Home

Gaan we met het vervroegen van de leeftijd voor darmkankerscreening levens redden of zorg verspillen?

Onlangs is de discussie over het vervroegen van darmkankerscreening, van 55 naar 50 jaar, weer opgelaaid. Het idee om darmkanker eerder op te sporen, klinkt logisch en wenselijk. Het roept gevoelens op van controle en veiligheid. Van baat het niet, dan schaadt het niemand. Was het maar zo simpel. Achter het verzenden van een buisje poep voor een simpel testje, schuilt een complexe discussie over overdiagnostiek, medische kosten en verdringing van zorg in een overbelast zorgsysteem. Een discussie die vraagt om een zorgvuldige afweging van voor- en nadelen, met oog voor de bredere context van de gezondheidszorg.

Sinds de invoering van het bevolkingsonderzoek is de sterfte door darmkanker afgenomen en worden minder gevallen van uitgezaaide darmkanker vastgesteld. Dit is positief nieuws, al biedt het bevolkingsonderzoek geen absolute zekerheid. De FOBT-test, waarbij ontlasting in het laboratorium wordt onderzocht, heeft beperkingen: bij ongeveer 30 procent van de gevallen waarin darmkanker aanwezig is, wordt deze niet gedetecteerd. Dit betekent dat een deel van de deelnemers ten onrechte gerustgesteld wordt en zich op een later moment via het reguliere zorgtraject meldt.

Daarnaast zijn er foutpositieve uitslagen. Bij meer dan 60 procent van de mensen met een afwijkende FOBT-test blijkt bij verder onderzoek, zoals een coloscopie, geen afwijking aanwezig te zijn. Omdat de kans op darmkanker bij mensen tussen de 50 en 55 jaar relatief klein is, zou een uitbreiding van de screeningsleeftijd kunnen leiden tot meer onterechte doorverwijzingen. Dit brengt niet alleen kosten met zich mee, maar legt ook extra druk op de toch al schaarse zorgcapaciteit.

Over de auteur
Danka Stuijver is huisarts en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

In mijn spreekkamer zag ik een jongen van eind twintig die zich de laatste tijd vermoeid voelde en pijnlijke aften in zijn mond had. Hoewel hij niet was afgevallen en geen andere klachten had, zei mijn gevoel: ‘niet pluis.’ Het huisartsenlab toonde milde bloedarmoede. Ik besloot hem door te verwijzen naar een maag-, darm- en lever (MDL)arts, maar mijn verwijzing werd geweigerd. De specialist adviseerde eerst wat ijzer te geven en drie maanden af te wachten. Er waren tenslotte geen alarmsymptomen, en door de lange wachttijden bij de MDL werd er strenger geselecteerd bij triage.

Toen de bloedarmoede ondanks ijzersuppletie niet verbeterde en hij inmiddels drie kilo was afgevallen, werd de verwijzing alsnog geaccepteerd, maar hij belandde alsnog op een wachtlijst van 150 dagen. Acht maanden later werd de diagnose ‘ziekte van Crohn’ gesteld, een ernstige darmziekte waarbij vroege diagnose en behandeling erg belangrijk zijn.

Wat ik moeilijk te verkroppen vind, is dat ik in die periode van ongeveer tien patiënten hoorde dat zij via het bevolkingsonderzoek voor darmkanker waren doorverwezen voor verder onderzoek. Gelukkig bleek bij geen van hen sprake van darmkanker, maar allen werden veel sneller geholpen (coloscopie binnen 14 dagen) dan de jongen met de ziekte van Crohn. Ook als je bedenkt dat een aanzienlijk percentage darmkankerpatiënten buiten het bevolkingsonderzoek om wordt gediagnosticeerd, begrijp je dat goede toegang tot zorg via de reguliere route van cruciaal belang blijft.

Een ander aandachtspunt bij het bevolkingsonderzoek naar darmkanker is dat, hoewel het programma bijdraagt aan een daling van het aantal mensen dat vroegtijdig overlijdt aan darmkanker, nog niet vaststaat of dit ook leidt tot een verbeterde levensverwachting. Sommige deskundigen wijzen erop dat, zelfs wanneer vroegtijdige sterfte door darmkanker wordt voorkomen, mensen mogelijk alsnog overlijden aan andere aandoeningen zoals een hartinfarct of beroerte. Dit komt omdat zowel darmkanker als hart- en vaatziekten vaak verband houden met een ongezonde leefstijl en de consumptie van bewerkt voedsel.

Jaarlijks wordt in Nederland zo’n 100 miljoen euro uitgegeven aan darmkankerscreening, een bedrag dat zal stijgen als ook de groep 50-55 jaar moet worden meegenomen. Ondertussen worden de budgetten voor bredere preventieprogramma’s, zoals gezonde voeding en beweging, steeds beperkter. Dit roept de vraag op of de huidige verdeling van middelen, met een sterke focus op vroegdiagnostiek en secundaire preventie, in balans is met het potentiële gezondheidsvoordeel van een grotere investering in primaire preventie.

Hoewel de Gezondheidsraad heeft aanbevolen om de startleeftijd voor darmkankerscreening te verlagen naar 50 jaar, brengt dit uitdagingen en beperkingen met zich mee. Het vinden van een balans tussen vroegdiagnostiek en het effectief inzetten van beperkte zorgmiddelen in ons solidaire zorgstelsel, is daarbij het pijnpunt. Het verlagen van de screeningsleeftijd zonder de benodigde zorginfrastructuur te verbeteren, kan wel eens leiden tot meer problemen dan we kunnen oplossen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next