Het regende, de tram liet op zich wachten, en intussen probeerde ik kauwgum van mijn schoen te verwijderen met een Febo-servetje, wat niet lukte. Naast mij stond een knappe jongen van een jaar of 18, met donker, stug haar, waar ergens in zijn voorgeslacht de wind uit de Balkan doorheen geruist had. Hij nam juist zijn telefoon op. ‘Ha mam’, sprak hij gelaten. (...) ‘In de stad’ (...) Ik heb een nieuwe jas gehaald.’
‘Gekócht, zul je bedoelen’, mopperde ik zachtjes. Mijn eigen zoons praten ook zo en ik erger me daar dood aan. Als ze een nieuwe jas, schoenen, ja, zelfs een telefoon of horloge gaan kopen, van geld waarvoor ze hard hebben gewerkt, noemen ze het ‘halen’, alsof het een pak melk betreft.
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Het klinkt ontzettend patserig, alsof ze zwemmen in het geld, quod non. ‘Niks halen’, roep ik dan. ‘Halen, ja, de koekoek. Of bakzeil, of een frisse neus, of het bloed onder mijn nagels vandaan. Dát haal je. Maar geen nieuwe jas. Die kóóp je.’
‘Ja, een soort parka’, zei de jongen, terwijl hij liefdevol over zijn nieuwe jas streek. ‘Zwart. Een goeie deal. Nou, mam, zie je later, ik....’ (...) ‘Wat? Ehm...’ Ik zag hem paniekerig nadenken, met zijn mooie kop. ‘120 euro’, blufte hij. ‘Echt een héle goeie deal.’
Ik wierp een blik op de jas. Die was van een bekend merk, met dons gevoerd, en moest 4- à 500 euro gekost hebben. Ik weet dat, omdat mijn kinderen hun hele jeugd om die jassen hebben gezeurd. Ik heb niks tegen smijten met geld, indien voorradig, maar ik trek de grens bij kleren van een zogenaamd ‘goed merk’ waarvoor je je blauw betaalt om erbij te lopen als een reclamezuil.
‘Bij H&M koop je precies dezelfde voor een kwart van de prijs’, zei ik dan altijd. ‘Trouwens, er hangt hier nog een prima jas waar neef David uit is gegroeid. Wat nou, verkeerde kleur? Wat is er verkeerd aan rood?!’ Mijn kinderen hebben me intens geminacht en vervloekt, maar ik hield voet bij stuk. Ze zijn nu volwassen en mogen het zelf uitzoeken, maar de Balkanjongen blijkbaar niet.
‘Mam. Please’, zei de jongen. Gegeneerd keek hij om zich heen. ‘Oké, oké’, zuchtte hij, en richtte de camera van zijn telefoon op zijn nieuwe jas. ‘Mooi toch?’, vervolgde hij. ‘Lekker warm ook.’(...) ‘Wat?! Nee, dat is geen plastic! Dat is, hoe heet die stof ook alweer. Jezus, mam, ik mag toch zelf wel weten wat ik van mijn eigen verdiende.... Mam! ik moet gaan, daar is mijn tram!’
De tram, daarentegen, was in geen velden of wegen te bekennen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant