Home

Twee Oekraïense schrijvers onderzoeken wat een schrijver in oorlogstijd nog kan betekenen

De meeste schrijvers in Oekraïne zijn tegenwoordig harder op zoek naar wapens en ander materieel dan naar inspiratie of uitgevers, schrijven Oleksandr Myched en Andrej Koerkov in de boeken die ze desondanks schreven, en die nu zijn vertaald.

Ze leiden normale levens in Hostomel, een voorstad van Kyiv: ontbijten met eggs benedict in hun favoriete café Monocle, op zondag een wandeling door het bos met hond Lisa en ’s avonds ‘kookt Olenka iets lekkers: garnalencurry’, aldus de Oekraïense schrijver Oleksandr Myched (Kyiv, 1988) in De taal van oorlog, zijn boek over het eerste jaar na de grootschalige Russische invasie van Oekraïne.

En dan, op 24 februari 2022, verandert alles. Russische troepen bereiken binnen een dag hun wijk en zaaien er dood en verderf. Myched en zijn vrouw weten te ontkomen voordat de Russen hun appartementencomplex binnenstormen en de bewoners met kalasjnikovs op de knieën dwingen.

Over de auteur
Paul Alexander is slavist.

‘Het is me niet gelukt mijn thuis te beschermen’, noteert hij in ontsteltenis vier dagen later vanuit Tsjernivtsi in West-Oekraïne, waar ze een heenkomen hebben gevonden. ‘Ik vond de juiste woorden niet om mijn ouders over te halen hun nieuwe woning in Boetsja te verlaten. Dus hebben ze de horror van de bezetting en onophoudelijke beschietingen moeten meemaken.’ De ouders brengen ruim twee weken in kelders door voor het lukt hen te evacueren.

Taal van literatuur heeft afgedaan

Wat kan een schrijver die nog nooit een wapen heeft vastgehouden betekenen als het aankomt op het verdedigen van het eigen land? Myched zoekt in zijn boek naarstig naar een antwoord. De taal van literatuur heeft in elk geval afgedaan in deze nieuwe realiteit. Weg is het geloof in ‘de mogelijkheid van escapisme naar een verzonnen wereld, nu de enige werkelijkheid van mijn enige leven in de hens staat’, schrijft Myched. ‘Schrijvers zijn niet op zoek naar inspiratie of uitgevers, maar naar materieel en financiële middelen om de eenheden aan het front te ondersteunen’, zo formuleert Andrej Koerkov het.

Het is het lot van een hele generatie Oekraïense schrijvers. In plaats van literatuur te creëren vechten ze aan het front, of ze sluiten zich als vrijwilliger aan bij de territoriale eenheden of ze dienen als oorlogsverslaggever – alles om bij te dragen aan de Oekraïense oorlogsinspanning. En toch ook publiceren ze boeken over hun ervaringen aan de frontlinie of elders in het land in oorlog.

Twee titels verschenen recentelijk in Nederlandse vertaling – naast het boek van Myched ook Onze dagelijkse oorlog van Andrej Koerkov (1961).

Myched beschrijft in De taal van oorlog hoe hij zich in Tsjernivtsi aanmeldt bij de strijdkrachten en zich ook tot taak stelt als ‘chroniqueur’ alles vast te leggen, ‘elk vergrijp, elke misdaad van de Russische bezetters. (...) Omdat het allemaal bewijzen zijn voor de tribunalen. Omdat het brokjes zijn van een werkelijkheid die door merg en been gaat.’

Het boek is daarmee een kroniek van woede, pijn en verbijstering – niet altijd makkelijk te verteren, zo recht voor zijn raap als hij het opschrijft: pagina’s lange opsommingen van Russische gruweldaden, de effecten van de oorlog op kinderen en de vernietiging die hij bij terugkeer aanschouwt na de verdrijving van de Russen uit de Kyivse voorsteden – in zijn eigen huis en in het Boetsja van zijn ouders.

‘De taal van oorlog is rechtlijnig als een bevel dat geen dubbelzinnigheid verdraagt en geen uitleg behoeft’, schrijft hij. ‘We spreken duidelijker, kortaf, met uitgebeende zinnen, om elkaars tijd te sparen en onze gesprekken vol te stoppen met informatie. Geen gejammer. Geen retorische vragen.’

Rasverteller van absurditeiten en tragische levens

Mijn dagelijkse oorlog is geschreven vanuit een heel andere positie. Koerkov is met zijn 63 jaar niet meer oproepbaar voor het leger en kan gewoon naar het buitenland reizen, in tegenstelling tot mannen tussen de 18 en 60 jaar. Hij vraagt op internationale podia aandacht voor de Oekraïense zaak, zoals op de Veiligheidsconferentie van München of voor de American Academy of Arts and Letters in New York.

Hij zit niet in een loopgraaf, zo houdt hij de lezer voor. Hij zoekt zijn eigen front op. ‘Daarom schrijf en denk ik sinds februari vorig jaar over de oorlog, dag in dag uit. Ik omring mezelf met oorlog en laat de gruwelijke ellende binnenkomen.’ En: ‘De literatuur moet maar tot na de oorlog wachten.’

Zijn verslag van het verloop van de twee eerste oorlogsjaren bestrijkt gebeurtenissen die veelal in het nieuws zijn geweest. Hij weet er wel elke keer weer een eigen invulling en een eigen draai aan te geven en blijft de rasverteller van absurditeiten en tragische levens en laat je alle hoeken van het land in oorlog zien.

Oneindig aantal levens

Met veel van de verhalen die beide auteurs aanhalen zou je met gemak hele romans kunnen vullen. Myched laat een journalist aan het woord die voor 2014 in Loehansk in een mortuarium werkte en na februari 2022 meehelpt met het identificeren van de gevonden lichamen uit de Oekraïense massagraven.

Maar de tragiek van de oorlog is dat het een oneindig aantal levens verwoest. Het is onmogelijk lang bij de ene tragedie stil te staan, want er moeten zo veel andere tragedies gedocumenteerd worden. ‘Het recht moe te worden van schrijven over de oorlog zal ik pas hebben als de oorlog voorbij is en de laatste Russische soldaat het Oekraïense grondgebied heeft verlaten’, noteert Koerkov.

Oekraïense identiteit

Koerkov is Oekraïnes bestverkopende auteur – ironisch omdat hij een etnische Rus is. In tegenstelling tot veel andere schrijvers die eerst in het Russisch schreven maar in 2014, na de bezetting van de Krim en de oorlog in de Donbas, en zeker vanaf februari 2022 ervoor kozen in het Oekraïens te schrijven, blijft hij in het Russisch schrijven, wat hem niet door iedereen in dank wordt afgenomen.

Maar Koerkov woont bijna zijn gehele leven in Oekraïne en omschrijft zichzelf als een van de variëteiten van de Oekraïense identiteit. ‘Ik vorm liever mijn eigen mening dan me achter de meerderheid te scharen. Voor mij is vrijheid – met name die van meningsuiting en creativiteit – belangrijker dan geld en stabiliteit. Ik ben het zelden eens met het beleid van een regering en sta altijd klaar om de kritiek te leveren.’ Kortom, allemaal eigenschappen van de ideale Oekraïner, zo sneert hij richting de patriottische critici.

Het is precies die Oekraïense identiteit die al de geschiedenis lang door Rusland onder vuur wordt genomen, benadrukken beide auteurs herhaaldelijk. En telkens weer is de grote buur erop uit de Oekraïense literatuur te vernietigen. Zo verbood in de 19de eeuw de tsaar per decreet publicaties in het Oekraïens. En onder Stalin werd in de jaren dertig al een hele generatie Oekraïense schrijvers uitgeroeid, wat bekendstaat als de Geëxecuteerde Renaissance.

De afgelopen dertig jaar van onafhankelijkheid lieten een opleving zien van Oekraïense literatuur. Oude schrijvers werden herontdekt, nieuwe schrijvers dienden zich aan. Nu vernietigen de Russen opnieuw bibliotheken en schrijvershuizen, verbranden ze boeken in de bezette regio’s en hebben er alweer talloze figuren uit het literaire bedrijf het leven gelaten: schrijvers, uitgevers, bibliothecarissen.

Koerkov en Myched zien het als hun missie die identiteit en de literatuur te beschermen. Myched heeft inmiddels alweer een nieuw boek gepubliceerd, ditmaal niet met verhalen over de oorlog, maar over Oekraïense schrijverslevens uit het verleden. ‘Literatuur redt geen levens, behalve als ze dat wel doet’, schrijft hij aan het einde van het boek. Want zijn slotsom na een jaar gruwelijke Russische agressie is dat schrijven voor hem als reddingsboei fungeert.

Andrej Koerkov: Onze dagelijkse oorlog. Uit het Engels vertaald door Anne-Marie Vervelde. Balans; 329 pagina’s; € 24,99.

Oleksandr Myched: De taal van oorlog. Uit het Oekraïens vertaald door Tobias Wals. Mazirel Pers; 272 pagina’s; € 24,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next