Home

Vertrekkend directeur Van Abbemuseum: ‘Het gaat erom: hoe gaan we met elkaar om? Hoe kunnen we een betere omgeving scheppen?’

Na twintig jaar vertrekt Charles Esche als directeur van het Van Abbemuseum. Hij bracht veel internationale grensverleggende kunst naar Eindhoven, al werd zijn engagement in Nederland niet altijd goed begrepen. Was hij als museumdirecteur zijn tijd vooruit?

Charles Esche (62) moet er zelf wel om lachen: dat ‘bezuiniging’ het eerste woord was dat hij in Nederland hoorde, en ook het laatste. Niet dat hij er een somber of gedesillusioneerd man door is geworden. Integendeel. Met veel geschuif op de stoel en brede armgebaren in de lucht maakt hij een levendige indruk. Energiek. Op het assertieve af. Soms defensief. Maar goed, er valt ook wat te verdedigen.

Na twintig jaar vertrekt de geboren Engelsman als directeur van het Eindhovense Van Abbemuseum. Esche laat een museum achter dat lange tijd als een buitenbeentje in de Nederlandse kunstwereld werd gezien. Zijn museum moest anders en experimenteler zijn, meer bij de tijd, maatschappelijker betrokken en geëngageerd.

Zo maakte hij een tentoonstelling over de Nederlandse identiteit en is in de kelder van het museum aandacht voor de omstreden manier waarop de oprichter, Karel I-sigarenfabrikant Henri van Abbe, met koloniaal geld kunst aankocht. In de collectieopstelling Dwarsverbanden hangen schilderijen niet zomaar aan de muur, maar in informatieve vitrines waarin zowel voor de kunstenaar als voor de geportretteerde aandacht is. Opvallend: sommige collectiestukken zijn ook voor blinden en slechtzienden te ervaren, want nagemaakt om op de tast te ervaren.

Als museumdirecteur was Esche ook een buitenbeentje doordat hij zijn werk in Eindhoven combineerde met prestigieuze klussen in het buitenland. Hij stelde tentoonstellingen en biënnales samen in bijvoorbeeld Turkije, Slovenië en Zuid-Korea. En hij haalde het buitenland naar het museum. Recent werkte hij voor de expositie Soils samen met Australische en Indonesische organisaties.

Zijn aanpak leidde geregeld tot kritiek. Zo werd zijn museum vergeleken met een buurthuis of debatcentrum en schreef de Volkskrant in een recensie over een ‘overkill aan informatie’. Was zijn museum niet te veel engagement en te weinig, gewoon, kunst?

Dat engagement was Esche overigens met de paplepel ingegoten. Begin jaren zestig ontvluchtten zijn Duitse ouders de DDR, naar Engeland. In 1962 werd hij daar geboren. ‘Thuis werd veel over politiek gesproken, aan de eettafel’, herinnert hij zich. Niet vreemd volgens hem: zijn ouders hadden in Duitsland zowel het nazibewind als het socialisme meegemaakt.

Zelf werd hij al op jonge leeftijd lid van Labour. Tijdens de roemruchte mijnwerkersstakingen in de jaren tachtig zamelde hij geld in en schoof hij aan bij vergaderingen. Esche: ‘In Nederland denken we bij politiek aan Den Haag, en verder niets. In Engeland is politiek meer verweven met de samenleving.’ Maar al snel raakte Esche teleurgesteld in de politiek. Ook Labour kon weinig doen voor de mijnwerkers. Voortaan zocht hij zijn heil in de cultuur.

Esche: ‘Het gaat erom: hoe gaan we met elkaar om? Hoe kunnen we een betere omgeving scheppen? Dat lukt voor een deel beter in de cultuur dan in de politiek. Ik geloof dat cultuur de verbeelding van mensen kan beïnvloeden. En uit de verbeelding komen andere veranderingen voort.’

Deze goede bedoelingen werden in Nederland niet altijd goed begrepen. Sterker nog, volgens hem is ‘wereldverbeteraar’ hier een scheldwoord: ‘Toch wil ik iets doen wat de wereld beter maakt. Waarom niet?’

Esche vond het Van Abbemuseum aan het begin van zijn directoraat ‘een beetje ouderwets’. Het tijdperk van de witte museummuren, dat zowel in de VS als in Nederland eind jaren dertig zijn entree had gemaakt, was volgens hem al voorbij. Toch probeerde het museum nog een ‘neutrale’ plek te zijn, waar je alleen met de kunst bezig was en je zogenaamd de maatschappelijke ontwikkeling buiten kon laten.

Hij zag dat ook elders in Nederland: ‘Veel musea gaven hetzelfde beeld van de kunstgeschiedenis, met veel dezelfde kunstenaars. Ik dacht: is er geen ruimte in Nederland voor verschillende musea? Moeten we allemaal aan de blockbustermethode? We kunnen toch een andere plek innemen dan het Groninger Museum?’

Esche wilde de maatschappij binnenlaten in zijn museum. Hij benadrukte de afgelopen jaren meermaals dat het in de kunst niet gaat om objecten, maar om ideeën of relaties.

De directeur is zelf ook een ideeënman, zo blijkt uit het soms behoorlijk abstracte niveau van het gesprek. Twee keer excuseert hij zich voor zijn gebruik van jargon: ‘Dat kunnen jullie misschien vertalen, ik snap dat dat niet makkelijk is.’ Op vragen over kunst volgen van zijn kant steevast politieke en sociale bespiegelingen. Die geëngageerde kijk op kunst is inmiddels bon ton in de museumwereld.

Was u als museumdirecteur uw tijd vooruit?

‘Dat moet je anderen vragen. Je probeert het wel een beetje, kijken wie de mensen zijn die belangrijk kunnen worden. Als je naar kunstenaars kijkt die wij als eerste een tentoonstelling gaven, zoals Ahmet Ögüt, Hito Steyerl of The Otolith Group, dan is een deel van hen vrij bekend geworden.’

Hoewel het IJzeren Gordijn al meer dan tien jaar was gevallen, was in Nederland amper interesse voor wat in Oost-Europa gebeurde, zag Esche: ‘Dat werd nog het Oostblok genoemd.’ De focus lag op Amerika. Esche nodigde Dan Perjovschi uit Roemenië uit voor een grote muurschildering en gaf de Poolse schilder en videokunstenaar Wilhelm Sasnal uit Polen een tentoonstelling.

Hoe viel dat in de Nederlandse kunstwereld?

‘Wisselend. Er waren mensen als Evert van Straaten (oud-directeur Kröller-Müller Museum, red.) die zagen dat het Van Abbe de juiste plek voor experimenten kon zijn. Maar anderen vonden het niet gepast een Poolse kunstenaar naar het Van Abbe te brengen. Een misdaad.’

Bezoekers hebben wellicht het gevoel: waar zit ik nu weer naar te kijken?

‘Veel mensen komen voor het gebouw. Anderen weten niet precies wat ze kunnen verwachten. Kunst is op zich al vervreemdend.’

Ondanks uw pogingen aansluiting te vinden bij andere groepen publiek, is het aantal bezoekers niet toegenomen.

‘Wij vinden 100 duizend goed. Dat maakt ons financieel gezond voor een langere tijd. Misschien zijn we wel een deel van het oude publiek kwijtgeraakt, maar daar is jonger en diverser publiek voor in de plaats gekomen. En dit aantal past ook bij de omvang van Eindhoven. Eindhoven is eigenlijk geen stad, het is een dorp plus een fabriek. Het is geen metropool.’

Er is door al die jaren heen behoorlijk wat kritiek gekomen vanuit de Eindhovense politiek. Hoe reageert u daarop?

‘Ik vond dat heel behulpzaam, positief eigenlijk. Er was de kritiek dat wij niet zo veel met Eindhoven te maken hadden. Dat kwam door het verleden: in de tijd van Rudi Fuchs en Jan Debbaut was het museum niet zo betrokken.’


De kritiek was ook: Charles Esche brengt veel internationale grensverleggende kunst en dat is vervreemdend voor de mensen hier.

‘Ik denk dat we door die kritiek dichter bij de Eindhovenaren zijn gekomen. Al bestaat ‘de gewone Eindhovenaar’ natuurlijk niet, dus proberen we verschillende groepen te bereiken. Zo hebben we een hiphoptentoonstelling en heeft de Indiase kunstenaar Praneet Soi samengewerkt met Eindhovense technische onderzoekers.’

Wij zijn in Nederland grootgebracht met het Thorbecke-principe: politiek bemoeit zich niet met kunst. U zei in een eerder interview dat politiek zich juist wel met kunst moet bemoeien, waarom?

‘Ik denk dat het gevaarlijk is als kunst wordt geïsoleerd, in een hokje wordt geplaatst. Maar politiek is een lastig woord. Misschien moet ik zeggen: maatschappij, de maatschappij moet zich met kunst bemoeien. En politiek is deel van de maatschappij.’

Toen Esche net aantrad, sprak hij veelvuldig over zijn overtuiging dat kunst de wereld kan veranderen. Recenter liet hij zich bij een lezing ontvallen: ‘Kunst en cultuur zijn misschien niet de plek om te doen wat ik wil.’ Kennelijk is de wereld verbeteren via kunst best lastig. Niet dat hij van zijn geloof is gevallen, bezweert hij: ‘Nu ben ik realistischer.’

Bent u teleurgesteld in wat u met kunst voor elkaar heeft gekregen de afgelopen twintig jaar?

‘Ik ben teleurgesteld in de politici en de grote bedrijven, want ik hoopte dat wij hen met onze programmering konden bereiken, maar zij hebben dat niet opgepikt.’

En dat ligt niet aan de kunst?

‘Nee. We hadden hier onlangs Brabantse boeren uitgenodigd om naar de tentoonstelling Soils te komen kijken. Zij waren niet eerder in het museum geweest. Nu zien ze dat dit een publieke plek is, waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Als je dat op gigantische schaal zou kunnen doen, zou je wel degelijk invloed hebben. Maar er spelen andere bewegingen die ons tegenwerken, zoals de sociale media. Die hebben een politieke impact die wij nooit hadden kunnen voorzien. ’

Wat gaat u nu doen?

‘Ik verhuis naar Amsterdam. Daar ga ik promoveren. En ik heb land gekocht in Roemenië. Daar ga ik met een paar mensen een Experimental Station voor Art and Life oprichten. We zullen daar mensen uitnodigen om mee te denken over de relatie tussen kunst en leven.’

Waarom Roemenië?

‘Deels is dat toeval, omdat ik er vrienden heb. En het land is redelijk goedkoop. Maar ik denk ook dat West-Europa minder creatief is geworden de afgelopen twintig jaar. In Roemenië kun je nog echt iets neerzetten. Daar zijn ze niet bang voor verandering.’

En hier wel?

‘Wij zijn risicomijdend geworden als maatschappij. En als je geen risico’s durft te nemen, dan wordt alles onmogelijk, want je kunt nooit van tevoren garanderen dat het resultaat positief is.’

De tentoonstelling Kunst is een werkwoord met kunstenaars uit IJsland, Peru, Rusland en Indonesië is in het Van Abbemuseum in Eindhoven te zien van 7/12 t/m 27/4.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next