Home

Het Laakkwartier in Den Haag werd ooit een ‘massale opslagplaats van minderbedeelden’ genoemd

Op de muur van de Galleria aan het Slachthuisplein in het Haagse Laakkwartier staat het gedicht ‘Bril’ in witte letters op een muur van rode bakstenen. ‘Ik zoek / mijn roze bril. / Ik ben hem al een tijdje kwijt / En wat ik zie, / is grauwe werkelijkheid. / Dan krijg ik / van mijn kleine meid, / haar eigen roze bril. / Wat ik nu zie, / wellicht gekleurd, / verwondert mij.’

Misschien onbedoeld is dit gedicht van de in het Laakkwartier woonachtige dichteres Nelly Lausberg van Os een treffend commentaar op de nieuwbouwwijk die omstreeks 1990 op het voormalige slachthuisterrein is gebouwd. Want de flatgebouwen, rijtjeshuizen, basisschool, stadsdeelkantoor en bedrijfsruimtes op het negen hectare tellende voormalige slachthuisterrein vormen een ongekend grauw en afschrikwekkend stadsdeel.

De grimmigheid van de nieuwbouwwijk op het slachthuisterrein kondigt zich al van verre aan. Wie op bijvoorbeeld het Leeghwaterplein staat, ziet in de verte aan het water van de Laakhaven de Lamel staan, een intimiderende, kaarsrechte ‘woonmuur’ met een lengte van meer dan een halve kilometer en een hoogte van een meter of vijftig. Met zijn acht, met rode bakstenen beklede torens en twee grote poorten lijkt de kolos met bijna 500 sociale huurwoningen op een onneembare burcht aan de drukke, vier autobanen tellende Neherkade.

Van dichtbij gezien is de moloch nog grimmiger. De dubbelhoge onderste verdieping bestaat uit bedrijfsruimtes waarin voornamelijk van nature smoezelige autoreparatiebedrijven zitten. De twee verdiepingen erboven worden in beslag genomen door een parkeergarage met 460 parkeerplaatsen. Tussen de autobedrijven op de begane grond zijn twaalf armetierige entrees gepropt, met liften die voeren naar de galerijen met hoge, groene kruishekwerken.

Toen de Lamel in 1991 als eerste gebouw van de nieuwe slachthuiswijk werd opgeleverd, was de kritiek vernietigend. ‘Een massale opslagplaats van minderbedeelden in de samenleving die met zijn allen een geluidswal vormen’, noemden de critici Hilde de Haan en Ids Haagsma de woonmuur in de Volkskrant. ‘Het gebouw staat er uitsluitend om zichzelf, om het gebaar dat het zou betekenen.’ De gevels zijn ‘dodelijk saai’, vonden ze, ‘de galerijen nodigen ondanks hun manshoge groene tralies uit tot zelfdoding’.

Nauwelijks zonlicht

Ook de woningen in de burcht zijn ondeugdelijk, stelde architect Peter Drijver al in 1988 vast toen hij de plattegronden van de woningen in de Lamel zag. De woonkamers van 22 vierkante meter krijgen bijvoorbeeld nauwelijks zonlicht door de ver uitstekende balkons van de woningen erboven, voorspelde hij in het tijdschrift Kridelahe. Voor gezinnen zijn de woningen ongeschikt, vond Drijver: ‘De woningen zijn te groot om begraven te worden en te klein om te overleven.’

Vreemd genoeg is de Lamel van de hand van Aldo Rossi (1931-1997), de Italiaanse architect die ook het Bonnefantenmuseum in Maastricht heeft ontworpen. In de jaren zeventig was Rossi bekend geworden als een van de pioniers van het postmodernisme. Vooral door zijn boek L’architettura della città had hij de reputatie gekregen van een gevoelige architect die oog had voor de schoonheid en complexiteit van oude steden. In dit vrijwel onleesbare boek vol quasi-wetenschappelijk gestamel maakt Rossi duidelijk dat een ‘mooie stad goede architectuur is’. En voor goede architectuur moet een architect rekening houden met de genius loci oftewel de ‘geest van de plaats’ en de bestaande stedelijke ‘context’. In De architectuur van de stad keert hij zich dan ook nadrukkelijk tegen wat hij het ‘naïeve functionalisme’ noemt. Geïnspireerd door de oersimpele stedenbouw van Le Corbusier hadden de naïef functionalistische stedenbouwers na de Tweede Wereldoorlog overal in Europa grote delen van oude steden laten slopen om plaats te maken voor snelwegen, kantoorkolossen en hoogbouw.

Aldo Rossi was aan het werk gezet door de Haagse PvdA-wethouder stadsvernieuwing Adri Duivesteijn (1950-2023). In de tweede helft van de jaren tachtig wilde de ambitieuze architectuurliefhebber Duivesteijn af van de eentonige, schrale woningblokken die sinds 1975 waren gebouwd in het kader van de stadsvernieuwing. Hij wilde ‘Architectuur met een hoofdletter A’ en liet niet alleen Rossi bouwen in het oude, door functionalistische sloopwoede geteisterde Den Haag, maar ook tal van andere buitenlandse, veelal postmoderne architecten, onder wie de Belg Charles Vandenhove (1927-2019).

Troosteloze rijtjeshuizen

Toen De Haan en Haagsma in 1991 de ‘Milanese huurkazerne’ met de grond gelijk maakten, hadden ze de hoop dat de nog te bouwen delen van de wijk op het slachthuisterrein beter zouden worden dan de Lamel. Rossi was tenslotte een grote naam en had, getuige De architectuur van de stad, goede bedoelingen. Maar ook in de rest van de wijk volgde Rossi niet zijn eigen theorie en liet hij de architectuur niet aansluiten op de bakstenen huizenblokken uit de jaren twintig en dertig in het Laakkwartier. Achter de monsterlijke galerijflat liet hij opnieuw gebouwtypes bouwen waarmee de naïeve functionalisten Nederland in de wederopbouwtijd hadden volgezet. Zo staan er achter de Lamel blokken galerij- en portieketageflats die vier groene hoven vormen waartoe hekken de toegang versperren. Verderop ligt de brede, alleen voor voetgangers toegankelijke Thijssestraat die uitkomt op de Galleria, de oude veehal van ijzer en glas die is omgebouwd tot het centrum van de wijk en onderdak biedt aan onder meer het stadskantoor van het Laakkwartier. Met bijvoorbeeld platanen had de wandelstraat een mediterrane promenade kunnen zijn. Maar meer dan een kale, met zwarte en witte stenen bestrate vlakte waarop enkele treurige bomen staan, is de Thijssestraat nu niet. Aan de Laakweg, ten slotte, heeft Rossi tientallen kleine rijtjeshuizen laten neerzetten. Anders dan gebruikelijk in Nederland hebben ze allemaal een eigen puntdak dat dwars op de weg staat. Maar voor de rest zijn ze nog minimalistischer dan Nederlandse doorzonwoningen en vormen ze een ongekend lange, troosteloze rij exact eendere, schrale huizen.

Over deze serie

Nederland is wereldberoemd om zijn woningbouw, van de grachtenhuizen waar in de 17de eeuw de huiselijkheid werd uitgevonden tot de 20ste-eeuwse sociale woningen en de rijtjeshuizen in de vinexwijken. In ‘Huiswaarts’ schrijft Bernard Hulsman over woonhuizen, van eenkamerwoningen tot kastelen en woonwijken door de eeuwen heen.

Source: NRC

Previous

Next