Het is een oude fantasie: de sekswerker die met de klant wil trouwen. Arnon Grunberg zag de film Anora, waarmee Sean Baker de Gouden Palm won, en werd herinnerd aan Elfriede Jelineks roman De pianiste – sekswerk als hoop op verlossing.
schrijft voor de Volkskrant over verlangen, politiek en ondergang.
De film Anora van Sean Baker (53) klopt op de deur van een oude fantasie: de klant wil met de sekswerker trouwen. De film wijkt ook meteen af van die oude fantasie in de persoon van de klant, die eindelijk eens jonger is dan de sekswerker, onmiskenbaar knap, charmant en onmogelijk, en ook nog eens puissant rijk, of beter gezegd: zijn vader is dat. Hij ziet haar en zij ziet hem, en je begrijpt wel wat zij in hem ziet. Liefde blijft een vlucht, maar wel een sublieme.
De sekswerker Ani (Anora) wordt gespeeld door Mikey Madison met het aanstekelijke vitalisme van iemand die lijkt te beseffen dat het geveinsde orgasme zoveel meer is dan een noodverband om ons seksleven. Zij verleidt en laat zich verleiden door een jonge Rus genaamd Ivan, gespeeld door Mark Eydelshteyn.
We zijn in New York. Hij spreekt slecht Engels, zij spreekt slecht Russisch, maar taal is niet het probleem, want ze hebben niets tegen elkaar te zeggen. Voor zover dit romantiek is, en ik vermoed dat het dat is, dan is het romantiek ná de taal. Het jonge stel lijkt zich verlost te hebben van alle babylonische spraakverwarring. Als ze geen drugs gebruiken, drinken, of seks hebben, is hij aan het gamen en leunt zij losjes tegen hem aan: een variatie op een minder oude, maar even burgerlijke fantasie, Netflix en geslachtsgemeenschap, en uiteindelijk helemaal geen geslachtsgemeenschap meer, alleen nog maar Netflix, wel zo praktisch en wel zo hygiënisch.
De villa waar de jonge Rus woont – eigendom van zijn vader – bezit dezelfde troosteloze benepenheid die je aantreft in het gemiddelde huis in een van de vele buitenwijken, alleen het gazon en de sproeier ontbreken. De vader is een kleine oligarch, geen grote, en zijn villa is dan ook de villa van een kleine oligarch – dat was een vondst van de makers. De glamour ontbreekt en het interieur ademt de moraal van alle middenklasse: geen aanstoot geven. Anonieme luxe.
Ivan echter wil wel aanstoot geven, daarom trouwt hij ook met een hoer. Een woord waaraan Ani terecht aanstoot neemt, want je hebt sekswerk en sekswerk, zij is hoer noch escort, maar stripper. Een filiaalmanager is ook geen vakkenvuller. De reden waarom Ivan aanstoot wil geven, wordt hooguit aangestipt, hij haat zijn moeder en vermoedelijk ook zijn vader. Dat is begrijpelijk. Samen hebben vader en moeder de techniek van de liefdeloosheid geperfectioneerd. En het kind, dat altijd weer ter wereld komt met de verwachting iets anders aan te treffen dan geperfectioneerde liefdeloosheid, belandt zo al snel in een perpetuum mobile van trauma, om het therapeutisch jargon maar weer eens van stal te halen.
Maar het trauma is afwezig in deze film, net als de glamour, misschien omdat zij zo dicht bij elkaar liggen. Ook afwezig is de schoonheid, het idealiseren van schoonheid. Het streven naar het perfecte lichaam, waar de filmkunst zo door geobsedeerd was en is, zo glad mogelijk, zo dun mogelijk, zo smetteloos mogelijk, staat immers los van seksualiteit. Dat schoonheidsideaal verafgoodt niet het orgasme, hooguit de dood zelf, op het altaar van de weegschaal offert men zichzelf.
Wat wel aanwezig is in deze film is het kapitaal, het geld, en het blijft erotiseren. Meer nog dan het menselijke vlees zelf. Hoezeer het christendom ook mag hebben betoogd dat er eerder een kameel door het oog van de naald zal kruipen dan dat er een rijkaard in de hemel zal komen, geld is altijd opwindend, vooral als het veel is. En nu de hemel is afgeschaft hoeft niemand zich meer om kamelen en naalden te bekommeren. Al bestaat altijd de mogelijkheid een gulle gift te doen als het geweten weer eens blijk geeft van atavistische reflexen.
In Anora krijgen de atavistische reflexen nauwelijks de kans, het geld is hier alleenheerser, andere vormen van kapitaal, cultureel kapitaal, doen niet ter zake. Universiteiten als Harvard en Yale zijn in Anora verder weg dan Neptunus en Mars. Op het idee om het eigen trauma binnenstebuiten te keren en het als sieraad te dragen is in deze film althans nog nooit iemand gekomen.
De strijd tegen het patriarchaat is hier een absurditeit, omdat voor de kleine oligarch het patriarchaat op zijn best een restaurant is waar hij nog nooit is geweest en dat hem verder ook niet trekt. Dat in een deel van de academische wereld deelname aan de strijd tegen het patriarchaat noodzakelijk is om toegang te krijgen tot de betere feestjes is geen van de personages in deze film bekend.
Vandaar dat de toeschouwer zonder al te zwaarmoedige vooringenomenheid naar het sekswerk en de sekswerker kan kijken. Moraal is hier geen performance. En zoals een literatuurwetenschapper recentelijk tegen me zei: ‘Zodra moraal performance wordt, begint de onderdrukking.’
De bevrijdingstheologie heeft klauwen die graag vernederen, onderdrukken en straffen. Dat de culturele elite in deze film niet bestaat, is op een eigenaardige, terloopse manier bevrijdend, en misschien heeft Anora daarom wel in Cannes de Gouden Palm gekregen. Men hoefde eindelijk niet naar zichzelf te kijken. Vandaar allicht ook dat eigenaardige gevoel alsof het in Anora nog altijd ergens begin jaren negentig is. De tijd is vacuüm getrokken.
In 1986 schreef Frans Kellendonk (1951-1990) in zijn roman Mystiek lichaam over de vader van de hoofdpersoon: ‘Geld was zijn religie. Schuld, boete, kwijtschelding – voor hem sprak het vanzelf dat die termen evenzeer thuis zijn in de boekhoudkunde als in de biechtstoel.’
De boekhoudkunde, dat is uitstekend gezien. Alles mondt uit in boekhoudkunde. De moraal is weinig meer dan een abstractie van die boekhoudkunde. Boekhouding zonder getallen. Schuld, boete en als het echt niet anders kan, kwijtschelding.
Het huwelijk tussen sekswerker en klant wordt zoals dat hoort gesloten in Las Vegas. Even geen boekhouding, even het genot van de verspilling, het casino én de seks die niet gericht is op voortplanting.
Lang mag het prille geluk niet duren, dat zou ook saai zijn, de ouders van de Rus vliegen naar Amerika om het huwelijk te laten ontbinden. De personages in deze film bezitten dan wel nauwelijks cultureel kapitaal, de boekhoudkunde laat er geen twijfel over bestaan: met een hoer trouw je niet. En als je het per ongeluk toch doet, niet voor lang.
De mooie jongen blijkt vervolgens een laffe en vooral ietwat gewetenloze jongen wat zijn schoonheid alleen maar meer glans zou moeten verlenen. De fatale man of de fatale vrouw, zonder een snuifje gewetenloosheid komt het fatale nooit tot leven.
Het is daar dat Bakers film, na wat pogingen tot komedie die verder niet veel om het lijf hebben, wrang wordt. Ani krijgt tienduizend dollar aangeboden als ze meewerkt aan de ontbinding van haar eigen huwelijk. Ze leefden nog lang en gelukkig? Nee, en dat hebben ze ook nooit gedaan. Niet meewerken aan de ontbinding behoort niet tot de mogelijkheden want zelfs een kleine oligarch vermorzelt de sekswerker bij wijze van ontbijt.
Geld is religie maar de tweebener heeft zijn waardigheid en die wenst hij te behouden, juist ook als het huwelijk slechts voortzetting van sekswerk blijkt te zijn dat eindigt in een fooi. Ani mag haar toekomst hebben verloren, haar waardigheid wil ze graag behouden en dat doet ze door te worden wie ze was. Van haar ex-man neemt ze afscheid met woorden: ‘Ja, was het leuk?’ Met terugwerkende kracht was het kortstondige huwelijk gewoon loonarbeid.
Ani die aan het sekswerk dacht te ontkomen – niet dat het zo erg was, maar een mens wil hogerop – moet erkennen dat ze naïef is geweest, ze heeft zich laten verleiden, ze heeft zich laten bedotten. Zij had het kunnen weten. Een gebroken hart is te veel gezegd, maar iets in haar breekt, iets kleiners dan een hart, laten we zeggen, een middenhandsbeentje.
Waar geld religie is, is de paaldans het laatste religieuze ritueel. Terug naar haar kerk die ze had verlaten voor, ja voor wat eigenlijk? De vage belofte van een hemel die uit iets anders bestaat dan discoverlichting.
Er is altijd hoop op verlossing, juist ook in de boekhoudkunde. De goede man duikt altijd weer op, soms is hij geen man, soms is hij niet echt goed, maar hoe dat ook zij, in de loop van haar huwelijk ontmoet Ani al snel zo’n man die zich uiteindelijk ontpopt als goede man. De kijker had het misschien eerder gezien, maar Ani keek niet goed.
De goede man is een hulpje van een hulpje van een hulpje van de kleine oligarch en hij rijdt in een oude Mercedes die van zijn oma is, wat zijn goedheid dient te onderstrepen. De laatste goede mensen eerbiedigen hun grootouders. En dan, in ruil voor zijn goedheid, gaat Ani na haar huwelijk in die oude Mercedes op zijn schoot zitten.
Ze geeft hem wat ze te geven heeft. Sadder but wiser, dat is de sekswerker per definitie, Ani is sadder en wiser in het kwadraat. Ze biedt hem haar lichaam en haar overgave, haar al dan niet geveinsde orgasme dat nog altijd beter is dan helemaal geen geveins. Hij accepteert het als een hostie.
Het verbaast me dat die laatste scène mij ook de tweede keer dat ik de film zag, bleef ontroeren. En hij deed me denken aan een heel ander verhaal, een heel andere vrouw, en toch ook weer niet: de pianiste Erika Kohut, eind dertig, in Elfriede Jelineks roman De pianiste.
Kohut, die nog bij haar moeder woont, is gedresseerd om uit te blinken, om concertpianist te worden, maar ze faalde en geeft nu pianoles. Peepshows en prostituees zijn haar hobby. Ze begluurt sekswerkers en hun klanten alsof ze vermoedt dat daar en niet in de piano het echte leven – lees: de echte opwinding en de echte bevrediging – te vinden is.
Het begluren van de sekswerker is haar hobby, net als het snijden in haar eigen lichaam. En beide doet ze virtuoos. Haar beschrijvingen (of die van Jelinek, in de vertaling van Tinke Davids) van het sekswerk mogen er zijn: ‘Ze laat met haar hele gezicht zien hoe geweldig het zou zijn als ze alleen met jou kon zijn. Maar helaas is dat op grond van de grote vraag niet mogelijk. Op deze manier hebben we er allemaal wat aan, en niet slechts één.’
Kohut vreest weldra te oud te zijn voor de grote vraag, want ook de onbetaalde liefde blijft een kwestie van vraag en aanbod. Geld is hooguit de belofte van de eeuwige jeugd, maar niet voor iedereen, en zelfs dan niet voor altijd.
De goede man, de juiste persoon, komt bij Jelinek niet meer opdagen, ze meende hem gezien te hebben maar hij stelde ernstig teleur. Er gaat een mes in. Kohut steekt zichzelf in een impuls ‘van toorn, van woede, van hartstocht’ in de schouder. Het klinkt feministischer dan ik zou willen maar of je nu een mes in je steekt of een penis maakt uiteindelijk minder uit dan we zouden denken. De hoop blijft identiek: een gevoel, een ander gevoel.
‘Gevoelens zijn altijd belachelijk’, schrijft Jelinek, ‘maar vooral wanneer onbevoegden ze in handen krijgen.’
Ik denk dat dat is waarnaar wij gluren, op het eind van Anora, als ook de boekhoudkunde aan haar eind is gekomen. Twee onbevoegden met hun belachelijke gevoelens. Buiten is het winter. Het sneeuwt.
Het menselijke vlees beweegt nog.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant