Home

‘Ik mag niet week worden’, schreef de Joodse kamparts, omringd door ziekte en dood

Na de oorlog noteerde arts Isaac Cohensius zijn herinneringen aan de concentratiekampen, waar hij jarenlang patiënten probeerde te helpen. Nu is zijn verslag in boekvorm verschenen. ‘De mensen sterven mij voor de ogen en ik kan niets doen.’

is wetenschapsredacteur van de Volkskrant en schrijft over gezondheid.

Drie dagen nadat Isaac Cohensius in de zomer van 1942 in Utrecht zijn artseneed had afgelegd, kreeg hij zijn eerste baan: transportarts op een trein met Joodse gevangenen naar Auschwitz. Bij vertrek uit Westerbork was hij nog vol goede moed, hij zou kampdokter worden, van zijn laatste geld had hij een koffer vol verband en geneesmiddelen gekocht.

Drie dagen later stopte de trein in het stadje Cosel, 80 kilometer ten westen van Auschwitz. Isaac werd uit de trein gehaald, samen met andere arbeidsgeschikte mannen. Zijn vrouw Ester zag hij nooit meer terug.

Over wat er daarna gebeurde, zou hij na de bevrijding gedetailleerd verslag doen, op honderden losse blaadjes. Deze week zijn de oorlogsherinneringen van de jonge dokter uit het Zuid-Hollandse Oude Tonge in boekvorm verschenen. Het is een kroniek over medische zorg onder ondenkbare omstandigheden.

Dwangarbeid

Er zijn meer Joodse artsen die de Holocaust overleefden en erover getuigden. Maar de memoires van Cohensius gaan over kampen die nauwelijks bekend zijn. In de laatste maanden van 1942 hielden de nazi’s op het perron van Cosel 39 treinen aan en stuurden de mannen naar dwangarbeiderskampen in het zuidwesten van Polen. Daar moesten ze onder barre omstandigheden werken op bouwplaatsen en in fabrieken.

Van de naar schatting 3.400 Nederlandse mannen uit die Coseltransporten, overleefden er slechts 193 de oorlog. Isaac Cohensius realiseerde zich dat zijn medische opleiding hem waarschijnlijk het leven had gered. Hij hoefde geen fysiek zwaar werk te doen, maar mocht zich bezighouden met de ziekenzorg, een voorrecht dat bij andere dwangarbeiders afgunst opwekte.

Maar dokter zijn met slechts een handvol aspirientjes en een paar rolletjes verband was voor Cohensius een bezoeking. De zorgplicht voor zijn patiënten drukte zwaar op hem. De mannen liepen op hun kapotte schoenen ernstige infecties op, die hij niet kon verhelpen. Bevroren ledematen moest hij amputeren zonder verdoving, beenbreuken verhelpen zonder gips.

‘Ik mag niet week worden’

Zijn Krankenstube raakte overvol, Cohensius werkte dag en nacht. Maar ook hij leed zo’n honger dat hij wankelend op zijn benen stond. Voor verdriet schermde hij zich af, zoals blijkt uit een ontroerende passage over een Rotterdamse handelsreiziger, die hem op zijn sterfbed foto’s gaf van zijn vrouw en kinderen.

Hij vroeg Cohensius die terug te bezorgen en te zeggen dat hij van ze hield. ‘Ik mag niet week worden. Hard zijn, volhouden, volhouden. Als ik maar een ogenblik zwakte toon, geven de anderen de moed ook op en dan zijn we allen reddeloos verloren.’

De foto’s zijn verdwenen. ‘Aan wie had ik ze ook moeten geven?’, schreef Cohensius na de oorlog. Toen de handelsreiziger stierf, was zijn gezin allang vermoord.

Na de vijftigste dode, een zachtaardige intellectueel die werd doodgeslagen, huilde Cohensius voor het eerst, en het laatst. ‘De mensen sterven mij voor de ogen en ik ben hun arts en kan niets doen’, noteerde hij.

Trefzeker

Schrijver Daniël van den Bos, die het boek bezorgde, vermoedt dat Cohensius al in de kampen heimelijk aantekeningen maakte, zo trefzeker is zijn verhaal. ‘De nazi’s waren bang voor besmettelijke ziektes, ze durfden zijn kliniekje vaak niet te bezoeken.’

Van den Bos kwam bij toeval op het spoor van de memoires nadat hij in 2019 een wandeltocht in Israël had willen lopen en een overnachting boekte bij Mickey Cohensius, de zoon van Isaac. Vanwege corona ging de tocht niet door, maar de twee hielden contact.

Isaac Cohensius verhuisde een paar jaar na de bevrijding naar Israël met zijn tweede vrouw Frieda, die hij in een kamp had leren kennen. Na zijn dood, in 1993, schonk zijn weduwe zijn handgeschreven getuigenis aan een Holocaustmuseum. Zijn twee kinderen, die geen Nederlands spreken, bleven onwetend over wat hij had meegemaakt; Isaac had er met hen nooit over gesproken.

Sprankje menselijkheid

Van den Bos bood aan de tekst in het Engels te vertalen. ‘Tijdens het lezen besefte ik dat het verhaal van Isaac een veel groter publiek verdient. In de hel waar hij leefde wist hij een sprankje menselijkheid te bewaren. Daar kunnen wij van leren.’ Toen de kinderen Cohensius lazen wat hun vader in de oorlog had doorstaan, zijn ze een tijdlang van de kaart geweest, vertelt Van den Bos.

Cohensius’ verslag eindigt in maart 1943, bij zijn deportatie naar kamp Blechhammer. Toen was hij inmiddels een cynisch man geworden: ‘Geen hond bekommert zich om ons.’

Dat gevoel zou nooit meer weggaan. ‘Isaac was diep teleurgesteld over de houding van Nederland’, zegt Van den Bos. Hij had, bij hoge uitzondering, in augustus 1942 kamp Westerbork mogen verlaten om zijn laatste examens te doen, maar moest zich wel elke dag melden bij de vreemdelingenpolitie in Utrecht.

Van den Bos: ‘Dat heeft hij met vette letters getypt. Wat moest een Nederlander bij de vreemdelingenpolitie?’ Na de bevrijding hielp hij de overheid volop bij de repatriëring van Nederlanders, maar het duurde jaren voordat hij over de documenten kon beschikken die hij zelf nodig had.

Vermoedelijk ontbrak het Cohensius aan tijd en energie om zijn oorlogsherinneringen af te ronden, zegt Van den Bos. Eenmaal in Israël zette hij zich in om eindelijk wél een volwaardig arts voor zijn patiënten te zijn. Hij werd gynaecoloog en bekommerde zich om de zuigelingenzorg in Arabische dorpen. Hij leerde er speciaal Arabisch voor.

Isaac Cohensius, Kampdokter in dwangarbeiderskampen onder de rook van Auschwitz. Uitgeverij Verbum. 192 pagina’s. € 24,50

3x Isaac Cohensius

In de aanwezigheid van drie van Isaacs kleinkinderen is deze maand in Utrecht een struikelsteen gelegd voor de arts en zijn eerste, vermoorde, vrouw Ester.

Als arts moest Cohensius in de kampen de doodsoorzaak van gevangenen noteren en hij ontdekte al snel dat overal een vervalste nomenclatuur werd gebezigd. Zo moest hij verhongering benoemen als ‘hartzwakte’ en kwam ‘doodgeslagen met de geweerkolf’ te boek te staan als ‘een hersenschudding’.

Dankzij de inzet van de Limburgse onderzoekers Herman en Annelies van Rens is acht jaar geleden op het station van Cosel (tegenwoordig het Poolse Koźle) een gedenkteken onthuld ter nagedachtenis aan de duizenden mannen die daar uit de trein werden gehaald.

Source: Volkskrant

Previous

Next