Groot denken is hem niet vreemd – tienduizenden straatkinderen in tientallen landen hebben al kennisgemaakt met zijn ‘mobiele scholen’. Nu focust de Vlaamse ondernemer Arnoud Raskin (50) zich op iets groters: een systeemverandering.
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
‘Misère, armoede, dakloosheid, dat is waaraan mensen bij straatkinderen denken. Maar wat nu als ik u meeneem naar Guatemala-Stad, u uw portemonnee en paspoort afneem en u op straat in competitie laat gaan met mijn kameraden van 12, 13 jaar? Ik weet wel wie ik dan de volgende dag huilend aantref. Want straatkinderen zijn geen sukkelaars, hè? Geen enkele realiteit die ik ken is competitiever, harder, onzekerder. Om te overleven moet je wendbaar, veerkrachtig en creatief zijn, altijd opportunities zien, altijd positief blijven. Managers van grote bedrijven zouden die vaardigheden maar wat graag bij hun eigen mensen willen zien.’
Als student industriële vormgeving ontwerpt Arnoud Raskin, tot vertwijfeling van zijn commercieel denkende docenten, een mobiele school voor straatkinderen – een trekkarretje met uitschuifbare panelen vol educatieve spellen. In 2002 roept hij de stichting Mobile School in het leven. Iedere mobiele school wordt door minstens drie daartoe opgeleide straathoekwerkers begeleid. Inmiddels staan de scholen in 38 landen op vier continenten – in 2023 bereikten zij zo’n 66 duizend straatkinderen.
Voor de financiering ervan brengt hij gescheiden werelden bij elkaar: managers uit het bedrijfsleven komen tijdens trainingen in contact met straatkinderen, gevangenen of vluchtelingen. De opbrengsten ervan gaan naar het trainingsbureau Streetwize, waarvan de winsten in hun geheel doorvloeien naar de mobiele scholen voor straatkinderen. ‘Ik vond dat we niet van straatkinderen konden vragen in hun eigen bestaan te voorzien, autonoom te worden, terwijl we zelf onze hand bij filantropen en stichtingen zouden ophouden. Vandaar onze managementtrainingen. Walk your talk, vind ik’, zegt de 50-jarige Raskin.
Wanneer hij 12 is, overlijdt zijn vader aan kanker, op 43-jarige leeftijd. Raskin senior stond als rechter in Belgisch Limburg bekend als een man met een groot hart: ‘Mensen die hij naar de gevangenis zond, zocht hij later in hun cel op.’ Na de dood van ‘de liefste papa van de hele wereld’ is de jonge Arnoud razend, ‘alleen wist ik niet op wie ik mijn boosheid moest richten’. Zijn moeder en vrienden spaart hij, zijn leraren bepaald niet: ‘Als ik die nu op straat tegenkom, voel ik nog altijd schaamte.’
Hij wordt van school gestuurd, maar bedenkt daarna tijdig dat zijn rebellie nadelig voor hem dreigt uit te pakken. ‘Op een gegeven moment zag ik: ofwel de dood van mijn vader wordt als reden gezien waarom het met mij fout is gelopen, wat een smet op mijn vader zou betekenen; ofwel ik laat zien dat ik zijn naam waardig kan dragen en laat hem in mij voortbestaan.’
Hoe kwam u erop uw lot juist aan dat van straatkinderen te verbinden?
‘Dat was puur toeval. Het begon met een dia-avondje in ons stadje, Bilzen, waarbij mensen van een vrijwilligersorganisatie vertelden over hun inspanningen voor Colombiaanse straatkinderen. Ik was erheen gegaan met mijn moeder, eigenlijk voor haar. Na tien jaar zat ze nog altijd in haar rouwproces. Sociaal werk zou haar kunnen helpen, hoopte ik, nu ikzelf op het punt stond uit huis te gaan.
‘Op dat moment was ik zoekend naar een afstudeerproject. Mijn docenten wilden dat ik me bezighield met een plastic wegwerptheelepeltje, waarmee je water uit een gebruikt theezakje kon knijpen om druppels op tafel te voorkomen. Toen kreeg ik die dia’s te zien en hoorde ik dat er 150 miljoen straatkinderen verstoken zijn van alles: onderwijs, gezondheidszorg, degelijke voeding, een dak boven hun hoofd, bescherming.
‘En dan zou ik mijn tijd spenderen aan een lepeltje? Voor mij werd het kristalhelder: ik zou producten voor die kinderen ontwerpen en daarmee het verschil maken. Daar ben ik niet meer van teruggekomen.’
U wist natuurlijk weinig van hun behoeften.
‘Daarom ben ik in vier Zuid-Amerikaanse landen een vijftigtal kleine projecten met straatkinderen gaan bezoeken, met foto’s van mijn prototype om daarna een redesign te kunnen maken. Doordat ik Spaans moest leren, ontmoette ik Julian, een straatjongen.
‘Ik vroeg of hij mijn leraar wilde zijn. Ik maakte tekeningen in een schriftje en hij schreef de woordjes erbij. Hij hield dat anderhalf uur vol, terwijl ik van straathoekwerkers begreep dat vijf minuten aandacht van zo’n jongen al bijzonder was. Ze waren vooral bezig met lijmsnuiven en crack roken.
‘Het verschil was dat ik Julian vanaf het begin duidelijk maakte dat hij voor mij belangrijk was. Daardoor kregen we een gelijkwaardige verhouding, terwijl anderen hem van bovenaf benaderden, als iemand in nood. Intuïtief voelde ik aan dat dit een heel belangrijke les voor mijn project was.’
Hoe bent u met dat inzicht verdergegaan?
‘Op een tweedehandsboekenmarktje vond ik wat later een Spaanstalig boekje van Paulo Freire (Braziliaans onderwijshervormer, 1921-1997, red.) met de titel Pedagogía del oprimido (Pedagogie van de onderdrukten). Ik wilde mijn Spaans verbeteren en begreep dat het ging over pedagogie, waar ik me juist in wilde verdiepen. Met een woordenboek erbij ben ik het gaan lezen. Dat was een openbaring.
‘Freire verklaarde voor mij glashelder waarom Julian zo opging in zijn rol van leraar – hij voelde op dat moment dat zijn leven ertoe deed, dat het zin kreeg. Ik ben ervan overtuigd dat veel hulpverlening nog altijd voorbijgaat aan die behoefte aan zingeving. Met de beste bedoelingen worden mensen in de rol van slachtoffer geduwd.
‘Dat is compleet contraproductief. Zorg dat ze ertoe doen en je ziet ze opbloeien. Het boek van Freire werd mijn bijbel en is dat nog altijd – iedereen die hier komt werken, raad ik aan het te lezen.’
Schiet hulpverlening echt zo vaak tekort?
‘Laat ik vooropstellen dat er fantastische projecten zijn en er ongelooflijk veel mensen worden geholpen. Maar we moeten wel kritisch kunnen blijven en vaststellen dat er een armoede-industrie is ontstaan. Wanneer organisaties groeien, wordt ergens een grens overschreden waarbij het eigen voortbestaan belangrijker wordt dan het doel waarvoor ze zijn opgericht.
‘Dan gaan duizenden, vaak witte, mannen en vrouwen over de wereld als expats werken. Altijd met goede bedoelingen, maar het belang van de continuïteit van hun organisatie legt dan meer gewicht in de schaal dan de noden van de mensen ter plekke. Dat is het risico als je hulpverlening gaat opschalen – een model dat van het bedrijfsleven wordt overgenomen.’
Wat wilt u daar tegenoverstellen?
‘Ik wil dicht bij mezelf blijven. Wij zijn begonnen als een stichting, waar we met Streetwize een commerciële tak aan hebben toegevoegd. Waken over de balans tussen die twee zie ik als een van mijn voornaamste taken. We krijgen soms de kritiek te weinig geld te besteden aan de marketing van Streetwize. Maar we willen niet dat groeien ten koste gaat van onze sociale reikwijdte.
‘Met het oog op die balans beloon ik de collega die verantwoordelijk is voor het binnenhalen van commerciële opdrachten niet beter dan degene die bij ons de sociale impact doet. Ook al zou dat de groei van de onderneming versnellen.
‘Een paar weken geleden kregen we zicht op een grote deal die onze jaaromzet met de helft zou vergroten – een bedrijf was erg enthousiast over onze ervaringsgerichte trainingen en wilde die voor een grote groep managers. Maar dat zou voor ons betekenen dat we met zo’n groep om de week naar dezelfde sloppenwijk zouden moeten gaan.
‘Onze mensen ter plekke gaven aan dat dat te veel zou zijn, we zouden onvoldoende geven en te veel nemen. Dus hebben we besloten ervan af te zien. We willen vooral onszelf blijven en niet de methoden van het bedrijfsleven klakkeloos kopiëren. Ik hoop dat we daarmee een voorbeeld kunnen zijn, met relevantie voor de samenleving als geheel. Ik wil bijdragen aan een systeemverandering.’
Wat bedoelt u daarmee?
‘We leven in een tijd waarin grote behoefte is aan systeemverandering. Enkele jaren geleden heeft Ashoka, het internationale netwerk voor sociale ondernemers, veertig topbestuurders geïnterviewd over verduurzamen. Ze waren er allemaal van doordrongen dat het aanzienlijk sneller moet, maar door de complexiteit schrikken ze terug. Een bestuursvoorzitter van een bank kan verduurzaming wel willen, maar hij is beducht om zichzelf uit de markt te prijzen als zijn concurrenten niet dezelfde beweging inzetten.
‘We moeten dus een gezamenlijke golfbeweging op gang brengen. Met Mobile School wil ik daaraan bijdragen als een puur ingrediënt, dus zonder de trucs toe te passen van het systeem dat ik wil veranderen. Als ik mijn laatste adem uitblaas, wil ik alles hebben gedaan voor een duurzamere, harmonieuzere toekomst voor de volgende generaties.’
Die systeemverandering blijft toch nog wat vaag.
‘Dat begrijp ik, er is ook geen pasklare oplossing, daarvoor is het te complex. Maar ik weet wel dat het broodnodig is, anders is het game over voor de generaties na ons. Wat er in ieder geval onderdeel van is, is andersoortig leiderschap.
We hebben niet langer leiders nodig die zich hullen in de cape van ‘Ik heb de oplossing’ en daarmee het podium beklimmen. De leider van de toekomst moet zich bewust zijn van zichzelf, begrijpen dat het niet om hem of haar draait, authentiek zijn, verantwoordelijkheid durven nemen en zich kwetsbaar kunnen opstellen.
‘Bovenal moet een leider tot empathie in staat zijn. Dat is het belangrijkste. Empathie is een fundamentele vaardigheid die onze samenleving te veel ontbeert. We zouden empathie moeten trainen als hard skill, van de kleuterschool tot de businessschool.’
Hoe ziet u de verhouding van zo’n gezamenlijk gecreëerde golfbeweging tot de politiek?
‘Wanneer we die maar groot genoeg weten te maken, zijn er altijd politieke leiders die erop gaan surfen, net zoals radicaal-rechts dat doet op de onvrede van mensen. Die verrechtsing zie ik als gevolg van een ontbrekende balans, het onvermogen aan de andere kant om momentum te creëren. Terwijl dat wel degelijk mogelijk is, want we zitten in een fase waarin er nog nooit zoveel bewustzijn over het belang van duurzaamheid is geweest – ontkenners zijn tegenwoordig compleet ridicuul geworden.
‘Dat die golfbeweging er nog niet is, heeft in mijn ogen ook te maken met traditioneel links, dat zichzelf al te vaak moreel superieur acht. Als Mobile School hebben we kritiek gekregen omdat we met grote bedrijven om tafel zitten. In linkse kringen wordt ondernemen soms nog gezien als onderdeel van het kapitalistisch model dat de wereld naar de kloten helpt.
‘Met zo’n zwart-witredenering zet je je eigen ontwikkeling stil. Je kunt alleen tot duurzame oplossingen komen wanneer je tegenstrijdige ideeën laat clashen; complementariteit leidt tot een nieuwe balans.
‘De vraag is dus niet óf, maar hóé ik met Coca-Cola om tafel ga. De managers van zo’n bedrijf hebben ook kinderen, die willen zichzelf ook met een gerust gemoed in de spiegel kunnen kijken. Als we nu eens zouden beginnen met voor onze eigen deur te kuisen, in plaats van naar anderen te wijzen, allemaal aanvangen zelf positieve initiatieven te nemen. Het is zo simpel: we zijn allemaal deel van het probleem. Het mooie is dat we daarom ook allemaal deel zijn van de oplossing.’
Boektip: Voor ieder wat waars, Rob Wijnberg
‘Ik was onder de indruk van dit boek, omdat het een belangrijke bouwsteen aandraagt voor de noodzakelijke systeemverandering: positief realisme. Op een toegankelijke manier analyseert Rob Wijnberg wat ‘waarheid’ betekent in tijden van grote onzekerheid en complexiteit. Zijn betoog helpt me om zonder naïviteit positief kritisch naar onze wereld te kijken.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant