Nu Israël en Hezbollah een broos staakt-het-vuren zijn overeengekomen, keren tienduizenden Libanese gezinnen huiswaarts. Onder hen zijn houtimporteur Ali en zijn familie. ‘Nu ik thuis ben, keert ook mijn ziel terug.’
is correspondent Midden-Oosten van de Volkskrant. Hij woont in Beiroet. Voor dit verhaal reisde hij naar het zuiden van Libanon.
Door de glooiende heuvels van Zuid-Libanon rijdt een witte BMW, afgeladen vol. Er liggen drie matrassen, een kleed en een opklapbed op het dak gebonden, en op de achterbank is het proppen met twee kinderen, een huishoudelijke hulp en een grootmoeder. Voorin zit de moeder van het gezin, met de tweeling naast haar.
De kinderen zijn uitgelaten, bij vlagen euforisch. De gele vlag van Hezbollah wappert uit het raam. Om hen heen leggen honderden andere gezinnen dezelfde triomftocht af. Naar dit moment hebben de gezinsleden uitgekeken. Nu er een staakt-het-vuren is met Israël, kunnen ze eindelijk terug naar huis, twee maanden nadat ze eind september halsoverkop hun thuisdorp Shehabiyeh moesten ontvluchten.
Achter het stuur zit pater familias Ali (47), een ondernemer die een klein fortuin heeft verdiend met de import van hout. Vanwege de gespannen situatie wil hij niet met zijn volledige naam in de krant. Hij is vandaag iets te nerveus om mee te doen aan alle pret op de achterbank.
Behendig stuurt Ali langs de restanten van de oorlog: uitgebrande auto’s, woonflats waar niets van over is. Het aantal kapotgeschoten huizen in heel Libanon wordt geschat op honderdduizend. Hij vraagt zich af hoe groot de verwoesting zal zijn in z’n thuisdorp, op slechts 15 kilometer van de Israëlische grens. Het is bekend dat Hezbollah vanuit de heuvels rond Shehabiyeh raketten afschoot, met als gevolg dat het dorp in de vuurlinie belandde.
In het hele land is opluchting voelbaar, maar ook onzekerheid. Of de huidige kalmte van lange duur is, durft niemand te voorspellen. Het staakt-het-vuren tussen Hezbollah en Israël, nauwelijks 72 uur oud, piept en kraakt. Donderdag beschoot het Israëlische leger naar eigen zeggen een raketopslagplaats nabij de stad Sidon met een drone. Vrijdag volgden nieuwe schendingen.
Er zijn zo’n zestig dorpen aan de grens waarvan Israël niet wil dat er überhaupt Libanezen naar terugkeren. Het Israëlische leger houdt zich daar op. De bedoeling is dat het zich ‘gefaseerd’ terugtrekt, om plaats te maken voor het (neutrale) Libanese leger.
Minstens zo onduidelijk is hoe het verder moet met Hezbollah, de militante beweging die als een moederkloek waakt over een groot deel van de sjiitische moslims (ruwweg een derde van de bevolking), maar die tegelijk geïsoleerd is geraakt op het Libanese politieke toneel.
De tekst van het bestand biedt de optie van een verregaande ontwapening van Hezbollah, maar eigenlijk is het Libanese leger daar te zwak voor. Voor Hezbollah zou zo’n scenario neerkomen op capitulatie, een totale vernedering. Als zelfbenoemd ‘verzet’ tegen het machtige duo Israël-Amerika kan Hezbollah niet zonder zijn raketten.
De Amerikaanse president Joe Biden sprak deze week de hoop uit dat het bestand ‘permanent’ wordt, maar voorlopig heeft het meer weg van een adempauze. De Israëlische premier Benjamin Netanyahu waarschuwde dat zijn leger bereid is tot een ‘intensieve oorlog’ in geval van schendingen door Hezbollah. Het bestand kan, zo liet hij doorschemeren, van korte duur blijken.
Ali’s BMW heeft intussen de hobbelige straatjes van Shehabiyeh bereikt, met aan weerszijden akkers vol olijfbomen. Dan gaat er een hek open en rijdt de auto een erf op. De kinderen springen eruit. De oudste van de vier, Lara (23), omarmt het hout van de voordeur, en veegt haar ogen droog.
Haar 60-jarige grootmoeder, Imm Mohammed (‘moeder van Mohammed’), zet haar hand aan de mond en stoot kreten (‘luu-luu-luu-luu’) uit die steevast klinken bij feesten en bruiloften. Iedereen mag horen dat het gezin thuis is.
Abbas en Jawad, de 7-jarige tweelingbroers, sprinten de trap op van de fraaie middenklassewoning. De rest inspecteert de schade. Door een bombardement verderop in de straat liggen de glazen balkondeuren aan diggelen, net als de ramen in de meeste slaapkamers. Ali staat al op het dak. ‘De zonnepanelen zijn kapot’, roept hij naar beneden. ‘Ik denk dat we daarom geen stroom hebben.’
Vergeleken met de zware schade aan sommige andere huizen hebben ze geluk gehad. ‘God zij geprezen’, prevelt de grootmoeder, terwijl het gezin op de tuinmeubels neerploft. Midi, de huishoudelijke hulp uit Ethiopië, serveert koffie en vers fruit. Moeder Fatin (38) stopt appeltabak in de shisha’s en neuriet een verzetsliedje. Ze zegt: ‘Nu ik thuis ben, keert mijn ziel ook terug.’
Haar kinderen vonden het maar niks in Bchamoun, het bergdorp waar ze gedurende de oorlog een tijdelijk onderkomen huurden. Lara: ‘We kenden daar niemand. De buren klaagden de hele tijd dat we te veel lawaai maakten.’ Balak (17), de jongste dochter: ‘Heet water was er niet, we moesten koud douchen.’
Boven de tuin verschijnt een waterig zonnetje. Het constante gezoem van Israëlische drones is weg. Kleine Abbas propt zijn mond vol met aardbeien. Als er verderop een deur iets te hard dichtknalt, maakt hij een sprongetje van schrik. ‘Gaan ze nog een keer bombarderen?’ ‘Nee lieverd’, zegt zijn moeder geruststellend, ‘niks aan de hand.’
Terwijl Ali telefoontjes pleegt om een stroomgenerator te regelen, komen buurtgenoten langs met de laatste roddels. Ze zeggen dat een lokale Syrische dagloner tijdens de oorlog achterbleef en langs de verlaten huizen stroopte om overal juwelen te stelen. Te verifiëren valt dat niet, maar het is niet de eerste keer dat Syrische vluchtelingen in Libanon de schuld krijgen van onheil.
Er schuiven ook twee neven aan, Hadi en Ali junior, beiden nog geen 30 jaar. In hun nog jonge bestaan hebben ze twee oorlogen meegemaakt met Israël (de vorige was in 2006), en eigenlijk zijn ze het beu. Minstens tien huizen in Shehabiyeh liggen volgens Ali junior in puin. Het heeft iets bevreemdends om die op te bouwen, in de wetenschap dat de volgende ronde verwoestingen wellicht al aanstaande is.
En dus zegt Ali junior iets dat je zelden hoort uit de mond van een zuiderling in Libanon. ‘Ik denk dat het tijd is om vrede te sluiten. Ook al weet ik dat andere generaties dat anders zien.’
‘Misschien kunnen we een deal sluiten zoals Jordanië die met Israël heeft’, valt Hadi hem bij. ‘We hebben rust nodig.’ ‘Er zijn andere manieren om Israël te bestrijden’, vult Ali junior aan. ‘Niet met wapens, maar met een sterke economie.’
Onder Libanezen valt dit sentiment vaker te beluisteren, maar dan vooral bij andere groepen zoals soennieten, druzen en maronieten, van wie sommigen recht tegenover Hezbollah staan. Van sjiitische moslims hoor je het zelden, wat niet wegneemt dat een kentering denkbaar is.
Een van de grootste zorgen voor Hezbollah is dat de achterban gaat morren, zegt analist Nicholas Blanford, schrijver van een boek over de beweging. Die zorgen zijn vooral verknoopt met het vraagstuk van de wederopbouw. ‘Als ontheemde gezinnen over zes tot negen maanden nog steeds zonder huis zitten, zullen ze Hezbollah de schuld gaan geven. De beweging weet dat haast geboden is.’
Ali senior is het volledig oneens met zijn neven. Zijn generatie is groot geworden met de Palestijnse kwestie als centraal thema in de Libanese politiek. Toen hij 5 jaar oud was, in 1982, vielen de Israëliërs al binnen. Koppig: ‘Zolang het zionisme zal bestaan, zal voor ons het probleem blijven bestaan. Vrede is ondenkbaar. Israël droomt voortdurend van een Groot-Israël, inclusief het zuiden van Libanon.’
Recentelijk verscheen een opiniestuk op de website van de Jerusalem Post waarin een oud-communicatieadviseur van Netanyahu aan de hand van Bijbelcitaten betoogde dat zuidelijk Libanon eigenlijk aan Israël toebehoort.
Enkele dagen later trok een omstreden archeoloog, volledig in camouflagekleding, met een legerbataljon de grens over naar Libanon, kennelijk met het doel om Bijbels erfgoed te bestuderen. Hij werd door Hezbollah gedood.
Militair mag Israël altijd oppermachtig zijn geweest, het is er zelden in geslaagd om die successen om te zetten in politiek-strategische veranderingen. De oorlog in Gaza, door een VN-commissie aangemerkt als genocide, ettert voort. Zolang Israël zijn bezetting van de Palestijnse gebieden niet stopzet, zal een deel van Libanon nooit een vredesdeal willen tekenen. De kans dat Israëls vierde Libanon-oorlog in een halve eeuw de laatste was, is daarom klein.
In Shehabiyeh gaat de zon onder. Op haar telefoon heeft moeder Fatin het nieuws gelezen over de Israëlische schendingen van het bestand. In het dorp mag het kalm zijn, het lukt haar niet om de angst helemaal te laten varen. ‘Misschien wordt het opnieuw oorlog.’
Dan maakt het gezin zich op voor de nacht. Zonder ramen en elektrische kachels belooft het flink koud te worden. Maar ze zijn in elk geval weer thuis.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant