Verhaal 1 gaat ongeveer zo: groepjes Amsterdammers sloegen twee weken geleden een aantal aanhangers van een Israëlische voetbalclub in elkaar, nadat supporters eerder in de stad genocideverheerlijkende liederen zongen, mensen aanvielen en Palestijnse vlaggen vernielden. We weten nog niet wat voor paspoorten de daders hebben of wat hun motief was; sommigen riepen akelige dingen over Joden, sommigen ‘Free Palestine’.
Verhaal 2: het was een pogrom. ‘Een georganiseerde Jodenjacht’ (Van der Plas). ‘We zijn het Gaza van Europa’ (Wilders). ‘De daders waren moslims’ (Wilders). ‘Beesten’ (een CDA-Kamerlid). ‘Moreel volstrekt ontaard’ (Schoof). ‘Multicultureel tuig’ (Wilders weer). ‘Een Sturmabteilung’ (een VVD-Kamerlid). Terroristen’ (andermaal Wilders). ‘Het tuig moet het land uit’ (idem).
Het is politiek op zijn gevaarlijkst: hongerig en feitenvrij op zoek naar een vijand. En naar een emotie. Neem het gebruik van het woord ‘pogrom’. Een pogrom is eigenlijk, zo legt hoogleraar Holocaust-geschiedenis Amos Goldberg uit, een aanval op een minderheid – meestal Joden – door mensen uit de meerderheidssamenleving, met instemming van de staat. Dit zijn geen details, en in Amsterdam was hier overduidelijk geen sprake van. Maar het woord roept wel van alles op: trauma, woede, angst.
Over de auteur
Asha ten Broeke is wetenschapsjournalist en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Het is een morele paniek, schrijft hoogleraar migratiegeschiedenis Nadia Bouras. ‘De oprechte angst binnen de Joodse gemeenschap werd niet alleen aangewakkerd, maar ook uitgebuit door gebeurtenissen te dramatiseren en selectief historische referenties in te zetten.’ Waarom? ‘Hoe groter de verdeeldheid in de samenleving – in dit geval bange Joden tegenover gewelddadige Marokkanen – en hoe sterker de crisissfeer wordt opgeklopt, hoe sneller het kabinet de geesten rijp kan maken voor invoering van repressief beleid.’
In het Kamerdebat dat volgt zweept extreemrechts de paniek verder op. Wilders ronkt over hoe ‘Joodse mannen, vrouwen, meisjes, ouderen en kinderen huilend van angst voor hun leven moeten rennen, alleen omdat ze Joods zijn’. Van der Plas legt veel nadruk op ‘de angst in de ogen van Joodse mensen’ en spreekt over Noord-Afrikaanse mannen ‘die juichend en joelend en pro-Hamas-leuzen schreeuwend door de straten marcheerden op zoek naar Joden om die in elkaar te slaan’. Marcheerden. Het is nooit gebeurd, maar het woord vervult zijn functie.
Repressief beleid staat al klaar. Het kabinet gaat kijken of de daders vervolgd kunnen worden voor terrorisme. Uitzetting ligt op tafel. Wilders pleit voor een antidemocratisch demonstratieverbod op universiteiten, stations en snelwegen. Wanneer er tijdens het debat een protest begint op de Dam, is Yesilgöz er als de kippen bij om de aanwezigen ‘geen demonstranten’ maar ‘relschoppers’ te noemen.
Wat volgt is een huiveringwekkende avond. Activisten – onder wie moslims én Joden – vertellen hoe ze na hun arrestatie worden vrijgelaten op een afgelegen industrieterrein. Ze zijn rustig op zoek naar een manier om thuis te komen, als er ineens busjes komen aanrijden waar ME’ers uitspringen die schreeuwen: ‘Lopen, opzouten. Hup, optiefen.’ Wie dat niet kan, krijgt er met de wapenstok van langs. Een Egyptische man wordt bewusteloos geslagen en blijft klappen krijgen terwijl hij op de grond ligt.
Van der Plas spreekt de volgende dag op X haar respect uit voor de politie, met een blauw hartje erbij. De politie is niet de juiste vijand, activisten zijn geen bruikbare groep slachtoffers.
Deze week zet de repressie door. Het parlement neemt een motie aan om organisaties die ‘de vernietiging van de staat Israël propageren’ op de terrorismelijst te plaatsen; met slechts een beetje kwade wil kan dit bijvoorbeeld kritiek op Israël als genocidale apartheidsstaat onmogelijk maken. Het kabinet wil de politie toegang geven tot besloten appgroepen als ze alleen maar het vermoeden van mogelijke ordeverstoringen hebben; een maatregel die het activisten vrijwel onmogelijk kan maken om zich in vrijheid te organiseren.
De Joodse activist Em Hilton ziet het gebeuren: extreemrechts creëert chaos en angst om zo hun wereldbeeld erdoor te drukken. Specifiek, zo schrijft ze, gebruikt extreemrechts de angst van Joden als breekijzer voor hun eigen ambities, en als wapen tegen moslims, arabieren en migranten uit het globale zuiden.
Maar als we dit als burgers toestaan – als we de angst laten regeren, als we ons tegen elkaar laten uitspelen, als we toekijken hoe extreemrechts onze democratie afbreekt – dan is straks niemand meer veilig.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant