zijn gesteund door het Letterenfonds ontvingen in 2022 gemiddeld minder dan 200 euro aan royalty’s uit de verkoop van hun boeken.

Het aantal auteurs dat jaarlijks een aanvraag doet, wisselt. ‘Binnen de regeling projectsubsidies voor publicaties zijn er drie ronden per jaar en in de laatste ronde hadden we er een stuk of tachtig’, zegt Romkje de Bildt, de opvolger van Tiziano Perez. Mensen die in eigen beheer hun boeken uitgeven, komen niet voor subsidiëring in aanmerking. ‘Een op de vijf Nederlanders zegt een boek te willen schrijven, dat kunnen we onmogelijk allemaal bekijken. Er moet in elk geval een uitgever bij betrokken zijn die de redactie en promotie van een boek doet.’

Grote vrachttanker

Volgens De Bildt is de Nederlandse boekenmarkt een grote vrachttanker, die het Letterenfonds maar een heel klein beetje kan bijsturen. Maar die bijsturing is wel belangrijk. ‘In ons kleine taalgebied kun je de literatuur niet helemaal aan de markt overlaten. Je wilt niet dat de markt het kwaliteitsoordeel is; dat iets alleen goed is als het ook succesvol is.’

Jawel, de balans tussen vraag en aanbod van boeken is verstoord, beaamt ze. ‘Maar ik denk dat het niet zozeer de literaire boeken zijn die de markt overspoelen. Met het grootste deel van wat er verschijnt, hebben wij niets te maken. De verantwoordelijkheid voor die disbalans ligt met name bij de uitgevers.’

Op de lijst met auteurs die met geld van het Nederlands Letterenfonds aan hun boeken werken, staan gevestigde namen als Kees ’t Hart, Auke Kok, Robbert Welagen, Marit Törnqvist, Jaap Scholten, Thomas Heerma van Voss en Martin Michael Driessen. In de nieuwe beleidsperiode wil De Bildt tevens debutanten ondersteunen, in het besef dat die het ook mét subsidie zwaar gaan krijgen: ‘Over de financiële positie van literaire makers maak ik me al heel lang zorgen. We kunnen constateren dat we daar allang niet meer tegenop kunnen subsidiëren.’

Maar ook andere ontwikkelingen stemmen haar ongerust. ‘Dat uitgevers steeds meer autofictie binnen krijgen, staat niet op zichzelf. Dat kun je niet los zien van zoiets als de teruglopende belangstelling voor talen als Frans, Duits en Nederlands. Je kunt alleen goede dingen maken als je op de schouders gaat staan van wat er voor je was, en dat dus ook wéét. Schrijven is een vak dat van de hele samenleving een zekere belezenheid vergt.’

De kracht van lezen

Op 2 december is de bewustwordingscampagne Wie leest heeft een goed verhaal begonnen. Onderdeel van deze door het vorige kabinet en de Postcodeloterij gefinancierde campagne, die de kracht van lezen moet benadrukken, is een door reclamebureau Alfred gemaakte commercial die rond de feestdagen wordt uitgezonden en waarin twee pubers elkaar vinden via de liefde voor een boek. De campagne is een initiatief van de Leescoalitie, een samenwerkingsverband waarvan tien organisaties deel uitmaken, waaronder de CPNB, de Stichting Lezen, het Nederlands Letterenfonds, het Literatuurmuseum en de Stichting Lezen & Schrijven.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next