Ik liep door zo’n buurt waar men een eeuw geleden de arbeiders poogde te verheffen. De ene helft van die verheven arbeiders is inmiddels naar Purmerend en Almere vertrokken om plaats te maken voor drie-keer-modaal-stelletjes met dure kinderwagens; de andere helft van die arbeiders woont er nog steeds, dat wil zeggen, hun (achter)kleinkinderen, die trouwens allang geen arbeiders meer zijn, maar kapsters, zorgpersoneel of uitbaters van een matrassenpaleis.
Een gezellige buurt, kortom, vooral bij mooi weer; maar nu druilde het uit een lijkgrauwe hemel en J.C. Bloem drensde in mijn hoofd: ‘Het regent en het is november/ Weer keert het najaar en belaagt/ Het hart dat droef maar steeds gewender/ Zijn heimelijke pijnen draagt’, et cetera.
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Kortom, de thuisblijvers kregen weer groot gelijk. Juist wilde ik op mijn druipende fiets stappen toen er een deur openging en een vrouw naar buiten stapte. Ze was jong en voluptueus, met lange, zwarte krullen. Ze zag eruit als het Zigeunermeisje van Torino, u weet wel, met die rode omslagdoek, poppenwimpers en zwoegende boezem, smakelijk smeulende kitsch uit de jaren zestig; alleen droeg dít meisje een dikke jas, want het regende en het was november.
Vanonder een caféluifel kwam er een man aanlopen, begin 40 en breed als een dokwerker. Hij pakte de vrouw bij haar schouder en sprak op hoge toon: ‘Nou is het godverdomme afgelopen. Je gaat gewoon mee’. Geschrokken keek ik toe. ‘Laat me los!’, riep de vrouw, geheel volgens het boekje. Ze schudde de man van zich af en liep door, maar hij haalde haar in en riep: ‘Nee, jij gaat nu gewoon met mij mee. Klaar.’
Nu moest ik dus gaan ingrijpen, bedacht ik, maar hoe dan, I’m a writer, not a fighter, toen er, goddank, een jongen uit de slagerij naar buiten kwam die zich vóór de vrouw opstelde en haar belager kalm toevoegde: ‘Laat dat meissie met rust’.
‘Bemoei je met je eigen zaken’ antwoordde de dokwerker. De jongen herhaalde, nog steeds bedaard: ‘Laat dat meissie met rust.’ Hij had wel lef, want hij was een stuk tengerder dan die andere vent. Er kwamen steeds meer mensen aanlopen om het opstootje gade te slaan. Het meisje wachtte met doffe blik af. De dokwerker greep haar nogmaals bij de schouder, maar de jongen duwde hem weg en zei, nu iets dreigender: ‘Laat. Dat. Meissie. Met. Rust’.
Nu gaan ze knokken, dacht ik, maar nee, dat doen ze alleen in films. De dokwerker liet zijn hand zakken, en sprak, met gebroken stem: ‘Dat is geen meissie. Dat is mijn vrouw.’
En hij droop af, de regen in. Het was nog steeds november.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant