Dat kunstenaar Jan Hoek als 14-jarige seks had met volwassen mannen, vond hij lange tijd zijn verdorven, maar bewuste keus. Totdat hij ging nadenken over seksueel misbruik. En aan een zoektocht begon: hoe leer je daarmee leven?
Ik heb lang gedacht dat ik, waar het seks betrof, nogal verknipt was. Dat mijn seksuele voorkeur nu eenmaal bepaalde dat ik liever vreemde mannen afwerkte in de bosjes dan dat ik een romantische relatie had. Wat ik opwindend vond was als iemand gevaarlijk was, en vooral niet te aardig.
Ik heb altijd een feilloos instinct gehad voor waar de meest Sodom en Gomorra-achtige plekjes op de wereld zich bevinden. En als ik eenmaal zo’n treurige plek had gevonden, tussen de mannen met holle blikken, tussen benevelde sekswerkers zonder tanden, een plek waar de soa’s van de muren af lijken te druipen, dan had ik het gevoel ‘eindelijk thuis’ te zijn.
Ook zocht ik vaak doelbewust het gevaar op: ik sprak in verre landen, waar homoseksualiteit strafbaar is, online af met de meest ongure figuren, die bijvoorbeeld een Rolls-Royce als online profielfoto hadden en me vervolgens drogeerden en er met mijn laptop vandoor gingen. Het bleek nooit een reden om zoiets niet nog een keer te doen.
Tegelijkertijd verlangde ik heus wel naar een romantische relatie, maar als er echt iemand voor mijn neus stond die geïnteresseerd en beschikbaar was, dan ontstond er kortsluiting. Dan vond ik zo iemand gelijk onverdraaglijk menselijk uit z’n mond ruiken.
Of zo iemand droeg T-shirts met grappige teksten erop en dan wist ik niet hoe snel ik me uit de voeten moest maken, naar een enge duistere plek om me aan te bieden aan wildvreemde mannen.
Laat het duidelijk zijn: er is niks mis met anonieme seks. En met eindeloos veel mensen seks hebben al helemaal niet. Maar ik was destructief en niet gewoon een ‘happy slut’.
Ik geloofde als puber al dat ik van nature een seksueel verdorven persoonlijkheid had. Zo rond mijn 14de, 15de ontdekte ik dat er parken waren waar mannen elkaar ontmoeten om dingen te doen die het daglicht niet kunnen verdragen.
Dit begon toen ik tijdens een wandeling overdag op een elektriciteitshuisje een tekst zag staan, iets in de trant van ‘Hallo, ik ben Peter en kom hier elke zaterdagavond om 23.00 uur en laat dan mijn pik zien’. Dat liet ik mij geen twee keer zeggen.
Vervolgens bleek daar niet alleen Peter rond te lopen, maar vele mannen die mij allemaal ongeveer hetzelfde als Peter wilden laten zien. Aan de ene kant vond ik het een magische, avontuurlijke plek. Zodra ik de bosjes inliep, belandde ik in een parallel universum waar al mijn zintuigen op scherp stonden.
Achter elke boom kon iemand staan en ik had het gevoel dat alles er kon gebeuren. Als ontluikende homo wou ik niks liever dan een piemel zien en my god daar waren er een hoop van hier. Dat ik er dan soms aan moest zitten, nam ik voor lief. Soms vond ik de mannen zo lelijk, dat ik het niet aan mezelf kon verkopen om dat gratis te doen, dan vroeg ik er 5 euro voor (hoera, een pakje sigaretten!).
Anderzijds: het was natuurlijk niet alleen maar leuk. Zodra ik uit het park kwam, voelde ik me een intens pervers kind. Ik was ervan overtuigd dat niemand ooit nog met mij zou willen omgaan als ze wisten wat ik uitspookte.
Daarnaast kwam ik tot de ontdekking dat een man die nogal op een zeeleeuw leek en die ik voor 5 euro had afgetrokken, ook hoogstwaarschijnlijk een leraar was op mijn middelbare school. Op het moment zelf had ik dat niet door, hij was niet mijn docent. Maar toen hij me na een schoolreisje een lift aanbood, dacht ik: verdomd! Jij bent die man die mij 5 euro betaalde!
Een andere keer trof ik er een man met een witte mountainbike, die tot mijn grote teleurstelling niet zijn piemel wou laten zien, maar me wel achtervolgde toen ik het park verliet. Aangezien hij geen seks wilde, leek de enige logische conclusie dat hij me wilde vermoorden. Dat dacht ik echt. Of nog erger: dat hij zou aanbellen bij mijn ouderlijk huis om daar eens goed de waarheid over hun zoon te vertellen.
Toch hield ik mezelf lang voor dat ik gewoon een onderzoekende puber was en dat dit normaal gedrag was voor een homoseksuele jongen in de kast, op zoek naar zijn identiteit.
Toen ik mijn parkavonturen eens lachend aan een vriend vertelde, riep hij geschrokken: ‘Maar Jan, je bent misbruikt!’ Wat een onzin, dacht ik, ik ging daar toch steeds zelf naartoe. Pas door de #MeToo-discussie besefte ik dat die vriend gelijk had. Die mannen waren volwassen, en ik nog maar een kind. Er was overduidelijk sprake van een ongelijke machtsverhouding en bovendien was het voor die mannen simpelweg strafbaar.
Als ik iemand van 14 of 15 jaar oud zag, dacht ik: mijn god, welke volwassene haalt het in zijn hoofd daar seks mee te hebben? Ik was inmiddels al in de dertig, en had voor het eerst in mijn leven een relatie. Maar ik begon ook in te zien dat er misschien wel een verband was tussen wat zich in de parken had afgespeeld en het feit dat ik me zo lang niet romantisch heb kunnen binden.
Ik las het boek Traumaseksualiteit van de psycho- en dramatherapeut Peter John Schouten, tevens zelf ervaringsdeskundige seksueel misbruik en oprichter van het Expertisecentrum Traumaseksuologie in Utrecht.
In het boek schrijft hij dat veel mannen (en ook vrouwen) nadat ze op jonge leeftijd misbruik hebben meegemaakt, later verlangen naar vergelijkbare situaties, zogenoemde ‘herhalingsdrang’. Die drang kan zelfs zo sterk zijn dat bijvoorbeeld een gelukkig getrouwde heteroseksuele man, die ooit misbruikt is door iemand van hetzelfde geslacht, seksuele fantasieën blijft houden over mannen en daar ook soms naar handelt.
Zo iemand heeft eigenlijk twee seksuele voorkeuren, een eigen intrinsieke seksuele voorkeur en een eentje die door het misbruik is ontstaan. Als je heel jong bent misbruikt, komt die herhalingsdrang vaak pas in de puberteit weer op.
Dus dacht ik: wat had mij er eigenlijk toe gebracht om zo jong steeds weer terug te gaan naar een plek waar ik ook zoveel afkeer van had? Was het wel zulk normaal gedrag, zelfs voor een homoseksuele jongen die benieuwd is naar piemels?
Want ik denk dat die piemels helemaal niet de hoofdreden waren dat ik er kwam (nou ja, ook wel een beetje natuurlijk), maar meer nog dat er iets zat in het gevaar, in de ongelijkheid, in het geheime en in de walging die voor mij vertrouwd voelde.
Oké, nu komt er een stukje waarop al die zogenaamde experts, opiniemakers en columnisten (hallo Max Pam) en alle andere mensen in Nederland die vinden dat je pas over seksueel misbruik mag praten als je het echt honderd procent kunt bewijzen, helemaal zullen losgaan.
Ik kreeg namelijk het vermoeden dat wat mij ertoe dreef steeds naar dat park te gaan waar ik me zo thuis voelde, eigenlijk voortkwam uit iets wat al veel eerder was gebeurd.
Ik belde mijn beide ouders om te vragen of ze zich zoiets konden voorstellen. Beiden zeiden in principe van niet, ik ging altijd met plezier naar school en naar de crèche.
Wel bleek dat ik op de crèche, wat toen heel uitzonderlijk was, een mannelijke crèchebegeleider had gehad. Ik kreeg een klassenfoto te zien, en zodra ik hem zag voelde het alsof ik brak. Ik kan het niet goed uitleggen zonder te dramatisch te klinken, maar alleen die foto maakte dat er een vloedgolf van emoties door me heen ging.
Iets in die man triggerde me enorm, en tegelijkertijd wist ik dat als hij toen in diezelfde hoedanigheid voor me zou staan, ik gelijk op m’n knieën zou springen om zijn gulp open te maken. Alsof die man een blauwdruk was van dat waar ik naar op zoek was tijdens mijn nachtelijke dwaaltochten in parkjes.
Ik en mijn beide ouders veranderden in een soort privédetectivebureau, op zoek naar meer informatie. De crèche bleek niet meer te bestaan. Online was er niets over te vinden, maar we zochten door. Lang verhaal kort: uiteindelijk kwamen we in contact met de directeur van destijds. Op de vraag of er rondom deze specifieke crècheleider weleens curieuze dingen waren gebeurd, was ze gelijk kraakhelder.
Vlak nadat ik van het kinderdagverblijf naar de basisschool was gegaan, waren er klachten binnengekomen van ouders die zich zorgen maakten over ongepast gedrag. Ze confronteerde hem hiermee en de man bekende gelijk. Ja, hij had dingen gedaan met kinderen die hij niet had mogen doen en ja, hij voelde zich seksueel aangetrokken tot minderjarigen.
Hij werd op staande voet ontslagen en daarmee was de kous af. Wel leek het toen te gaan om meisjes, en niet om jongetjes. We hebben geprobeerd verder te zoeken, maar als ik zijn naam invoerde op Facebook vond ik veertien verschillende mannen en op het minuscule profielfotootje wat je kunt zien als je nog geen Facebook-vrienden bent, leek niemand een dertig jaar oudere versie van de man op de foto van de crèche.
Ik hoopte dat de politie meer voor me zou willen uitzoeken. Misschien was de mogelijke dader allang veroordeeld. En ik hoopte dat ze gelijk die middelbareschoolleraar die zo op een zeeleeuw leek, eens wilden checken. Ik had een drie uur durende afspraak met agenten van de zedenpolitie, die tot mijn verbazing, eigenlijk heel lief waren.
Maar ze waren ook heel duidelijk: ‘Met de informatie die jij hebt, kunnen en mogen wij geen onderzoek beginnen. Je zult waarschijnlijk, net als de meeste kinderen die zoiets hebben meegemaakt, nooit de antwoorden krijgen waarnaar je zoekt.’
En: ‘Pas als je tastbaar bewijs hebt, een getuige, iemand die bekent, andere slachtoffers die willen praten, pas dan kunnen wij in actie komen.’ Huh, dus wacht eens even? Raden jullie mij nou aan om op eigen houtje zelf verder onderzoek te doen? ‘Nou nee, we raden het niet echt aan, maar het is wel de enige optie als je wil dat er iets gebeurt.’
Ik snap dat ik, met alle puzzelstukjes die ik heb verzameld, bij een rechtbank geen schijn van kans maak. Toch zijn het voor mij genoeg stukjes om ervan uit te gaan dat er op die crèche wel iets gebeurd is. Ik heb een vage herinnering dat ik soms het dubieuze voorrecht had om in de pauzes als enige binnen te mogen blijven. Ook is de crèche een plek die veel in mijn nachtmerries voorkomt.
Tegelijkertijd zal twijfel hierover waarschijnlijk altijd de kop blijven opsteken, hoewel alle therapeuten die ik sindsdien heb gehad (een voetbalstadion vol) zeggen dat ze uitgaande van mijn verhaal absoluut geloven dat het bijna niet anders kan dan dat ik het bij het juiste eind heb.
Ze zeggen dat slachtoffers van seksueel misbruik zichzelf op jonge leeftijd juist eerder systematisch proberen wijs te maken dat ze het verkeerd onthouden hadden, of zichzelf de schuld ervan geven. Ze kennen geen voorbeelden van cliënten die zichzelf het misbruik hebben wijsgemaakt.
Ik heb inmiddels geleerd dat die twijfel, die velen van ons die zoiets hebben meegemaakt met zich meedragen, niet hoeft te betekenen dat je er niet ook ten volle in kan en mag geloven.
En waar ik dus niet precies weet wat er zich op de crèche heeft afgespeeld, is het zonneklaar dat ik als puber in het park seksueel misbruik heb meegemaakt – de mannen met wie ik daar als minderjarige seks had, hebben per slot van rekening de wet overtreden.
En in deze fase wist ik plotsklaps wat ik moest doen om verlost te worden van mijn duistere perverse schaduw. Al die mannen die mij tot traumaseksueel hadden gemaakt, die kunnen daar niet zomaar mee wegkomen. Ik word pas weer gelukkig als er rechtvaardigheid plaatsvindt.
Als ik eenmaal een kop kon laten rollen van één van die mannen, zouden vanzelf al mijn verdorven seksuele verlangens uit mij wegstromen en zou mijn leven veranderen in een Disneyfilm.
De man van de crèche was niet meer te vinden, maar de zeeleeuw die op mijn middelbare school werkte, wellicht wel. Ik belde mijn oude middelbare school, die vertelde dat meneer huppeldepup hier helaas niet meer werkte, maar ze konden wel zijn adres opzoeken.
Een week later zat ik met mijn beste vriend in de auto op weg daarnaartoe. Het bleek om de hoek van het desbetreffende parkje. Ik had geen bijl of ander wapen mee, maar wel een opnameapparaat (nou ja, eigenlijk gewoon een mobiele telefoon) en ik hoopte dat hij zou bekennen en ik dan dat bewijs aan de politie kon geven.
Toen ik aankwam, zag ik al door het keukenraam dat de zeeleeuw lekker aan het kokkerellen was voor zijn vrouw. Toen ik aanbelde en hij opendeed, mijn vriend wachtte om de hoek, reageerde hij alleraardigst en verwelkomend. ‘God ja, wie ben jij ook alweer?’
Ik vroeg hem of hij met me kon meelopen, omdat ik me kon voorstellen dat hij niet zou willen dat zijn vrouw die in de huiskamer zat, ons gesprek kon horen. En dat deed hij dan ook direct, de pannen op het vuur achterlatend.
Een surrealistisch gesprek volgde, waarin hij zei zich niks te kunnen herinneren van alles wat ik me wel dacht te herinneren. Hij reageerde zowel precies zoals iemand zou reageren die onschuldig is, als precies als iemand die dondersgoed weet wat hij gedaan heeft en dat met man en macht probeert te ontkennen.
Even sloeg de twijfel toe. Had ik het toch allemaal zelf verzonnen? Ik luisterde tientallen malen naar het stiekem opgenomen audiofragment, en hoe vaker ik ernaar luisterde, hoe meer ik ervan overtuigd raakte dat hij het zeer zeker wél was.
Zo vroeg ik hem of hij zich herinnerde mij ooit in een park te zijn tegengekomen, waarop hij abrupt reageerde met: ‘Nee hoor, een park, daar weet ik helemaal niks van!’ Alsof zelfs ooit in een park te hebben gepicknickt of gewandeld iets is wat direct ontkend moet worden. En simultaan groeide ook de overtuiging dat als ik gelijk heb, ik dat nooit zal kunnen bewijzen. Wraak en vergelding zullen mij niet verlossen.
Nou ja, dat is niet helemaal waar. Zonder dat dit ooit een politiezaak gaat worden, heb ik toch mijn wraak gehad. Het is een heerlijk idee, dat als hij echt een dubbelleven leidt en ’s nachts jonge jongens in parkjes 5 euro betaalt terwijl hij les geeft op een middelbare school, en er tientallen jaren later zo’n jongen opeens voor zijn deur staat, dat hij dan waarschijnlijk nooit meer een oog dicht doet. Victorie!
Maar los daarvan leidde dit ook tot het besef dat ik de traumaseksualiteit in mezelf moet oplossen en niet afhankelijk kan zijn van wat voor dader dan ook.
Maar hoe los je dat dan op? Bij mij hielp het om te zien dat er meer mensen zijn zoals ik. Het grootste gedeelte van mijn leven waren die absoluut onzichtbaar, maar inmiddels zijn ze gewoon te vinden op Netflix.
De recent uitgekomen serie Baby Reindeer (2024) lijkt in eerste instantie over stalken te gaan, en de soms ingewikkelde relatie tussen stalker en gestalkte. Maar na een paar afleveringen zie we hoe hoofdpersoon Donny eerder in zijn leven seksueel misbruik meemaakt en zich vervolgens steeds weer aangetrokken voelt tot precies die situaties waarin opnieuw zijn grenzen worden overschreden, bijvoorbeeld door geen grenzen te stellen aan de toch ook wel enigszins charmante vrouw die hem begint te stalken in de bar waar hij werkt.
Ook in de Amerikaanse detectiveserie Unbelievable (2019) zien we hoe een volwassen vrouw na een verkrachting opeens zelf met iedereen de koffer induikt en niet snapt waarom ze zoiets nou in godsnaam doet. De vrouwelijke rechercheur in die serie stelt haar gerust: ‘Wees niet zo hard voor jezelf’, zegt ze. ‘Dit is volstrekt normaal gedrag als je een seksueel trauma hebt.’ Had iemand dat maar ooit tegen mij gezegd!
Wat mij geholpen had, was als ik op jongere leeftijd meer had geweten over traumaseksualiteit en voorbeelden had gehad van andere mensen die daarover vertellen. Dat ik had kunnen zien dat ik normaal menselijk gedrag vertoonde als reactie op trauma, en niet geboren was als een duivels, pervers kind. Ontzettend veel mensen worden seksueel misbruikt, maar over wat dat doet met je eigen seksbeleving hoor je nauwelijks iets.
Ik ging me pas echt meer normaal voelen, toen ik groepen opzocht met lotgenoten. Zo zette ik me over de weerzin heen tegen het woord ‘slachtofferhulp’, en sloot me aan bij een praatgroepje.
Het was heerlijk om met de meest uiteenlopende mensen je schroom opzij te zetten en zonder gêne te vertellen over wie je nu bent. Van een keurig studentenmeisje dat pas kan klaarkomen als mannen hun handen op haar keel zetten, tot een stoere brandweerman met een vriendin die, zodra hij alleen was, toch steeds weer toegaf aan de verleiding om homoseksuele sadomasochistische filmpjes op het internet te bekijken.
Weer een ander wilde juist nog wel romantische relaties aangaan, maar dan wel liever seksloos. En binnen deze groep waren al die nieuwe vormen van seksualiteit eigenlijk echt helemaal oké. Nou ja, niemand voelde zich oké over zijn eigen seksualiteit, maar naar elkaar waren we enorm ruimdenkend. En dat hielp weer iets zachter te zijn voor mezelf.
Ik vond het zo bevrijdend om met soortgenoten zo vrij te kunnen praten, dat ik na de laatste sessie besloot een nieuwe groep op te zetten. Dit keer met enkel kunstenaars, schrijvers en andere makers die in hun jeugd seksueel misbruik hebben meegemaakt.
Het idee was om een stap verder te gaan dan praten: we zouden er allemaal werk over gaan maken. Voor mij bleek dat een van de belangrijkste dingen die helpen: er iets mee doen. We zijn nu met zo’n twintig makers en werken naar een grote museumshow toe.
Het opvallendst vind ik in deze groep hoe zoveel leden hun trauma hebben omgezet in iets uitzonderlijks. Sommigen zijn vurige activisten geworden, die onverschrokken onrecht aan de kaak stellen. Er zijn sekswerkers bij, die juist anderen leren te genieten van seks.
Anderen hebben via het trauma zo goed geleerd hoe je door middel van fantasie een eigen binnenwereld creëert, dat ze dat scheppende vermogen nu inzetten in hun romans of schilderijen. De groep liet me zien dat mensen die seksueel misbruik hebben meegemaakt vaak niet voldoen aan het stereotype van slachtoffer, maar vaak weird zijn op een leuke manier, en buiten gebaande paden denken.
Door deze groepen leerde ik met trots te dragen dat ik door seksueel misbruik iemand anders ben geworden en dat ik – in tegenstelling tot wat de maatschappij van je verlangt – helemaal niet ‘genezen’ wil worden van mijn traumaseksualiteit. Ik denk ook dat dit helemaal niet kan. Ik denk wel dat je kunt leren liefdevoller en minder destructief om te gaan met traumaseksualiteit.
In het collectief hebben we nogal een haat-liefdeverhouding met de zorg. We hebben meerdere mensen onder ons die bijvoorbeeld dagenlange EMDR-kampen hebben meegemaakt, die peperduur waren en tegelijkertijd ervaren werden als bijna even traumatiserend als het misbruik zelf.
Die haat-liefdeverhouding deel ik. Ik heb zoveel therapeuten gehad die echt bagger waren. Of ze deden alsof er helemaal niks mis met me was, of ze legden de hele tijd uit hoe ‘een gezond iemand’ de dingen hoort te doen.
Een therapeut die me EMDR gaf, praatte zoveel over zijn eigen krokettenverslaving dat ik deze therapievorm nu voor altijd associeer met de Febo. Maar uiteindelijk heb ik toch ook ervaren dat die ene goede therapeut het verschil kan maken. Al leerde die me vooral dat ik het leven gewoon zelf aankan.
Met het vormen van zo’n collectief besefte ik extra dat het hulpverleningscircuit niet zaligmakend is, en er alternatieve methoden van hulp zijn die je zelf kunt organiseren.
Pas nadat ik ergens rond mijn 30ste geaccepteerd had dat ik nu eenmaal duistere seksuele verlangens had, kreeg ik mijn eerste serieuze relatie. En dat werd zowaar een monogame relatie en dat ging ook nog eens lang goed. Het bleek echt heel fijn om te merken dat ik ertoe in staat was en dat de liefde niet zo onmogelijk bleek als ik dacht.
Inmiddels ben ik een relatie verder en ben ik met iemand met wie ik intimiteit kan beleven, maar bij wie er ook ruimte is voor mijn traumaseksualiteit. En wat sommige dingen betreft hebben we besloten dat ik die lekker buiten de deur mag zoeken.
Ik heb leren accepteren dat de traumaseksualiteit waarschijnlijk voor altijd in mij zal blijven, en dat zal met vallen en opstaan ook altijd frustrerend blijven. Net zoals dat trauma nooit helemaal zal verdwijnen, maar je er hoogstens mee leert leven.
Tegelijkertijd heb ik ook geleerd dat je traumaseksueel en gelukkig kunt zijn. En ook dat het bevrijdend is alle gêne hierover overboord te gooien, hoe ongemakkelijk dat voor anderen soms ook is. Ik geloof zelfs dat hierover praten essentieel is om meer seksueel misbruik te voorkomen.
Verlangens die zo diep ondergronds gaan, zullen op de meest lelijke wijze toch hun weg naar buiten weten te vinden. Als mensen mij nu vragen naar mijn seksuele voorkeur, zeg ik vol trots: ‘Ik ben Jan Hoek en ik ben traumaseksueel.’
Saac Amsterdam is een kunstenaarscollectief met zo’n twintig makers met een seksueelmisbruikverleden. In februari 2025 opent het collectief een museumshow genaamd ‘I Think U Did Something To Me And Now It’s In Everything I Do and See’ in museum Het Nieuwe Domein in Sittard.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant