Betje Wolff tartte strenge christenen en schreef samen met Aagje Deken een van de bestsellers van de 18de eeuw. Over haar radicale ideeën en haar schrijfdrift publiceerde Marita Mathijsen Een vrije geest.
schrijft voor de Volkskrant over geschiedenis.
Vrouwen die in het ‘huwelijksfuikje’ waren gezwommen, zo schreef Betje Wolff in 1787, dienden te stoffen en ander huishoudelijk werk te doen. Niet leuk, maar het hoorde erbij en echtgenotes die het handig aanpakten, waren met een uur per dag klaar. De rest van hun tijd konden ze besteden aan onderhoud van hun verstand, bijvoorbeeld door te lezen.
Dat was een radicaal idee, want Betje was geboren in 1738, toen vrouwen intellectueel niet of nauwelijks serieus werden genomen. Als het over vrouwenrechten ging, was ze haar tijd ver vooruit en ook over religie, democratie en slavernij had ze vernieuwende gedachten. Daarom noemde literatuurhistoricus Marita Mathijsen haar biografie over Betje Een vrije geest.
Het boek gaat over Betjes bewogen leven: over haar moeder die ze op haar 13de verloor, over een jonge militair met wie ze rond haar 17de van huis wegliep, over een veel latere vlucht naar Frankrijk en over beklagenswaardige laatste jaren. Maar de nadruk ligt op haar vernieuwende werken en literaire vriendschappen, inclusief het verbond met haar schrijfpartner Aagje Deken.
Betje, opgegroeid in Vlissingen, maakte naam vanuit de Middenbeemster. Daar belandde ze na haar vrijage met de militair, als echtgenote van de ruim dertig jaar oudere en veel bedaagdere dominee Adrianus Wolff. Ze ging er door haar ‘agressieve periode’, aldus Mathijsen, met teksten die orthodoxe christenen tot razernij brachten.
In een alternatieve Geloofsbelydenis bijvoorbeeld, verving ze christelijke uitgangspunten over het geloof in de heilige Vader, Zoon en Geest door de vijf positieve krachten van vrijheid, vaderland, verdraagzaamheid, vriendschap en ‘het beste’ – wat zoiets betekende als ‘genieten’. Voor orthodoxen was dat alle perken te buiten en daarom werd Betje bedolven onder woedende pamfletten. ‘De vyand is op marsch, en trekt als een leger sprinkhanen op my af’, schreef ze daarover.
Tegelijkertijd waren er bewonderaars. Want Betjes taalgevoel en schrijfdrift waren buitengewoon en maakten haar beroemd.
Zo stonden de zaken rond 1777, toen dominee Adrianus stierf en Betje kennismaakte met Aagje Deken. Met haar zou ze een eenheid worden, in haar werk en de rest van haar leven.
Vanwege de intense band tussen de vrouwen kreeg Mathijsen vaak de vraag of ze een lesbisch stel waren. Wat doet dat ertoe?, antwoordt ze in de biografie, om vervolgens toch serieus op de kwestie in te gaan.
Een aanwijzing komt uit Betjes brieven, waarin ze herhaaldelijk blijk gaf van erotische gevoelens voor jongere, getalenteerde vrouwen. Of ze daar ook naar handelde? Ze schreef er niets over. Misschien omdat zelfs zij de kwestie gênant vond. Of misschien omdat er niets gebeurde.
Daarnaast schreef het duo graag over omhelzingen en liefdesverklaringen tussen vrouwen onderling: ‘De Vriendschap van twee jonge verdienstelyke menschen van eene Seks, is geheel Zaligheid! Alles loopt schoon, en helder af.’ Maar lees daar niet te veel in, waarschuwt Mathijsen, want zo was de taal van de tijd. Vriendschappen werden hartstochtelijk bezongen. Of Betje en haar leeftijdsgenoot Aagje een seksueel stel waren, zal daarom waarschijnlijk een vraag blijven.
Hoe dan ook schreven ze samen de Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart, een briefroman over wees Sara die opgroeit zonder gezonde volwassen sturing. Ze belandt tussen losbollen, wordt bijna verkracht en kiest uiteindelijk voor een verstandig huwelijk met een degelijk type.
Een wat suf einde, denkt de hedendaagse lezer misschien, en in elk geval geen romantisch verhaal. Maar Betje en Aagje waren niet uit op romantiek. In huwelijkse kwesties voerde verstand bij hen een boventoon. Voor hun tijd waren ze vrijzinnig maar ze bleven binnen de kaders van christelijke deugdzaamheid. Niet die van de orthodoxen maar die van Nederlandse christelijke verlichters. Een huwelijk uit verstand was voor hen een uitstekende optie.
Sara Burgerhart werd een hit, maar daarna ging het bergafwaarts met de twee auteurs.
Dat gebeurde vanaf de late jaren 1780, toen democratisch gezinde ‘patriotten’ uit de Nederlandse Republiek werden verjaagd. Betje en Aagje volgden hen, naar Frankrijk. Ze vertrokken als welgestelde dames, maar gaven hun bezit in beheer bij een onbetrouwbare vriend. Dat kostte hun een kapitaal en toen volgde ook nog de Franse Revolutie. Die maakte financieel verkeer met Holland moeilijk en zo stokten hun inkomsten.
Daardoor keerden de twee na negen jaar berooid terug in het noorden, en daar volgde meer tegenslag. Hun boeken raakten uit de mode en met schrijfwerk konden ze nauwelijks nog verdienen. Bovendien kreeg Betje een uiterst pijnlijke kanker. Het raakt Mathijsen: ‘Het is voor de biograaf bijna niet te doen als die aangekomen is bij de laatste drie jaren van Betjes leven’, schrijft ze in een atypisch dramatisch deel van het boek, dat elders wat kabbelt.
Op 5 november 1804 was het voorbij. ‘De vriendschap deed mij bloedige traanen schrijjen’, schreef Aagje toen aan een vriend, om vervolgens zelf ziek te worden. Negen dagen later was ook zij dood. Ze werd bij haar vriendin begraven.
Marita Mathijsen: Een vrije geest – Het uitzonderlijke leven van Betje Wolff . Balans; 504 pagina’s; € 29,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant