In ‘het oosten’ is Bökkers al dik tien jaar een fenomeen, maar in de Randstad doet de bandnaam nog altijd weinig bellen rinkelen. Frontman Hendrik Jan Bökkers, die nu met zijn podcast en op tv alsnog nationale bekendheid verwerft, kan het weinig schelen. ‘Onze zalen zitten toch wel vol.’
is columnist en verslaggever bij de Volkskrant. Voor Volkskrant Magazine schrijft hij geregeld interviews.
‘Als je geen dorst hebt, dan máák je maar dorst!’ Op het podium van een bomvolle feesttent in het Achterhoekse Toldijk heft Hendrik Jan Bökkers zijn flesje Nathals-bier op naar het publiek, en vele bekers proosten terug. Achter hem staat toetsenist Jeroen Sweers van oor tot oor te grijnzen.
Drummer Stef Hoekjen, gehuld in een ‘niet-ironisch pantershirt’, zet alvast een beat in. In de mondhoek van bassist Bart Petter bungelt een sigaret. Gitarist Jim Zwinselman, ogenschijnlijk net overgeheveld uit de vroege jaren zeventig, laat zijn instrument gieren.
Aan hun microfoonstands hangen bekerhouders waarin ze tijdens het spelen hun bierflesjes kunnen parkeren, voor de effectpedaaltjes aan hun voeten zijn plexiglazen schermpjes geplaatst om ze te beschermen tegen het rondvliegende bier.
Zoals dat hier nou eenmaal gaat. Høken in Toldiek is een gemoedelijk festival met een lange traditie. Het is een begrip in de muziekgeschiedenis van deze contreien. Het terrein hoort bij café Flophouse, dat is vernoemd naar een plaat van blueslegendes Cuby and the Blizzards.
Achter de grote bar staat een soort totempaal die is volgehangen met oude foto’s, setlijsten en andere parafernalia van de band Normaal, stamvaders van de boerenrock. In hun hoogtijdagen waren zij jarenlang de vaste hoofdact van het festival.
Het is verleidelijk om Bökkers (de band die de achternaam van hun frontman draagt) te zien als hun verre troonopvolgers. De groep zingt ook in dialect (Sallands, niet Achterhoeks) en speelt ook gitaarrock van de oude stempel, op Amerikaanse leest geschoeid.
Net als Normaal staat de band voor meer dan alleen muziek. Noem het plattelandstrots. Hendrik Jan Bökkers maakte ooit deel uit van Jovink & De Voederbietels, de band rond Bennie Jolinks zoon Gijs, tevens de oprichters van de Zwarte Cross. Na Jovink had hij een tijdje een Normaal-coverband, die gaandeweg uitgroeide tot Bökkers.
In de feesttent staan meerdere generaties broederlijk door elkaar, al vormen jongeren de hoofdmoot. Bökkers heeft de wedstrijd snel gewonnen, met loeistrakke rockers als Pompen of verzoepen en Annie uut de bochte.
Elk nummer wordt woordelijk meegebruld, bij de ballad Iederene hef een reden gaan de aanstekers de lucht in. En de boel ontploft definitief bij de langzaam versnellende shuffle die de rest van de avond alvast kernachtig samenvat: Feest’n drink’n rook’n tot laat.
Zestig tot honderd feesttenten en festivals per jaar, een theatertour in de winter: Bökkers is een fenomeen, al dik tien jaar. Het is een bedrijf waar vijftien mensen werken, met een bloeiende merchandiseafdeling.
In de Achterhoek en omstreken sieren de gezichten van de bandleden vele T-shirts en sweaters, maar in de Randstad doet de naam nog altijd niet veel bellen rinkelen. Niet in Hilversum, niet bij de landelijke pers. Ga op zoek naar interviews met Bökkers en wat je krijgt is een lange rij items van RTV Oost.
‘En dat is allemaal prima’, zegt Hendrik Jan Bökkers (47) een paar maanden later in zijn fraai gelegen boerderij in Ruurlo. ‘Dit moet niet klinken alsof ik een lange neus maak, want dat is een beetje lelijk, maar toch: wij hebben de aandacht van het westen niet echt nodig.
‘Als ze ons in Hilversum draaien, wat heus weleens gebeurt: super, hartstikke leuk. Maar als niet, tja... Ík vind het natuurlijk niet terecht, maar onze zalen zitten toch wel vol. Steeds voller zelfs.’
Jullie manager waarschuwde me dat ik jullie muziek vooral geen ‘boerenrock’ moet noemen.
‘Haha. Nee, dat vind ik stom. We bezingen wel het leven van hier, maar we hebben niet één nummer waar een hooivork of een trekker in voorkomt. Sowieso vind ik het raar om een genre aan een beroepsgroep op te hangen. Er bestaat toch ook geen chirurgenrock, slagersrock of fietsenmakersrock?
Toch staan dat soort mensen allemaal bij ons in de zaal. En ja, óók boeren. Ik weet wel dat het woord ‘boer’ vaak wordt gebruikt als een soort geuzennaam voor de mensen uit deze regio, maar ik heb niet zo’n behoefte om op die manier op de barricade te springen. Volgens mij is de tijd van het afzetten tegen het westen wel voorbij.’
Hoe dat zo?
‘Er heeft hier lang een calimerogevoel geheerst: jullie zijn groot en wij zijn klein. Daarom was het heel goed dat een band als Normaal wél zong over boerentrots. Je kunt zeggen dat zij de boer, of de oosterling, hebben geëmancipeerd met hun muziek. En dat is gewoon gelukt, het is niet meer nodig. Niemand hier heeft meer een minderwaardigheidsgevoel.
‘Ik denk dat er eerder een omgekeerde beweging gaande is, dat ze in het westen steeds nieuwsgieriger worden naar wat in het oosten gebeurt, en dat ook gaan waarderen. In de coronatijd zijn er heel veel mensen deze kant op gekomen. Er is een groeiend besef van: hier gebeurt het. Van de technische campus van Twente tot de Zwarte Cross, dat gewoon het grootste festival van Nederland is.
Je ziet dat besef ook in de muziek. Neem dat liedje De overkant, van Snelle en Suzan & Freek: als je dertig jaar geleden uit het oosten kwam, en je wilde het maken in Hilversum, dan hield je dat liever uit je bio. Zij doen precies het tegenovergestelde: vol trots zingen over hoe tof het is waar ze vandaan komen. Dat vind ik een heel mooie ontwikkeling.’
Voel je zelf ook die trots?
‘Jazeker, al vind ik het een lastig woord. Trots kan doorslaan in chauvinisme, en dat vind ik een gevaarlijke hoek, waar ik niet in wil duiken. Dan draag je alleen maar bij aan die kloof waar het de hele tijd over gaat. Volgens mij is dat juist wat we niet nodig hebben met elkaar. Maar ik draag mijn liefde voor deze streek wel uit, en natuurlijk doe ik dat met trots. Hoe kan het anders?’
Buiten hangt de herfstzon laag boven de velden, binnen legt hij zijn benen op tafel. We zitten in de oude stal, die is omgebouwd tot een ruimte waar zijn vrouw Martine cursussen geeft.
In de boerderij regeert de drukte van het gezinsleven. Bökkers heeft vier schoolgaande kinderen, en nog twee al wat oudere uit een eerdere relatie. ‘Ik leid nogal een dubbelleven. In de weekends hang ik de rockster uit, door de week ben ik heel saai. Half 7 op, broodtrommeltjes vullen, het hele spul naar school krijgen. Dan probeer ik een uurtje te wandelen om mijn hoofd leeg te krijgen, daarna ga ik naar mijn studiootje. Liedjes schrijven, dingen voor de band regelen.’
De vrije uurtjes wijdt hij aan zijn ‘supernerdy’ hobby. Bökkers is een geschiedenisfanaat, met name geïnteresseerd in de ontwikkeling van West-Germaanse talen als het Nedersaksisch.
‘Breek me de bek niet open’, zegt hij lachend. ‘Want ik kan me daar helemaal in verliezen, verslind alles wat ik erover kan vinden. Ik heb inmiddels een hele bibliotheek, maar die moest ik van mijn vrouw in mijn studio neerzetten. Ik mag er thuis niet meer over praten, en als we samen gaan wandelen mag ik ook niks meer. Want ik pluis ook stambomen uit, en oude kaarten, en ken alle boerderijnamen van de hele regio uit mijn hoofd. ‘Wist je dat hier vroeger...’, begin ik dan, en dan zeggen zij: ‘Ja ja, nou weten we het allemaal wel een keer.’’
Eigenlijk is het wel iets meer dan een hobby. Bökkers is een van de makers van de tweewekelijkse podcast De Nedersaksen, en schreef een onderwijsprogramma voor het ‘provinciale kenniscentrum’ de Overijsselacademie, dat om allerlei redenen nooit is gebruikt. Twee jaar geleden ontving hij de Overijssel Cultuurprijs. Voor zijn muziek, maar ook als ‘ambassadeur’ van het Nedersaksisch.
Waar komt die interesse vandaan?
‘Ik had het als kind al. Als andere jongens gingen voetballen of fietscrossen, zat ik met mijn neus in de stambomen. Wat ik me herinner als een trigger was een geschiedenisles toen ik op de pabo zat – ja, eigenlijk ben ik leraar.
Die docent vertelde dat Bonifatius uit Engeland kwam. Rond 750 ging hij met de boot naar Friesland, en daar kon hij zonder tolk het evangelie verkondigen, omdat die talen toen nog zoveel op elkaar leken. Jezus, wat een openbaring was dat! Dat je helemaal kunt uitpluizen hoe dat zich heeft ontwikkeld. Fantastisch.’
Heeft die interesse ook te maken met het zelfbewustzijn van de regio waar je het net over had?
‘Zeker. Ik vind het heel belangrijk dat het Nedersaksisch een paar jaar geleden is erkend als een officiële taal. Toen ik als broekie naar de pabo in Zwolle ging, werd mij sterk aangeraden om op logopedie te gaan om mijn accent af te leren. ‘Want hoe moet dat dan als je ooit gaat lesgeven in Rotterdam of zo?’ Zoiets zouden ze nu echt niet meer doen.
‘Mijn moeder is opgevoed in het Sallands. Zij werd onderwijzeres in de jaren zeventig, toen de teneur was: je moet kinderen Nederlands aanleren, want anders zijn ze gedoemd te mislukken in de maatschappij. Dus dat deed ze. Maar intussen was de boodschap toch wel dat ze zich moest schamen voor het dialect.
Toen het Nedersaksisch werd erkend, zei ze: dus ik ben eigenlijk al die tijd tweetalig geweest! Het is niet dat ik een stomme, verbasterde vorm van Nederlands praat, het is gewoon een andere taal. Dat is een compleet andere beleving.
En ja, misschien heb ik zelf een rolletje gespeeld in die ontwikkeling. Ook met de band trouwens. Ik denk dat Bökkers wel bijdraagt aan het cool-gehalte van het dialect, want er is niks oubolligs of folkloristisch aan wat wij doen.’
Opvallend vaak, zegt hij, zijn het de ‘terugkeerders’ die zich inzetten voor de taal en de cultuur van het oosten. ‘Mensen die hier zijn geboren, maar een tijd in het westen hebben gewoond. Dat merk ik bijvoorbeeld bij schrijvers die ik voor de podcast interview, en ook in de muziek.
Daniël Lohues: ging in Utrecht studeren, kreeg knetterende heimwee, begon daarna hier met Skik. Marlene Bakker uit Groningen: ging naar Tilburg, kreeg knetterende heimwee, kwam terug en ging zingen in het Gronings. Bennie Jolink studeerde ooit aan de kunstacademie in Amsterdam, voelde zich daar helemaal niet goed, kwam terug en richtte Normaal op.
Misschien is het nodig om deze streek van een afstand te bekijken voordat je beseft: godverdomme, wat heb ik eigenlijk achtergelaten? En dat je dat gevoel dan wil uitdragen, en uiten in boeken, films of muziek. Zo is het met mij ook gegaan. Was nooit de bedoeling, is gewoon zo gelopen. Maar toch...’
Als puber, opgroeiend in het Sallandse Heino, dacht hij helemaal niet dat ‘het’ in het oosten gebeurde. ‘Op de lagere school was het Normaal vóór en Normaal na. Ik had zelf ook een poster van ze boven mijn bed hangen. Maar zo rond mijn 15de vond ik daar niks meer aan, toen luisterde ik alleen nog naar Engelstalige muziek. En begon ik zelf ook liedjes te schrijven in het Engels.
Het was de tijd van Nirvana en Pearl Jam, dat soort spul. In Nederland had je Hallo Venray en Bettie Serveert, ik was ook groot fan van het Vlaamse Soulwax. En ik wist: als je in die hoek van de muziek wat wilde bereiken, dan moest je weg.’
Na de pabo ging hij naar de rockacademie in Tilburg, met het doel een eigen band op te richten. Een demo die hij met samples en computers in elkaar knutselde, werd al snel opgepikt door de drummer van K’s Choice, die gastlessen gaf op de school.
‘Hij zorgde ervoor dat we bij de platenmaatschappij boven op de stapel kwamen te liggen. Toen ze belden dat ze ons graag wilden zien optreden, was er nog geen band. Die heb ik snel bij elkaar gezocht met jongens van de academie, en na de allereerste show hadden we een platendeal. Een ton in guldens; daar kon je toen een huis van kopen. Maar wij namen er een plaat mee op in een veel te dure studio in Brussel.’
Soundsurfer heette de band. ‘Hele serieuze, vooruitstrevende popmuziek. Een tijdlang golden we als een grote belofte, maar die moet je dan wel inlossen. Met een hit, en die kwam maar niet. Een paar jaar lang deden we clubtours door Nederland, optredens in Frankrijk, België en Spanje.
‘We stonden met onze tenen op de drempel, maar gingen er steeds net niet overheen. Wat natuurlijk aan ons begon te vreten, want we vonden onszelf de beste band van Nederland. Na een tijdje vond ik het allemaal niet meer zo plezierig. Ik was ook altijd ontzettend zenuwachtig voor elk optreden. Het ging me toen nog helemaal niet goed af om frontman te zijn.’
Net toen Soundsurfer langzaam doodbloedde, werd hij gevraagd om te komen spelen bij Jovink & de Voederbietels. ‘Het andere uiterste, zeg maar. Jovink was razend populair, maar alleen hier in de buurt. Het was ook wel een band die een gimmick maakte van zichzelf. Bier en titten, lol maken, niet moeilijk doen.
‘De mensen die mij kenden van Soundsurfer zeiden: wat zoek je in godsnaam bij die boeren? Ik besefte zelf ook dat er daardoor deuren dicht zouden gaan. Als ik voor Jovink koos, was de weg naar serieuze Engelstalige popmuziek wel afgesloten.’
Voelde dat als een nederlaag?
‘Uiteindelijk helemaal niet, want er gingen ook veel deuren open. Bij Jovink vond ik mijn plezier terug, en zag ik in dat het me daarom ging: muziek maken moet iets feestelijks zijn. Sindsdien kan het me ook geen bal meer schelen of wat ik maak nou vernieuwend is of niet. En ik heb nooit meer last gehad van die verschrikkelijke zenuwen.’
Intussen gaf hij zijn ogen goed de kost, want Jovink was ook de band die de Zwarte Cross uit de grond had gestampt. ‘De ondernemersgeest van die gasten sprak me heel erg aan. Ik kom zelf uit een ondernemersfamilie. Mijn opa was veehandelaar, mijn vader had een maalderij en later een restaurant. Kleine middenstand, zeg maar.
‘Bij Jovink zag ik voor het eerst die houding van: oké, jullie willen ons niet hebben op Pinkpop, nou weet je wat, dan organiseren we zelf toch een festival. En dan gaan we het ook heel goed doen, en met veel schik. Hoe ze dat langzaam hebben uitgebouwd tot een enorm bedrijf vond ik zeer interessant.
‘Ik heb het altijd bizar gevonden dat veel muzikanten geen flauw benul hebben van cijfertjes en contracten. Ik heb dat wel. Het wordt ook weleens uitgelegd als: Bökkers is op de centen. Maar ik wil gewoon graag weten wat er gebeurt.’
Dus via Jovink keerde je terug naar je roots?
‘Nou, nog niet, want ik bleef de eerste jaren in Tilburg wonen. Daar had ik een vriendin en twee kleine kinderen, maar verder geen familie of niks. Elk weekend kachelde ik op en neer naar de Achterhoek, wat mijn heimwee natuurlijk alleen maar aanwakkerde. Op een gegeven moment was ik Tilburg echt spuugzat.’
Gaat daar niet het nummer Pien in mien harte over?
‘Ja, klopt. Ik werd gierend gek in Tilburg/ En het leek zo’n goed idee/ Maar al dat volk in die stad/ En die wieve en die drank/ En dat gezeik met die zachte G/ Ik wol wel kroepend terug noar Heino. Dat hebben we uiteindelijk ook gedaan, we zijn met het hele gezin naar mijn geboortedorp verhuisd. Maar dat was eigenlijk een verplaatsing van het probleem.’
Hoezo?
‘Nou, het zat gewoon helemaal niet goed in die relatie. Het is alweer een tijd geleden, ik ga niet al die ellende weer oprakelen, maar ik zat erg slecht in mijn vel. En wat zeker niet heeft geholpen is dat ik in die periode zo allemachtig aan de zuip ben gegaan.’
Problematisch allemachtig?
‘Ja, op een gegeven moment zeker. Ik heb heel lang veel te veel gedronken. Ik ben ook erg verslavingsgevoelig, daarom ben ik altijd weggebleven van drugs. Ook op mijn 47ste zou ik daar nog steeds een soort puber in zijn.
‘Op de middelbare school werd er wel een beetje geblowd, en dat ging ik toen ook proberen. Nou, tussen het eerste trekje dat ik nam en het moment dat ik door de week op het schoolplein mijn eigen joint aanstak, zat misschien drie maanden. Toen dacht ik: misschien verstandig als ik dit niet doe, want ik weet waar het eindigt – nergens.
‘Maar goed, drinken is natuurlijk een ander verhaal. Dat zit hier erg in de cultuur, het bier stroomt de mensen door de aderen. Bij Jovink ging het elk weekend tot 7 uur ’s ochtends door, en dan dronken we geen cola. Ik kon dat toen allemaal goed hebben, maar er is een verschil tussen drinken en zuipen om je problemen te maskeren.’
In 2009 stopte Jovink ermee, niet veel later liep zijn relatie definitief spaak. Pijnlijke toestanden, met rechtszaken en zo. ‘Het eind van het liedje was dat ik ongeveer dakloos werd. Ik woonde in mijn studiootje, in een oud schoolgebouw. Toen was er geen enkele reden meer om fit of nuchter te blijven, want alles was toch al kapot. Een tijdlang heb ik op last van mijn ex mijn kinderen niet mogen zien. Dat kwam later weer goed, maar dat was wel echt het dieptepunt.’
Om het muzikale gat te dichten begon hij de coverband Bökkers dut Normaal. ‘Daarmee speelden we alleen nummers van de eerste drie Normaal-platen, toen ze nog echt een rockband waren. Het was een beetje een geintje, maar voor ons eerste optreden werden meteen zevenhonderd kaartjes verkocht.
‘Er bleek veel vraag naar te bestaan, we hadden succes, maar tegelijkertijd leek die band wel in het leven geroepen om het zuipen te faciliteren. Echt, het was op het destructieve af. In die tijd heb ik wel de duistere kanten van het rock-’n-roll-leven gezien.’
Minstens een halve krat per dag, zestig sigaretten erbij. ‘En dan slikte ik ook nog wekelijks een stripje antidepressiva. Had de dokter me voorgeschreven toen ik zei: het gaat helemaal niet goed met mij.
‘Hij had natuurlijk moeten zeggen: leer jezelf eerst eens een fatsoenlijk dag- en nachtritme aan, ga een beetje wandelen, en drink wat minder. Maar dat deed-ie niet. En drank en antidepressiva zijn een hartstikke gevaarlijke combinatie. Dat kán helemaal niet.’
Dat staat volgens mij ook heel duidelijk in elke bijsluiter.
‘Ja natuurlijk, maar dat kon me in die tijd geen fuck schelen. Dus als ik hartstikke duizelig op het podium stond, was het: hup, meer zuipen om mijn balans terug te vinden. Intussen kreeg ik aanvallen van hyperventilatie, durfde ik de supermarkt niet meer in omdat alles dan voor mijn ogen begon te draaien. Oh man, wat een ellende.’
Het was zijn huidige vrouw Martine die hem ‘uit de goot’ haalde, zegt hij. ‘We ontmoetten elkaar midden in die heftige periode. In het begin van onze relatie was ze me ’s nachts weleens kwijt, dan zat ik op het balkon bier te drinken omdat ik niet kon slapen.
‘Zei ze: is dat nou echt nodig? Op een woensdag? Kan het nou niet op een iets normalere manier? Uiteindelijk heeft ze me er echt uit getrokken, door strabant te zeggen: het is wel mooi geweest met dat gezuip van jou.’
Strabant?
‘Mooi woord hè. Daadkrachtig. Met de vuist op tafel. Gewoon: als dit het is, samenleven met jou, dan vind ik er geloof ik niet zoveel aan. Dat was wel een eyeopener. Daarna is het met mij nog wel een paar keer op en neer gegaan: niks drinken door de week, in het weekend weer los. Maar nu heb ik al bijna een jaar geen druppel meer gedronken.’
Hè? Op het podium in Toldijk liet je het je volgens mij nog goed smaken.
‘Zat spa rood in. Bruin flesje, dus dan zie je het niet.’ Hij peinst even: ‘Ik vind het een beetje kinderachtig van mezelf, maar ik weet niet of ik dit wel in de krant wil, want ik ben bang dat mijn fans er wat van vinden. Het ligt misschien niet zo lekker in de profilering. Snap je?’
Denk er maar even over na, dan schrijf ik het alvast op.
‘Hahaha. Nou ja, misschien is het juist wel goed. Het is niet zo gek natuurlijk. Ik ben 47, heb een gezin en een bedrijf, en het is wel gebleken dat ik geen maat kan houden. Eén biertje, daar vind ik niks aan. Vroeger schudde ik na een avond zuipen drie keer met de kop en dan ging het weer. Nu duren de katers twee, drie dagen.
‘Ik zeg niet dat ik nooit meer zal drinken, maar voor nu bevalt het me prima. Die helderheid in mijn hoofd is erg prettig. Ik heb mezelf dertig jaar lang wijsgemaakt dat bier drinken bij een optreden hoort, dat het niet zonder kón. Blijkt het helemaal niet waar te zijn! Ik denk eerder dat ik het nu beter kan.’
Hij slaat zichzelf op de niet aanwezige pens. ‘Dat was ook een reden. Ik was 8 kilo aangekomen. Ging ik eens denken: waar zit nou mijn grootste calorie-inname? O ja! Dus dat moest eraf, zo ijdel ben ik wel. Zeker toen ik wist dat ik dagelijks met mijn kop op de landelijke tv ging komen.’
Want dat is de nieuwste ontwikkeling in zijn drukke bestaan: vanaf 23 december is Hendrik Jan Bökkers dagelijks te zien in de serie Woeste grond, geregisseerd door Johan Nijenhuis. Daarin speelt de man die geen boerenrocker wil zijn... een boer. ‘Wat ik niet ben, nee. Ik weet ook niet zoveel van het boerenleven.
‘Maar belangrijker is: ik ben ook geen acteur, haha. Johan – hij komt zelf oorspronkelijk uit Markelo en het zou me niks verbazen als hij ooit weer hier in de streek komt wonen – had me al eens eerder gepolst voor een film die zich hier in het oosten afspeelde. Hij zei: dat kun je vast wel, als muzikant ben je er toch al aan gewend om voor een grote groep mensen te staan, en aan een camera voor je neus. Dus ik naar de castingdag. Daar heb ik de hele dag scènes gespeeld met steeds wisselende acteurs.
‘Op een gegeven moment vroeg ik: wie komt er eigenlijk nog meer auditie doen voor de rol van Dinand? Nou, zeiden ze, niemand. Ik bleek het al te zijn. En het klinkt heel oekelig, maar ik kwam er eigenlijk pas tijdens het draaien achter dat het een van de hoofdrollen was.’
Woeste grond gaat volgens het persbericht over ‘familie, kalverliefde en ontrouw, melk én havermelk en de uitdagingen van het moderne boerenleven’. Dus ook: stikstof, mest en uitkoopregelingen. Over de verhaallijn mag hij weinig zeggen, behalve dan dat het zijn personage is dat koste wat kost het familiebedrijf overeind wil houden.
‘Het is erg op het nu geschreven. Ik vind het mooi dat er wordt gekeken vanuit het perspectief van de boer, en dat het waarachtig is. We hebben geen oude boerderij aan een idyllisch zandweggetje, met van die leuke stalraampjes en zo. Gewoon twee lelijke jarenzestigbungalows en een enorme stal vol tl-buizen. Precies zoals het is.’
De serie gaat dus ook over hete hangijzers. En je bent al een soort vlaggenschip van de regio. Ben je niet bang dat je zo in een politieke discussie wordt gezogen?
‘Zei je nou ‘vlaggenschip’? Alsof ik een soort opperhoofd van de Nedersaksen ben? Zoiets zou ik nooit over mezelf zeggen. Maar oké, als ik er objectief naar probeer te kijken, kan ik me voorstellen dat ik inderdaad een beetje die rol heb. Ik heb er wel over nagedacht. Misschien een beetje te laat, haha.
‘Het is één ding om trots uit te dragen en interesse te tonen voor de streek waar je vandaan komt, maar als je dat gaat mengen met politiek, wordt het een ander verhaal. Ik ga ervan uit dat mensen begrijpen dat ik een rol speel, misschien is dat naïef. Dikke kans dat er straks een talkshow belt om te vragen: wat vindt Bökkers er eigenlijk allemaal van? En dat zou ik wel lastig vinden. Ik wil graag wegblijven van politiek. Dat doe ik in mijn liedjes ook.’
Mag ik vragen waarom? Heb je geen mening over het stikstofprobleem?
‘Jawel hoor. Waarschijnlijk heb ik er meer verstand van dan de gemiddelde Nederlander. Maar dat maakt het eigenlijk alleen maar ingewikkelder. Er zitten zo fucking veel haken en ogen aan het hele verhaal, en er is al zo veel geroeptoeter. We zijn een rijk land. Het moet toch mogelijk zijn om iets te verzinnen waarbij je iedereen recht doet: de mensen, de economie en ook de dieren en de natuur.
‘Maar dat gaat niet lukken als beide kanten hun hakken in het zand zetten. En dat is wat er volgens mij nu gebeurt. Het gaat de hele tijd over links versus rechts, stad versus platteland. Intussen wordt de weldenkendheid aan de kant geschoven.’
Dus wat doe je als straks die talkshow belt?
‘Dat weet ik niet. Misschien vraag ik wel of ik gewoon een liedje mag komen zingen.’
16 juli 1977 Geboren in Olst, Overijssel. Opgegroeid in Heino.
1989–1995 Havo FRC Raalte.
1995-1999 Katholieke Pabo Zwolle.
2000-2001 Rockacademie in Tilburg (niet afgemaakt).
2000-2005 Frontman en songschrijver van Soundsurfer.
2005-2007 Gitarist en zanger bij Jovink & de Voederbietels.
2010-heden Zanger, gitarist en songschrijver van Bökkers.
2021-heden Podcast De Nedersaksen.
2022 Krijgt Cultuurprijs Overijssel.
2024 Hoofdrol in de tv-serie Woeste grond.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant