Home

Praktijkmensen voelen de gevolgen van beleid, dus geef ze meer geld, macht en verantwoordelijkheid

Je zou inmiddels bijna vergeten dat politiek iets van doen moet hebben met wat mensen in werkelijkheid meemaken. Want wat was ze ook alweer van plan, die afgetreden staatssecretaris Achahbar? O ja, verbetering brengen in de vastgelopen operatie om gedupeerden van het toeslagenschandaal recht te doen. Ruim een week voordat zij opstapte wegens ‘polariserende omgangsvormen’ had ze daar nog iets over verteld in deze krant.

Meer dan een richting was het niet, maar het klonk hoopgevend: laat alle betrokken partijen in één keer met een gedupeerde praten zodat die geen barre tocht langs instanties hoeft af te leggen. En ga uit van iemands persoonlijke verhaal om vast te stellen wat hij nodig heeft, niet van het woud aan procedures. Zo hoopte ze slachtoffers ‘uit het juridisch moeras te trekken’ waar duizenden al jaren in wegzakken. Follow the money becijferde laatst dat een van die instanties in het huidige tempo 135 jaar nodig zal hebben om achterstanden weg te werken. Over een andere oordeelden rechters onlangs dat na 44 miljoen aan betaalde dwangsommen de termijn voor de vele bezwaarschriften maar moet worden opgerekt. Een drama na het drama.

Over de auteur
Kustaw Bessems is columnist van de Volkskrant. Hij werkt als adviseur voor overheden en maatschappelijke organisaties.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Haar nieuwe benadering moest ‘uitvoerbaar’ zijn, had Achahbar nog gezegd. Dát zou in het toeslagendossier met recht een trendbreuk mogen heten.

Juist deze week verscheen een scherp rapport over de nog altijd idioot ondergeschoven rol die de ‘uitvoering’ – lees: de praktijk – speelt in de manier waarop dit land wordt bestuurd. Ik breng nog maar even in herinnering: een halve eeuw geleden had het idee postgevat dat de overheid onze levens tot in de puntjes moest verzorgen. Dat was ondoenlijk en veel te duur, waarna niet de conclusie werd getrokken dat de overheid zich wat bescheidener moest opstellen, nee, de oplossing werd gezocht in marktdenken en zogenaamde efficiëntie. Hierbij hoorde onder meer dat politici en beleidsambtenaren zouden verzinnen wat er moest gebeuren en zogenoemde uitvoerders zouden dat dan zonder al te veel nadenken toepassen, geholpen door ict-systemen waaraan sprookjesachtige mogelijkheden werden toegedicht.

De uitvoerders werden op afstand geplaatst zodat ze lekker met het verstand op nul konden doorwerken en daar moet je je in veel gevallen ook werkelijk een fysieke afstand bij voorstellen: een ander gebouw in een andere stad.

Dat is zo fnuikend, omdat in de ideale wereld ervaringen van burgers zeker langs twee wegen zouden doordringen tot de kantoren waar het beleid wordt gemaakt. Eén is de democratische weg: politieke partijen zijn in die ideale wereld goed ingebed in alle lagen van de bevolking. Dat partijen juist nogal eens losgezongen zijn van de samenleving en iets te veel inspiratie opdoen op sociale media, is voor een andere keer. Hier gaat het nu om die tweede weg: vakmensen binnen en buiten de overheid komen op tal van plekken met burgers en gemeenschappen in aanraking. In de wijk, bij loketten of aan de telefoon. Op school, op het politiebureau of in het ziekenhuis. Zij doen daar een schat aan informatie op. Ze snappen beter dan beleidsmakers voor welk probleem überhaupt een oplossing wordt gezocht en wat dan zou kunnen werken.

Maar voor burgers en vakmensen zijn de Haagse beleidstorens vaak onneembare vestingen, dus die onmisbare informatie bereikt de juiste kantoren meestal niet. Sommige uitvoeringsorganisaties zijn zelf kolossaal, met veel managementlagen, waardoor het daarbinnen al onbegonnen werk is om iets aan te kaarten. De bazen willen liever ook geen slecht imago.

Hierover wordt al zo lang geklaagd en er wordt al zo lang beterschap beloofd – ook door beleidsmensen – dat je er cynisch van zou kunnen worden. Het fijne van het rapport dat de Raad voor het Openbaar Bestuur deze week uitbracht is dat het niet slechts opnieuw met overtuiging betoogt dat praktijkmensen gelijkwaardig moeten worden aan theoretische beleidsmensen. Het stelt ook concrete, voor sommigen pijnlijke ingrepen voor, waartoe de politiek simpelweg kan beslissen. Eén: zet er een uitvoerder bij op ambtelijk topniveau, op elk ministerie. Twee: laat de hoogste ambtenaar van elk departement tekenen voor de uitvoerbaarheid van beleid, zodat hij daar verantwoordelijkheid voor gaat voelen. Drie: betaal praktijkmensen binnen de overheid net zoveel als theoretische beleidsmensen.

Garanties voor succes zijn er dan nog steeds niet. Maar de kans wordt al groter dat je bij zoiets als de hersteloperatie – die uiteráárd ingewikkeld is, dat blijft zo – minstens het juiste uitgangspunt kiest. Dat je bijvoorbeeld niet, zoals nu, een bureaucratische splitsing aanbrengt tussen het repareren van de schade die iemand heeft geleden en de hulp om zijn leven weer op te bouwen. Zoiets is alleen logisch voor iemand die vanuit systemen denkt en niet in aanraking komt met de mensen om wie het gaat. ‘Frontlijnmedewerkers’, zoals de Raad ze in het rapport noemt, hadden wel kunnen voorspellen dat een gedupeerde één leven heeft dat hij op de rit probeert te krijgen, waarin hij niets heeft aan een steuntje in de rug zonder afgehandelde schade.

Praktijkkennis, opgedaan in de directe, persoonlijke ontmoeting met de burger, is dé bepalende voorwaarde voor mogelijk succes. Niet alleen beschikken praktijkmensen over de beste informatie, zij vóelen ook direct de repercussies van beleid. Dus mocht Nederland ooit weer een functionerende regering krijgen, dan is het hoog tijd dat zij een doorbraak forceert: meer geld en macht naar de mensen aan het front.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next