Home

Als tweede vogel in Europa is de dunbekwulp uitgestorven. Hoe weten wetenschappers dat zeker?

De dunbekwulp is deze week officieel uitgestorven verklaard, 29 jaar na de laatste waarneming en pas als tweede vogel in Europa. Hoe weten biologen dat deze mysterieuze vogel er niet meer is?

is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over natuur en biodiversiteit.

De dag zal voor velen zonder veel bijzonderheden voorbij zijn gegleden. Toch was 18 november weer eens een historische datum: de dag waarop de dunbekwulp officieel uitgestorven is verklaard. Het hing al lang in de lucht: de vogel werd voor het laatst waargenomen op 23 februari 1995, in Marokko. Verlies van leefgebied (onder meer zoutmoerassen) en de jacht zijn hem fataal geworden.

Het heeft 29 jaar geduurd, maar met de publicatie, afgelopen week, van een gedocumenteerd artikel in het wetenschappelijk tijdschrift IBIS (International Journal of Avian Science) is de definitieve extinctie van de steltloper officieel een feit. De tweede in Europa uitgestorven vogel, alleen de reuzenalk ging de wulp voor.

Een van de auteurs van het artikel is Justin Jansen, gastmedewerker van Naturalis en sinds de jaren negentig gegrepen door de zeldzame vogel waarover zo weinig bekend was. Op het moment dat we hem spreken, staat hij net boven een vitrine met daarin 21 dunbekwulpen. Opgebaard in de ‘vogelafdeling’ van het National History Museum in het Britse Tring.

Waarom heeft het tot 29 jaar moeten duren voordat de wetenschap zover was te kunnen zeggen dat de vogel niet meer leeft? Jansen: ‘De algemene regel is dat als een dier twintig jaar lang niet meer is waargenomen, het uitgestorven mag heten. Maar dan moet wel iemand de stap zetten om het uitsterven te documenteren. Anders blijft het hangen.

‘Soms worden soorten ook na lange tijd toch weer gevonden. Bijvoorbeeld in de regenwouden van de Bismarck-eilanden van Papoea-Nieuw-Guinea. Daar komt praktisch nooit iemand, dus de kans dat daar nog uitgestorven gewaande dieren zitten, bestaat. In Europa trekken velen eropuit, en dus is de langdurige afwezigheid van waarnemingen daar een beter bewijs dat een soort niet meer voorkomt.’

In het geval van de dunbekwulp was het vaststellen van zijn uitsterven een kwestie van databases doorploegen. De kunst is de waarnemingen daaruit achteraf op wetenschappelijke waarde te toetsen. Onderzoekers moeten zich dan buigen over de melding en over de beoordeling door zeldzaamheden-commissies die zich erover hebben uitgesproken.

Al langer zeer zeldzaam

Lang niet altijd blijkt een erkenning later terecht. Dat komt mede door een specifieke moeilijkheid: de dunbekwulp lijkt, zeker voor leken, sprekend op de ‘gewone’ wulp, die nog altijd – in dalende aantallen – te zien is in Nederland. Het herkennen van de dunbek valt in de categorie van wat Jansen met ironie ‘veertjesgeneuzel’ noemt.

‘Je kon de dunbekwulp onderscheiden aan zijn diepzwarte poten, bevederde tibia (scheenbeen), een soort hartvormige vlekjes op zijn borst en de donkerder onderkant van de vier buitenste handpennen. Dan ben je al een heel eind. Dankzij de sterk verbeterde fotografie van de afgelopen decennia zien we dat de gewone wulp veel variatie kent. Dat maakt het weer lastiger er een dunbekwulp uit te halen, als die er nog zou zijn.’

Een laatste verklaring voor die 29 jaar schuilt in de beschikbaarheid van onderzoekers. Jansen: ‘Ik doe dit werk in mijn eigen tijd. Ik ben wel gastmedewerker van Naturalis, maar in het dagelijks leven werk ik als projectleider bij Rijkswaterstaat. Enkele medewerkers aan dit onderzoek naar de dunbekwulp hebben een betaalde baan in de ornithologie, maar de meesten doen het uit liefhebberij. Ook daarom duurt zo’n onderzoek langer.’

De vogel gold al decennia vóór de laatste waarneming als zeer zeldzaam. Foto’s zijn schaars, onder meer uit Frankrijk in 1968 en uit Jemen in 1984. De laatste keer dat iemand een dunbekwulp zag en dat kon staven met onbetwist bewijs, was op 23 februari 1995. In Merja Zerga, in het westen van Marokko.

De drie laatste dunbekwulpen zijn gezien door de Nederlandse ornitholoog Arnoud van den Berg. In opdracht van een internationale vogelorganisatie trok hij eropuit in de winter van 1994/1995, de periode waarin de vogel in Marokko nog voorkwam. Twee maanden heeft hij er rondgekeken, zegt Van den Berg desgevraagd. ‘Het was een armoedig gebied, ik kreeg wel vijftig nieuwsgierige kinderen achter me aan’, herinnert hij zich.

‘Er ligt nu een snelweg’

Het verstoorde de vogels niet; die waren volgens hem tammer dan de gewone wulp. De drie dunbekwulpen die Van den Berg zag, waren alle drie mannetjes – de bezegeling van het naderende einde. Toen de vogels honger kregen, vlogen ze naar de oevers verderop, waar de weilanden vol zaten met wormen. Van den Berg nam foto’s van wat de laatste drie dunbekwulpen ter wereld bleken. ‘Er ligt nu een snelweg over die graslanden, met een benzinepomp.’

Na die ene dag is Van den Berg nog op zoek gegaan. Hij heeft er een rapport over geschreven, maar nooit meer heeft iemand de vogels teruggezien. Ja, er bestaan meldingen uit 1997 en 1998, maar omdat daar geen fotografisch bewijs van is, kunnen andere soorten niet worden uitgesloten en dus tellen ze niet. Ook andere meldingen, onder meer uit Engeland, bleken bij nader inzien toch ‘gewone’ wulpen, en geen dunbekwulpen.

Ook in Nederland is de wulp te zien geweest. In 1947 voor het laatst, ten noorden van het Noord-Hollandse Wieringen. De enige dunbekwulpen in Nederland (en waar dan ook ter wereld) zijn opgezette exemplaren. Tot en met 26 januari in het Allard Piersonmuseum in Amsterdam figureert er een op de tentoonstelling De roep van de o’o, over verdwenen en verdwijnende natuur. Ook in het Leidse Naturalis is de vogel vanaf december voor publiek te zien.

Het recente artikel in Ibis over de dunbekwulp is een verhandeling die grotendeels gaat over statistiek. Aan de hand van modellen berekenen de auteurs de mate van waarschijnlijkheid van uitsterven. Het ene model berekent de bedreiging van een soort, het andere maakt gebruik van patronen in waarnemingen en van onderzoeksinspanningen uit het verleden.

Daaruit volgt een getal dat nooit 100 procent zekerheid geeft, omdat je nooit helemaal kunt uitsluiten dat een dier toch nog ergens opduikt. Dat gebeurt met enige regelmaat, maar in het geval van de dunbekwulp is die kans verwaarloosbaar klein, stellen de auteurs. De kans dat de vogel niet langer bestaat stellen zij op 99,6 procent.

Raadselachtige soort

De vogel is zijn hele bestaan lang een mysterie gebleven. Tot de raadselen hoort zijn broedgebied. Het is simpelweg nooit helemaal opgehelderd waar de wulp broedde. Jansen: ‘Er is één broedgeval wetenschappelijk beschreven, dat was in de omgeving van Tomsk, in Rusland. Later bleek uit ander onderzoek dat de dunbekwulp broedde in de regio van noordelijk Kazachstan en zuidelijk Rusland. Helemaal zeker weten we het niet. Er zijn eieren gevonden waarvan niet eens vaststaat dat ze van de dunbekwulp afkomstig zijn.’

De argeloze buitenstaander zou daardoor makkelijk de schouders kunnen ophalen en zich afvragen wat er eigenlijk erg is aan het uitsterven van een dier dat we niet eens goed konden onderscheiden van een ander dier.

Maar dat is volgens Jansen nou net het punt bij de raadselachtige dunbekwulp: ‘We weten niet wat we verloren hebben, omdat we door gebrek aan kennis ook niet weten wat de rol van de dunbekwulp was in het ecosysteem. Was er misschien een luizensoort die zich alleen vestigde op dunbekwulpen? Een slakkenpopulatie die alleen in toom gehouden werd door de dunbek? We weten het niet: de vogel was al uitgestorven voordat we er goed onderzoek naar konden doen. En dus weten we ook niet wat zijn uitsterven verder in gang heeft gezet. Ik vermoed dat zijn rol klein was, maar dat kun je pas zeker weten wanneer er onderzoek naar was gedaan.’

Met het belang van tijdig onderzoek en beschermingsmaatregelen besluiten Jansen en zijn collega’s ook hun publicatie over de dunbekwulp. Als voorbeeld wijzen de auteurs op de lepelbekstrandloper, een ernstig bedreigde kustvogel die trekt tussen oostelijk Azië. Het is maar een van de tientallen soorten die door de IUCN op de Rode Lijst zijn aangemerkt als ‘ernstig bedreigd’. Wetenschappers proberen zijn uitsterven te voorkomen, mede geïnspireerd door de tragische geschiedenis van de dunbekwulp.

Al in 1912 rezen zorgen over het afnemen van de dunbekwulp en in de jaren veertig rees de vraag over zijn voortbestaan, maar de wereld had andere zaken aan het hoofd. Pas in 1988 registreerde de internationale natuurorganisatie IUCN de vogel officieel als ‘bedreigd’. Het mocht niet baten, naar nu blijkt.

Wat dat betreft heeft de lepelbekstrandloper betere papieren: ‘Onderzoekers zijn tijdig eieren gaan verzamelen om daarmee de soort elders weer te kunnen herintroduceren waar dat kan en nodig is’, legt Jansen uit. Daarvoor was het voor de dunbekwulp te laat. In sommige vogelgidsen staat hij nog doodleuk vermeld, maar hij kan nu dus geschrapt. Tenzij iemand toch nog, ooit, de állerlaatste…

Toch niet uitgestorven

Alles is relatief, ook uitsterven. Een dier kan zijn ‘uitgestorven in een land’, ‘als broedvogel’ of ‘als wintergast’. Ook met wetenschappelijke zekerheid staat uitsterven niet altijd vast. Geregeld worden dieren hervonden die al uitgestorven waren verklaard.

In november vorig jaar filmden wetenschappers op Nieuw-Guinea de Attenborough vachtegel (een soort mierenegel), vernoemd naar de beroemde bioloog en filmer David Attenborough. Het molachtige diertje werd al zestig jaar uitgestorven gewaand.

In juni 2023 vonden biologen in Zuid-Australië exemplaren van de Victoriaanse grondagame. Het reptiel was voor het laatst gezien in 1969; algemeen werd aangenomen dat het was uitgestorven.

In februari 2019 ontdekten onderzoekers op de Galapagos-eilanden een vrouwelijke Fernandina-Galápagos-reuzenschildpad. Vermoedelijk was ze ruim honderd jaar oud en heeft ze zich sinds de laatste waarneming in 1906 verstopt weten te houden.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next