Na twee jaar wachten kreeg de Palestijnse Monaliza Almassri een asielstatus. Ook haar gezin mag naar Nederland komen, maar haar zieke man en kinderen zitten vast in Gaza. ‘Ik wil hier niet sterven!’
is verslaggever van de Volkskrant en schrijft over asiel, migratie en de multiculturele samenleving.
Met gespannen blik tuurt de Palestijnse Monaliza Almassri naar haar telefoon.‘Ik weet niet waarom mijn berichtjes niet aankomen’, mompelt ze terwijl ze Whatsapp opent, sluit en weer opent. In de hoop een tweede vinkje te zien verschijnen naast het bericht dat ze naar haar zoon stuurde.
Voor Almassri (48) is zo’n vinkje een zaak van leven of dood. Letterlijk. Zij woont in Nederland, maar haar zoon Ismail (18) zit in Gaza, net als haar dochter Hala (15) en hun ernstig zieke vader. Ze hebben nauwelijks te eten en er zijn voortdurend bombardementen. Almassri heeft een asielstatus, haar drie gezinsleden mogen ook naar Nederland komen. Maar Israël laat hen Gaza niet uit.
Ze zijn niet de enigen. Momenteel zitten er volgens een woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) nog ‘enkele tientallen’ Nederlanders en mensen met recht op verblijf in Nederland vast in Gaza. ‘Wij verzoeken Israël voortdurend en op alle niveaus om de mensen op de Nederlandse lijst zo snel mogelijk Gaza te laten verlaten.’
Almassri is vrouwenrechtenadvocaat en ontvluchtte Gaza ruim twee jaar geleden omdat ze vanwege haar werk werd bedreigd. Na een congres in Nederland vroeg ze hier asiel aan. Dat kreeg ze in juli, sindsdien woont ze in een noodopvang in Voorschoten in afwachting van een woning. In september stemde de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in met haar verzoek om gezinshereniging.
‘Ze hebben zes maanden om hun papieren op te halen op het Nederlandse consulaat in Egypte’, vertelt Almassri terwijl ze de brief laat zien die de IND haar daarover stuurde. Ze frunnikt aan het hangertje aan haar ketting, dat de vorm heeft van Palestina. ‘Er zijn al twee maanden voorbij, en er zit geen enkele beweging in.’
Dan gaat haar telefoon. ‘Mijn dochter!’, roept ze. Hala belt vanuit Khan Younis, waar ze in een tentenkamp woont. Ze is na de eerste bombardementen Gaza Stad ontvlucht, naar het huis van familie in Rafah. Toen dat ook kapot werd gebombardeerd, is ze halsoverkop verder gevlucht. Hala heeft inmiddels hepatitis opgelopen door het vervuilde water.
‘Mama, hoor je me?’, vraagt het meisje. De verbinding blijkt te slecht om te bellen, dus stuurt Hala audioberichten. ‘Ik heb honger’, zegt ze. ‘Er is bijna geen eten, en wat er wel is, is onbetaalbaar. Ze somt de prijzen op: ‘Een kilo rijst voor 20 dollar, 25 kilo meel kost 300 dollar.’
Almassri werkt als schoonmaker in een hotel in Voorschoten, en stuurt een zo groot mogelijk deel van haar salaris naar Gaza. Dat is ingewikkeld. Er zijn restricties op overschrijvingen naar Palestijnse rekeningen, en pinautomaten werken allang niet meer. ‘Het moet via tussenpersonen’, vertelt ze. ‘Die steken zo’n 25 procent in eigen zak.’
Ze laat een video zien die Hala haar een paar weken geleden stuurde. ‘Mama, ik leef, en ik heb je geld ontvangen’, zegt het meisje met lichtroze hoofddoek en stralende lach in de camera. ‘Kijk, dit is onze tent.’ Hala vindt dat ze geluk heeft. ‘De meeste tenten lekken, die van ons is droog.’
Het is onduidelijk waarom mensen als Ismail en Hala geen toestemming krijgen om Gaza te verlaten. ‘Dat moet je aan de Israëlische autoriteiten vragen’, zegt de BZ-woordvoerder. Maar ook de Israëlische ambassade in Den Haag geeft geen helderheid: ‘Ik kan hier niks over zeggen, je moet bij BZ zijn’, aldus een woordvoerder.
‘Het is allemaal heel onduidelijk’, vindt ook advocaat Samira Sabir. Ze is niet betrokken bij de zaak van Almassri, maar staat wel andere personen bij die op de Nederlandse lijst staan en vastzitten in Gaza. ‘Ik hoorde steeds van BZ dat de grenzen potdicht zaten, maar dat geloofde ik niet. Ik kondigde toen een kort geding aan, om de staat ertoe te dwingen zich meer in te zetten’, vertelt ze. ‘Vlak daarna kon een van mijn cliënten Gaza uit.’
In Voorschoten gaat de telefoon weer. ‘Ismail, waar ben je?’, roept Almassri verheugd. ‘Ik ben op de markt’, zegt hij. ‘Een sigaretje roken.’ Zijn moeder fronst haar wenkbrauwen. ‘Hoe kom je aan sigaretten?’ Ismail lacht. ‘Maak je geen zorgen, mam.’
Ismail bevindt zich in Al Zahra, op twee uur rijden van zijn zus. ‘Hier woon ik in een tent met vrienden’, legt hij uit. Al snel na 7 oktober verliet hij het huis waar zijn zus met familie verbleef, er was niet genoeg plek voor alle ontheemde familieleden en meisjes gingen voor. ‘Ik wilde toch al op mezelf wonen’, zegt hij. ‘Ik ben nu een man.’ Almassri rolt glimlachend met haar ogen.
‘Het wordt steeds gevaarlijker hier’, vertelt Ismail. ‘Mensen vechten om eten, ze vermoorden elkaar met messen.’ Almassri slikt haar tranen weg. ‘Blijf toch binnen jongen’, zegt ze. Maar ze weet dat hij naar buiten moet, om eten te zoeken, en om haar soms een teken van leven te kunnen sturen.
Hala wil als ze straks in Nederland is studeren en arts worden. ‘Hier is iedereen depressief, maar ik heb tenminste zicht op een toekomst.’ Almassri strijkt onafgebroken met haar vinger over de profielfoto van haar dochter. Die stuurt nog een audio: ‘Ik mis mijn moeder heel erg.’
Ismail wil in Nederland vooral rijk worden, zegt hij. ‘En voor mijn ouders en zusje zorgen.’ Hij betwijfelt wel of het ooit zal lukken de grens over te gaan. ‘Maar ik hoop het, want ik wil hier niet sterven.’ Voor ze ophangen drukt Almassri haar zoon nog een ding op het hart: ‘Stop alsjeblieft met roken.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant