Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Oud-brigadier Harry Houtepen (73) was ooggetuige van een liquidatie. Tien jaar later stond de weduwe ineens voor hem, met een heftige vraag.
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Tijdens de ochtendbriefing op ons bureau in Breda werd er gezegd: ‘Er is onrust in coffeeshop Istanbul, we vermoeden dat daar een ripdeal is geweest. Wees voorzichtig als je er een melding van krijgt.’
‘Istanbul was geen fijne tent. De eigenaar, Arif, stond te boek als vuurwapengevaarlijk.
‘Later die dag belde Arif dat er in zijn coffeeshop was ingebroken. Voor de zekerheid gingen we er met acht man naartoe. We zetten onze auto’s uit het zicht en trokken kogelvrije vesten aan. Ik ging als eerste naar binnen en riep: ‘Politie, controle!’ Aan een tafeltje zat een oude man die me heel bang aankeek. Verderop, achter de bar, stond Arifs broer Mustafa. Ook hij had grote, angstige ogen.
‘Toen ik doorliep, zag ik links om een hoek, vlak bij de bar, vijf mannen staan. Drie van hen richtten een vuurwapen op Mustafa. Ik schrok en riep naar mijn collega’s: ‘Terug! Terug!’ En meteen – Bam! Bam! Bam! Bam! – werd Mustafa met kogels doorzeefd. Ik dook naar de grond, zag hoe de kogels door de bar en een gokautomaat vlogen en kon nog net zien hoe Mustafa in elkaar zakte. Vervolgens werd een handgranaat naar mij gerold. Ik dacht: nu is het afgelopen met me. ‘Kom hier!’, schreeuwden mijn collega’s. Gebukt sprintte ik de zaak uit.
‘De granaat ging gelukkig niet af. Onze ploeg heeft vanaf de buitenkant de ramen ingeslagen, hield die mannen onder vuur en praatte hen de zaak uit, met hun handen in hun nek. Buiten op het fietspad boeiden we ze. Ze zijn veroordeeld tot jarenlange celstraffen voor de liquidatie. Van de collega’s die het rechercheonderzoek deden, hoorde ik hoe ze Mustafa’s vrouw zijn dood moesten aanzeggen. Ze was zwanger van hun eerste kind.
‘In de weken na die liquidatie kreeg ik nachtmerries. Ik droomde dat ik zelf iemand neerschoot en naar een vijver liep om de kruitsporen van mijn handen te wassen, maar mijn teamleiding hield me daarbij steeds tegen. Toen ik de leiding daarover vertelde – ik wist niet goed wat ik ermee moest – wilden ze er niks over horen. Dat zit een verwerkingsproces toch in de weg, denk ik. Tijdens het boodschappen doen viel ik ineens flauw. Lag ik languit op de vloer van de supermarkt. Daarna meldde ik me ziek.
‘Ik heb veel heftige dingen meegemaakt, zoals mensen die ik voor mijn ogen zag verbranden, maar deze liquidatie staat op mijn harde schijf. Sinds dit incident weet ik dat op je harde schijf, helaas, geen deleteknop zit. Na gesprekken met de politiepsycholoog en door veel sporten krabbelde ik op. Ik heb nog tien jaar met veel plezier bij de politie gewerkt.
‘En wie zat daar in een Turks restaurant toen ik daar eens met mijn gezin ging eten? Arif. Zijn verraad kon er bij mij niet in. Hij had iemand geript en wist: ze komen wraak nemen. Daarom liet hij zijn broer die dag in de coffeeshop werken, die vervolgens werd neergeschoten. Ik heb zelf vier broers, ik zou nooit mijn broer opofferen voor iets wat ik heb geflikt. Ik liep naar Arif toe en zei: ‘Ik heb nooit begrepen waarom jij Mustafa hebt opgeofferd voor jouw smerige zaakjes.’ Hij keek me zwijgend aan en daar bleef het bij.
‘Eind 2010 ging ik met vroegpensioen. Sindsdien werk ik onder meer als vrijwilliger in een instelling voor ouderenzorg, waar ik driegangenmenu’s kook voor het hele tehuis. Op een dag kwam een van de schoonmaaksters de keuken in, druk bellend met haar mobieltje. ‘Ik hoor dat je uit Turkije komt’, zei ik. ‘Ik heb bij de recherche veel met Turkse tolken te maken gehad.’
‘Ze antwoordde: ‘Ben jij van de politie? Ken jij mijn man, Mustafa? Die is hier in een coffeeshop doodgeschoten.’ Ik was verbijsterd, en zag meteen dat beeld weer voor me van Mustafa’s angstige ogen, vlak voordat hij met kogels werd doorzeefd. En daar stond ik tegenover zijn vrouw, niet te geloven. ‘Hij is voor mijn ogen gestorven’, zei ik, en ik kreeg tranen in mijn ogen. Zij werd ook emotioneel, en vroeg of ik haar zoon, die toen 17 jaar was, wilde vertellen wat er was gebeurd. Oef, dat vond ik een heftige vraag. ‘Dat moet ik met de recherche overleggen’, reageerde ik.
‘De volgende dag belde ik haar: ‘Het lijkt de rechercheleiding geen goed idee als ik dat allemaal vertel’. Zelf vond ik dat eerlijk gezegd wel prettig – moest ík een puber gaan vertellen dat zijn oom medeschuldig was aan de dood van zijn vader? Maar zij vond het jammer. Ik heb haar daarna nooit meer gezien.
‘Je ziet, het raakt me nog steeds. Soms denk ik: ik had het haar zoon destijds toch moeten vertellen. Arif leeft inmiddels niet meer, Mustafa’s zoon zal nu 27 jaar zijn. Misschien dat hij dit leest, of zijn moeder. Als dat zo is, weten ze me te vinden.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant