Home

‘Zeven jaar na mijn emigratie ging ik naar Nederland om een vrouw te zoeken’

John Posthumus is 100 jaar. Wat dreef de boerenzoon uit Friesland op zijn 24ste naar Canada?

John Posthumus woont op Wolfe Island, een van de Thousands Islands aan de oostkant van het Ontariomeer in Canada. Op dit 29 kilometer lange eiland met zo’n 1.400 inwoners en 86 windmolens, kocht de 100-jarige in Friesland geboren boerenzoon ruim 70 jaar geleden een huisje met een oude schuur. Na jaren zwoegen en sparen kon hij er gaan boeren, een droom die hem in 1949 in zijn uppie naar Canada dreef, met 50 gulden op zak.

Posthumus woont in een van de vijf appartementen van een minicomplex voor ouderen, vlak bij een kleine medische hulppost en – tot zijn afgrijzen – een begraafplaats. Het uitzicht vanuit zijn woonkamer reikt ver en heeft vele herfsttinten. Aan aanloop van familie en vrienden heeft de eeuweling geen gebrek. Drie van zijn zeven kinderen zijn op het eiland blijven wonen. Zijn zoon Gary brengt hem elke ochtend een kop koffie en zorgt er met zijn vrouw Heather voor dat het hem aan niets ontbreekt.

Hoe ziet uw dagelijks leven eruit?

‘Elke ochtend voer ik de vogels, lees boeken en tijdschriften, zoals Dutch, the Magazine, een maandblad voor Nederlanders in Canada. Na mijn ontbijt ga ik achter mijn spinnewiel zitten om wol te spinnen. Dit ambacht leerde ik in oorlogstijd om aan geld te komen en ben ik daarna als hobby blijven doen. De bollen geef ik aan mensen die er mutsen en wanten en vesten van breien, die zij op hun beurt doneren aan daklozen.

‘De laatste tijd komen veel jeugdherinneringen naar boven. Die houden mij uit mijn slaap. Spinnen maakt mij rustig, dan denk ik nergens aan, want ik moet me goed concentreren.’

Hoe waren uw jeugdjaren?

‘Ik ben een Fries, opgegroeid op een boerderij in een gezin van tien kinderen. Mijn vader dronk veel en was vaak weg – dan ging hij met zijn vrienden kaarten voor geld. Het werk op de boerderij liet hij grotendeels over aan zijn kinderen. Vanaf mijn 6de was het mijn taak onze 18 koeien te melken, dat ging in die tijd nog met de hand. Daarvoor moest ik elke ochtend om 4 uur opstaan. Op school viel ik vaak in slaap, het was ook nog een uur lopen daarnaartoe. Als een van onze merries drachtig was, moest ik naast haar in de schuur slapen om haar te begeleiden zodra ze ging bevallen. Deed ik mijn werk volgens mijn vader niet goed, dan moest ik het bezuren.

‘Naast het gedrag van mijn vader lig ik de laatste tijd ’s nachts ook wakker van mijn oorlogsjaren bij de ondergrondse. We voerden allerlei sabotageacties uit tegen de Duitsers. Er was kameraadschap in onze groep, maar ik heb ook angstige momenten gekend, waarop de Duitsers mij bijna te pakken hadden. Zoals die winter dat ik in het donker over een vaart schaatste – dat was een handige manier om je te verplaatsen zonder sporen achter te laten. Plotseling zag ik drie mannen van de Grüne Polizei met herdershonden patrouilleren. Ik ging snel onder een bruggetje staan en met bonzend hart hoorde ik ze over de brug lopen. Ik sliep dan weer hier en daar weer daar, in een hooizolder bij een boer of in een kuil in een weiland. Die koude nachten in een kuil komen ook terug in mijn dromen.’

Wat was voor u de reden om naar Canada te emigreren?

‘Ik wilde boer worden, maar in Nederland was dat onmogelijk, omdat ik niet de vereiste diploma’s had en niet genoeg geld om land te kopen. Door de ruilverkaveling voor schaalvergroting in de landbouw van na de oorlog, was het voor veel jongeren moeilijk om een boerenbedrijf te beginnen. In landen als Australië en Canada waren er wel mogelijkheden. Na de oorlog heb ik vier jaar hard gewerkt, eerst als boerenknecht in Groningen en daarna twee jaar in de Noordoostpolder: onkruid wieden, graan zaaien en oogsten. Zodra ik 750 gulden had gespaard, boekte ik in 1949 een enkele reis naar Canada. Met 50 gulden op zak stapte ik in de Flying Dutchman, de eerste vlucht met emigranten die kant op. De meesten gingen met de boot. Via de hervormde kerk had ik een sponsor in Canada toegewezen gekregen, Bill Woods, een boer in Tweed, een dorp in Ontario, bij wie ik de eerste maanden kon wonen en werken.’

Wilde u ook weg uit Nederland vanwege uw vader?

‘Dat was eigenlijk de belangrijkste reden. Ik kon hem niet verdragen. Het was ook nog zo dat ik door zijn slechte reputatie geen meisje kon krijgen. Ik had een paar keer een meisje ontmoet, maar zodra haar familie hoorde wie mijn vader was, bleek er niets meer mogelijk.’

Wat voor werk heeft u de eerste jaren in Canada gedaan?

‘Je kunt beter vragen wat ik níét heb gedaan! Na een paar maanden vertrok ik bij de boer en reisde van de ene plek naar de andere, op zoek naar werk. In de zomer plukte ik tomaten, hielp ik boeren hooien en graan oogsten. Een paar winters ging ik houthakken in de sneeuw en vrieskou. Met andere Nederlandse en Poolse immigranten sliepen we in blokhutten, waar elke twee uur iemand de wacht moest houden bij het houtvuur. Ik heb kantoren schoongemaakt, in een motorenfabriek aan de lopende band gestaan, auto’s en vrachtwagens gelakt, in een slagerij en een kaasfabriek gewerkt. En niet te vergeten in een houtzagerij, waar ik planken uit boomstammen moest zagen. De herrie daar heeft mijn gehoor beschadigd. Een angstig moment beleefde ik toen ik bekneld raakte in de zaagmachine. Een collega zag het en kon net op tijd de machine uit zetten. Anders waren er twee Johns geweest.

‘In 1950 had ik geld geleend om een huisje zonder water en elektriciteit en een oude schuur te kunnen kopen op Wolfe Island, waar de prijzen lager waren dan op het vasteland. Met spaargeld uit al mijn baantjes had ik na vijf jaar de lening van 3.000 dollar afgelost en kon ik gaan investeren in de aankoop van grond, machines en vee – en eindelijk fulltime gaan boeren. Makkelijk was dat niet. Van de 200 kippen die ik had gekocht, verloor ik er bij zwaar onweer 150. Mijn broer Jelle kwam ook op Wolfe Island wonen, en later twee zussen, Gepkje en Fiekje, en zo begon ik mij thuis te voelen in Canada.’

Wanneer ging u voor het eerst weer terug naar Nederland?

‘Na zeven jaar, in 1956. Ik zocht mijn familie en vrienden in Friesland op en ging uit. Het gerucht ging dat ik was teruggekomen om een vrouw te zoeken.’

En, klopte dat gerucht?

‘Inderdaad hoopte ik een vrouw te vinden. Nu was ik boer, maar een boer zonder vrouw is geen goede boer. Ik was een beroerde kok en had er genoeg van elke dag brood en bonen te eten. Ik kende nog een meisje van vroeger, Sjaakje. Ze woonde met haar zoontje bij haar ouders, die in Friesland bekendstonden als goede boeren. Ik ging er langs. Het was geen liefde op het eerste gezicht, maar ik kon goed met Sjaakje opschieten, en hoorde dat ze een melkdiploma had. Zodra ik weer terug was in Canada, begonnen we met brieven schrijven, na twee jaar liet ze weten naar Canada te willen emigreren met haar zoontje Jan. We trouwden en kregen samen nog zes kinderen. Sjaakje was een goede boerin, een goede moeder en geliefd bij iedereen.’

Wist u het verhaal achter haar aanvankelijke alleenstaande moederschap?

‘Nee, zij heeft mij er niets over verteld en ik vroeg er niet naar. Jan maakte als vanzelfsprekend deel uit van ons gezin. Ik heb altijd gezegd dat ik zeven kinderen heb.’

Welke lessen heeft u geleerd van uw emigratie?

‘Dat je met hard werken, alles aanpakken en doorzettingsvermogen een nieuw bestaan kunt opbouwen in een ander land. De eerste jaren kende ik moeilijke perioden, vooral het werk in de winter in de houthakkerskampen was zwaar, maar ik wist waarvoor ik het deed: sparen om mijn eigen boerenbedrijf te beginnen.

‘Ook heb ik ondervonden dat er slechte mensen bestaan en je het beste op jezelf kunt vertrouwen. Toen ik een zomer met de trein naar Edmonton in Alberta wilde om boeren te helpen met de graanoogst, vroeg ik een vriend op Wolfe Island voor mijn vee te zorgen. Weer terug bleek dat hij was gestopt met mijn koeien melken en ze naar mijn buurman had gebracht. Van de acht zeugen en zeventig biggen die ik had, waren nog zeven biggen over. Hij had ze allemaal laten loslopen in de wei en het gros was weggelopen. De man die ik als vriend beschouwde, bleek een oplichter.’

Heeft uw vader ooit gezegd dat hij trots was op wat u in Canada heeft bereikt?

‘Nee, nooit, maar ik vermoed dat hij dat wel tegen anderen heeft gezegd. Het is mij dan wel gelukt een eigen boerenbedrijf te runnen, maar vraag mij niet hoe. Rijk ben ik niet geworden, maar ik verdiende genoeg om mijn gezin ervan te onderhouden. Uiteindelijk heb ik hier op het eiland nog twee boerenbedrijven erbij kunnen kopen, die hebben twee van mijn zoons overgenomen. Het telen van sojabonen heb ik hier geïntroduceerd en ik ben jaren actief geweest in belangenorganisaties voor agrariërs. Ik vind dat ik al met al veel voor elkaar heb gekregen als koppige Fries, want een Fries ben ik altijd gebleven.’

John (Jan) Posthumus

geboren: 16 november 1924 in Hoornsterzwaag

woont: zelfstandig, op Wolfe Island, Canada

beroep: boer

familie: zeven kinderen, 16 kleinkinderen, 14 achterkleinkinderen

geëmigreerd: 19 mei 1949

weduwnaar sinds 2000

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next