Home

Hoe het Kröller-Müller Museum een Japanse sterarchitect strikte voor een uitbreiding. En toen zijn plan afschoot

Het Kröller-Müller Museum in Otterlo zou een spectaculaire uitbreiding krijgen: een nieuw gebouw getekend door de Japanse toparchitect Tadao Ando, zijn eerste ontwerp in Nederland. De komst van Benno Tempel als directeur, eind vorig jaar, veranderde alles.

Met ‘lood in de schoenen’ namen ze gedrieën het vliegtuig naar Osaka, op 9 april 2024. Benno Tempel, de kersverse directeur van het Kröller-Müller Museum in Otterlo, moet met zijn zakelijk leider en zijn hoofd bouwteam een vervelende mededeling overbrengen aan de gevierde Japanse architect Tadao Ando (83).

Ruim een half jaar later vertelt hij erover in zijn werkkamer, die uitzicht biedt op de fameuze beeldentuin van het Kröller-Müller. Bij de herinnering aan die netelige reis perst hij lucht door zijn samengeknepen lippen, wat klinkt als het briesen van een paard: ‘Pffrrr.’

Tadao Ando realiseerde wereldwijd tal van bijzondere projecten en won de Pritzkerprijs, de Nobelprijs voor architecten. Hij had een losstaand gebouw ontworpen naast het museum voor moderne en hedendaagse kunst in Het Nationale Park De Hoge Veluwe. Dat zou zijn eerste creatie in Nederland worden.

De uitbreiding was volgens het Kröller-Müller hard nodig, omdat de kunstinstelling te weinig ruimte heeft om de collectie te laten zien. Die is wereldvermaard, vooral vanwege de vele Van Goghs die het museum bezit. Voor het tonen van de aangekochte kunst van na de Tweede Wereldoorlog was echter te weinig plek. Ook de entreeruimte was in de loop der jaren te krap geworden.

In de tweede helft van 2023 – Benno Tempel was nog niet aangetreden als directeur – had het Kröller-Müller voor het eerst schetsen en artist’s impressions van Ando’s ontwerp laten zien in drie (dure) advertentiebijlagen bij NRC. Daaruit viel op te maken dat een stuk bos aan de linkerkant van het museum zou worden gekapt voor de uitbreiding, een glazen paviljoen met ondergrondse ticket- en ontvangstruimten, plus tentoonstellingszalen.

Volgens de ronkende advertentiebijlagen zou het nieuwe gebouw van de ‘Caravaggio van de hedendaagse architectuur’, zoals Ando werd genoemd, een ‘kerk naast de kathedraal’ worden. In een aan te leggen vijver was een waterval gepland, ‘die zo een van de museumzalen in lijkt te stromen’. Voor de nieuwbouw en de bestaande museumgebouwen zou een lange betonmuur worden opgetrokken. ‘Pas door de opening in die muur te passeren wordt het hele complex onthuld. Dan gaat het doek open. Ando is behalve architect ook dramaturg.’

De keuze voor de Japanner had nogal wat stof doen opwaaien. Toen het Kröller-Müller in 2018 bekendmaakte dat Ando was benaderd voor de uitbreiding, had dat tot protest van Nederlandse architecten geleid. Omdat het Kröller-Müller een rijksmuseum is, ging het om een overheidsopdracht. Die had openbaar aanbesteed moeten worden, luidde de kritiek, zodat ook andere architecten hadden kunnen meedingen.

De meeste aandacht trokken enkele columns van architect Marjolein van Eig op de site Architectenweb. Zij hekelde daarin de gevolgde procedure en de keuze voor een ‘ouwe starchitect’. Ook zette zij vraagtekens bij Ando’s uitverkiezing vanwege diens voorliefde voor het gebruik van beton. ‘We weten toch allemaal dat beton een van de vervuilendste bouwmaterialen op aarde is?’

Het museum was echter bij zijn keuze gebleven. Het stelde dat een gebouw van de beroemde Tadao Ando, het eerste in Nederland, een enorme aantrekkingskracht zou uitoefenen. Bovendien vond het Kröller-Müller dat het zelf een architect mag kiezen, net zoals het museum opdrachten aan kunstenaars geeft om een kunstwerk te vervaardigen.

Ando was extra geschikt omdat het museum, met het oog op de omringende natuur, een grotendeels ondergrondse uitbreiding wilde. De architect ontwierp eerder drie ondergrondse musea op het eiland Naoshima in de Japanse Binnenzee. Die zijn zo beroemd dat Naoshima nu in de volksmond het ‘Museumeiland’ heet.

Op 1 november 2023 trad Benno Tempel aan als directeur. Voor het eerst kon hij in detail de uitbreidingsplannen bestuderen – tijdens de sollicitatieperiode waren die niet gedeeld. Tempel had al enige ervaring met bouwprojecten: tijdens zijn directeurschap van het Kunstmuseum Den Haag was bijvoorbeeld de grote binnentuin overkapt. Hij heeft niet alleen kunstgeschiedenis gestudeerd, maar is ook architectuurhistoricus.

In januari kwam hij tot een opzienbarende conclusie: een losstaand gebouw in de natuur naast het museum wordt heel lastig. Ando was in 2017 door het museum benaderd. ‘Toen was het een ander Nederland’, aldus Tempel. ‘Er was nog geen stikstofcrisis (sinds 2019 moeten natuurgebieden beter worden beschermd tegende uitstoot van stikstof, red.). We hebben geconcludeerd: dit ontwerp kan niet meer. We moeten terug naar Ando vanwege de stikstofaanscherpingen.’

U trad aan toen de stikstofcrisis al vier jaar oud was. Trof u een lijk in de kast aan?

‘Het is zeker geen lijk. Ik heb zelf gezegd: dit kan niet. Er lagen onderzoeken over hoe de bouw van Ando’s ontwerp zich zou verhouden tot CO2-normen en Natura 2000 (het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden waarvan de Veluwe deel uitmaakt, red.). Het was mij zonneklaar dat het zó ingewikkeld zou worden. Ik heb gezegd: laten we het onszelf makkelijker maken. We moeten de blik richten op wat we echt nodig hebben.’

In iets meer dan twee maanden na uw aantreden heeft u besloten: het ontwerp gaat niet door?

‘Niet alleen ik, ook het team.’

Maar dat team was al jaren met het plan bezig.

‘Vreemde ogen dwingen. Ik heb gewoon vragen gesteld: als dit of dat, wat dan? Als je antwoorden krijgt, gaan die elkaar aanvullen. Je komt er gezamenlijk.’

Was het voorbarig dat het ontwerp van Ando al met de buitenwereld was gedeeld?

‘Dat weet ik niet. Het is ook goed dat mensen reikhalzend ergens naar uitkijken.’

Tempel wist zijn raad van toezicht te overtuigen dat het ontwerp van Ando moest worden veranderd. Hij maakte met het bouwteam een presentatie om het besluit goed aan de Japanner te kunnen uitleggen. Er moest een alternatief plan komen, maar de kans bestond dat Ando zou afhaken nu zijn ontwerp in de prullenbak lag. ‘Ga maar eens aan een sterarchitect vertellen dat we zijn plan in Nederland nooit meer voor elkaar krijgen’, zegt hij nu.

Er werd een afspraak met de architect gemaakt op zijn kantoor in Osaka. Ando wist niet waarom er opeens een delegatie uit Nederland kwam. Misschien willen de Nederlanders, grapte hij tegen een medewerker, de beroemde kersenbloesems zien bloeien.

‘We waren enorm gespannen’, herinnert Tempel zich. Tot immense opluchting van de Nederlandse delegatie nam de Japanner de slechte tijding goed op. ‘Hij had er alle begrip voor. Hij begreep dat er dingen veranderen in de wereld, dat we inmiddels meer duurzaam moeten bouwen. Ik denk dat het met een andere architect niet was gelukt. Hij houdt echt van dit project.’

Tempel laat op zijn telefoon een foto zien van de drie Nederlanders en Ando, kort na de bespreking. ‘Je ziet dat ik hier heel erg blij lach en hele rode wangen heb. Zo spannend vond ik het.’ De architect, toen 82 jaar oud, ging terug naar de tekentafel.

De museumdirecteur hoopt in januari een nieuw voorlopig ontwerp te ontvangen. Dat zal ‘veel beter’ zijn, stelt hij op basis van al gemaakte schetsen. Niet langer is er sprake van een apart Ando-gebouw – een wens die het museum zo vurig koesterde. De vijver en de betonnen muur zijn ook geschrapt. Het herziene plan bevat louter uitbreidingen van het bestaande complex, zoals de Nederlandse architect Wim Quist een halve eeuw geleden ook toevoegingen ontwierp aan het museumgebouw dat door zijn Belgische beroepsgenoot Henry Van de Velde was getekend.

Aan de huidige ingang wordt een paviljoen gebouwd om de entreeruimte te vergroten. Aan de noordkant wordt het museum uitgebreid met een tentoonstellingszaal. Aan de zuidkant komen ondergrondse collectiezalen die deels natuurlijk licht krijgen en onder meer uitzicht bieden op een ‘watergalerij’, water dat vanuit een klein bassin naar beneden stroomt. Boven deze ruimten wordt een tuin aangelegd.

Ook wordt ingezet op een duurzamere verbouwing. ‘We kijken hoe we bijvoorbeeld CO2-neutraal beton kunnen maken, onder meer door afgegraven zand te gebruiken.’ Tijdens de verbouwing blijft een deel van het museum open en worden er meer tentoonstellingen en activiteiten georganiseerd in de beeldentuin.

De kosten zijn gestegen door de opgelopen vertraging, erkent Tempel. ‘Maar het project wordt kleiner.’ Volgens de oorspronkelijke plannen werd het museum met 12.000 vierkante meter uitgebreid. Daarvan blijft nu, stelt hij, 10.000 vierkante meter over. ‘Met slagen om de arm kunnen we halverwege 2026 met de verbouwing beginnen, als de vergunningen zijn afgegeven. Naar verwachting zijn we dan eind 2029 klaar.’

Wie op de huidige entree afloopt, ziet op een glazen ruit een metershoge foto van Helene Kröller-Müller (1869-1939). Dat het museum bestaat, is aan haar te danken. De collectie die zij bijeenbracht werd aan de Nederlandse staat geschonken onder de voorwaarde dat er een publiek toegankelijk museum zou komen.

Op de foto zit de kunstverzamelaar te paard in ruiterkostuum. Vanonder haar hoed kijkt ze de fotograaf en dus nu het publiek strak aan. Een korte toelichting meldt dat zij aan de basis staat van collectie en museum. Het is Tempels idee om haar zo voor het voetlicht te brengen.

De aandacht voor haar levensverhaal is enorm toegenomen. Dezelfde ruiterfoto prijkt op de omslag van De eeuwigheid verzameld, de prijswinnende biografie van Eva Rovers uit 2010 die al aan zijn tiende druk toe is. Onlangs is ook nog een uitvoerige levensbeschrijving verschenen van de negentien jaar jongere Sam van Deventer, die voor haar een zielsverwant en gedroomde zoon was.

Eerder was al een boek uitgebracht over Helenes echtgenoot, de opportunistische zakenman Anton Kröller. Van Deventer was een trouwe assistent van hem. Tempel: ‘Het verhaal van Helene is natuurlijk ongelooflijk, een soort Hollywood in Nederland.’ Daarmee doelt hij onder meer op de complexe verhouding tussen de drie: ‘Op allerlei manieren zit daar zo veel juice in.’

Hoewel haar biografie niet in het Engels is vertaald, begint haar naam ook in het buitenland luider te klinken. In september volgend jaar opent in de National Gallery in Londen de tentoonstelling Radical Harmony: Helene Kröller-Müller’s Neo-Impressionists, waarvoor een van de topstukken wordt uitgeleend: Le Chahut (1889-1890) van Georges Seurat. Een star loan heet dat in de aankondiging van het Britse museum. Die bevat niet alleen een foto van dat schilderij, maar ook een van Helene Kröller-Müller zelf, bladerend in een kunstcatalogus.

Helene Kröller-Müller staat volop in de spotlight. Er zijn zelfs plannen voor een aan haar gewijd museum in Ede: Artbase.

‘Ja, de gemeente Ede wil meer doen met cultuur en er is een leegstaande kazerne pal naast het station Ede-Wageningen. Daar moet in de toekomst een experience-achtige ruimte komen. Ik zou het geen Helene Kröller-Müller Museum noemen, maar ze dient wel als inspiratie.’

Hoe komt het dat zij als persoon steeds belangrijker wordt? Speelt de recent toegenomen aandacht voor emancipatie mee, dat we nu interesse hebben in een vrouwelijke verzamelaar?

‘Ja, maar ik denk niet dat dat verklaart waarom haar verhaal zó aanslaat. Ik denk dat het komt omdat ze een inspirerend levensverhaal heeft.’

Dankzij de juice, zoals u dat noemde?

‘Als je de biografieën leest, denk je: jeetje, wat een geld hadden ze. De architect Rem Koolhaas heeft mooi in zijn boek Delirious New York beschreven dat een aantal mensen in dat tijdvak relatief gezien zo vermogend was dat huidige figuren als Bill Gates niet meer de top tien zouden halen.’

Eva Rovers beschrijft in haar biografie smakelijk hoe Helene Kröller-Müller aan het begin van de vorige eeuw ‘in adembenemend tempo’ kunstaankopen deed: ‘Er brak een tijd aan waarin zij Picasso’s en Mondriaans kocht, zoals andere dames zich hoeden en handtassen aanmaten.’ Tempel benadrukt dat zij zich onderscheidde van andere rijkaards: ‘Helene kocht met visie. Dat maakt haar inspirerend. Ze verzamelde niet encyclopedisch, zoals haar tijdgenoten deden. Die wilden gewoon van alles wat hebben.’

Niet alleen de National Gallery zal aandacht aan Helene Kröller-Müller besteden. Tempel voert ook gesprekken met een museum in Parijs over een tentoonstelling waarin zij eveneens een belangrijke rol speelt. Hij mag nog niets verklappen, maar uit zijn hint (‘Centre Pompidou is dicht, dus dan is er maar één over...’) valt op te maken dat het om Musée d’Orsay gaat, het museum dat beroemd is vanwege zijn collectie impressionistische kunst. Ondertussen probeert Tempel ook interesse in Duitsland te wekken: ‘Daar weten ze vaak niet eens dat Helene van oorsprong Duits was.’

Door haar meer op de voorgrond te plaatsen ontstaat geleidelijk een nieuw exportproduct voor het museum, zoals Vincent van Gogh dat al veel langer is. Met 88 schilderijen en ruim 180 tekeningen van zijn hand heeft het Kröller-Müller de tweede grootste collectie ter wereld, na het Van Gogh Museum in Amsterdam. Aan de populariteit van de Nederlandse schilder lijkt geen einde te komen. Een Van Gogh-tentoonstelling die nu in de National Gallery in Londen is te zien (met ook schilderijen van het Kröller-Müller), is een groot succes.

Als het museum op de Veluwe straks wordt verbouwd, reist een veel groter deel van de Van Gogh-collectie naar Japan. Er zijn in 2026 tentoonstellingen gepland in Tokio, Fukushima en Kobe, die Grand Van Gogh Exhibition zullen heten. Het geld dat dit oplevert, kan goed worden gebruikt voor de verbouwing. Tempel trekt een vergelijking met eind jaren vijftig van de vorige eeuw. Toenmalig directeur Bram Hammacher wilde een beeldentuin laten aanleggen: ‘Hammacher had ook geld nodig en heeft de Van Goghs door Japan laten reizen. Met dat geld is de beeldentuin aangelegd. In die zin herhaalt de geschiedenis zich.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next