In een oververhit politiek debat komt het Centraal Bureau voor de Statistiek met nieuwe cijfers over integratie. Wat vertellen de data over integreren in Nederland?
is datajournalist van de Volkskrant en analyseert en schrijft over het nieuws in cijfers.
Integratie staat sinds enkele weken weer in het middelpunt van de politieke belangstelling. Lange tijd ging alle aandacht uit naar migratie, maar sinds de rellen in Amsterdam spreken politici veelvuldig over integratie.
‘Let op, dat zijn wel jongeren met een migratieachtergrond. Die staan met hun rug naar de Nederlandse samenleving’, zei premier Schoof. Na kritiek over deze uitspraak zei Schoof dat hij hiermee alleen de rellende jongeren bedoelde, niet álle jongeren met een migratieachtergrond. Staatssecretaris Jurgen Nobel sprak zelfs van een ‘groot integratieprobleem’.
De discussies in kabinet en Kamer rond dit thema hebben NSC al een staatssecretaris en twee Kamerleden gekost. Middenin dit debat komt het Centraal Bureau voor de Statistiek met nieuwe cijfers. In de tweejaarlijkse rapportage Integratie en Samenleving beschrijft het statistiekbureau de positie van migranten en hun in Nederland geboren kinderen, de tweede generatie. Wat voor beeld doemt er op uit deze cijfers?
In vogelvlucht is te zien dat er een afstand is tussen migranten en bevolking van Nederlandse afkomst. Migranten verdienen gemiddeld minder, ze krijgen vaker een uitkering, en volgen minder hoge opleidingen. Maar het verschil is de afgelopen tien jaar kleiner geworden, en bij vrijwel alle herkomstgroepen is de sociaaleconomische positie van de tweede generatie, de in Nederland geboren kinderen, beter dan die van de eerste generatie. ‘Integratie is niet gelukt of mislukt’, zegt Ruben van Gaalen, onderzoeker van het CBS, desgevraagd, ‘het is een gradueel proces. Bij iedere volgende generatie zie je over het algemeen minder verschil tussen mensen met een migratieachtergrond en de rest van de bevolking.’
Het rapport gaat vooral over ‘harde’ cijfers: inkomen, opleiding, werkloosheid en criminaliteit. ‘Samen met de ‘zachtere’ thema’s die bijvoorbeeld het Sociaal en Cultureel Planbureau onderzoekt kun je een afgewogen beeld schetsen’, zegt Van Gaalen. Hij vindt het belangrijk dat de discussie over integratie op feiten gestoeld is. ‘Integratie is een complex proces en vergt inspanningen, ook van mensen van Nederlandse afkomst. Over het verloop van dat proces leveren wij cijfers. Daar trekken we geen conclusies uit over het al dan niet lukken van integratie, dat is aan de beleidsmakers en de samenleving.’
Op middelbare scholen is sprake van een inhaalslag, constateert het CBS. In Nederland geboren kinderen met buitenlandse ouders, de tweede generatie, krijgen minder vaak een havo-vwo-advies dan kinderen van Nederlandse afkomst en in het buitenland geboren kinderen. Dat verschil is de laatste tien jaar wel een stuk kleiner geworden. Andere factoren dan herkomst spelen ook een rol. Voor alle groepen geldt dat kinderen die opgroeien in een huishouden met een laag inkomen gemiddeld een lager advies krijgen. Bij Marokkaanse kinderen is het verschil in schooladvies volledig terug te voeren op inkomensverschillen volgens het statistiekbureau.
Tijdens de coronacrisis werden de eindexameneisen versoepeld, de slagingspercentages waren toen ongekend hoog. De jaren daarna nam overal het slagingspercentage af, maar die daling ging sneller bij examenkandidaten van Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Nederlands-Caribische herkomst.
Nederlanders zijn niet de best presterende herkomstgroep als het om onderwijs gaat blijkt uit de cijfers. Dochters van Afghaanse en Iraanse migranten doen het bovengemiddeld goed op school, zij halen vaker dan andere vrouwen een hbo- of wo-diploma. Kinderen die in Turkije zijn geboren, krijgen vaker dan in Nederland geboren kinderen een havo- of vwo-advies.
Engelstaligen spreken van een rijzende vloed die alle schepen optilt: als het goed gaat met de economie profiteert (bijna) iedereen daarvan. Dat is ook duidelijk te zien op de arbeidsmarkt. In alle groepen is de arbeidsparticipatie toegenomen. Een groter deel van de bevolking tussen de 15 en 75 jaar heeft betaald werk. Ook is het verschil tussen bevolkingsgroepen kleiner geworden.
Een nieuwe economische crisis zou de verschillen weer kunnen vergroten. Als het slecht gaat met de economie hebben migranten en hun kinderen daar eerder last van dan werknemers van Nederlandse afkomst. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van het CBS naar arbeidsparticipatie in 2012 en 2013, toen de werkloosheid hoog was. Mensen met een migratieachtergrond raakten eerder werkloos, en de crisis werkte langer door in hun loopbaan. ‘Mogelijk speelt discriminatie daarbij een rol’, schrijft het CBS. Uit eerdere onderzoeken blijkt bijvoorbeeld dat sollicitanten met een buitenlandse naam minder vaak worden uitgenodigd voor een gesprek.
Migranten uit vluchtelingenlanden hebben het economisch het zwaarst. Zij zitten relatief vaak in de bijstand, en als zij werk hebben is hun inkomen gemiddeld lager. Bij andere migrantengroepen werden de verschillen bij de tweede generatie al een stuk kleiner, zowel qua arbeidsparticipatie als inkomen. Dat dit bij kinderen van vluchtelingen uit bijvoorbeeld Syrië ook gaat gebeuren is waarschijnlijk, maar nog niet te meten. Deze kinderen zijn gemiddeld nog erg jong, en zitten vaak nog op school.
De criminaliteit is de afgelopen twintig jaar in Nederland afgenomen. Er zijn minder verdachten, minder slachtoffers en inwoners voelen zich minder onveilig dan in 2005. Die daling van het aantal verdachten is in alle bevolkingsgroepen gedaald. Wel zijn er verschillen, zo worden mannen van de tweede generatie van Surinaamse en Marokkaanse afkomst vaker verdacht van een misdrijf.
Een deel van het verschil komt door een andere leeftijdsopbouw: jongeren worden vaker verdacht van misdrijven dan ouderen, en de tweede generatie migranten is gemiddeld jonger dan de Nederlandse bevolking. Correctie voor leeftijd haalt echter niet het hele verschil weg.
Verdacht worden van een misdrijf is natuurlijk niet hetzelfde als schuldig zijn. Uit eerder onderzoek blijkt wel dat ook bij personen die schuldig worden bevonden van een misdrijf dezelfde trend zichtbaar is. Voor alle herkomstgroepen geldt dat mannen veel vaker verdacht zijn van een misdrijf dan vrouwen.
Iets minder dan de helft van de mensen met een Nederlandse herkomst heeft niet vaak contact buiten de groep. In alle andere herkomstgroepen is dat percentage lager. ‘Kortom, mensen van Nederlandse herkomst zijn sterker op de eigen groep gericht dan mensen van niet-Nederlandse herkomst’, rapporteert het CBS. Nederlanders wonen ook vaker dan gemiddeld in een homogene buurt, waar een herkomstgroep het merendeel van de buurt uitmaakt.
Nederlanders en Polen kijken het minst positief naar culturele diversiteit. Dit blijkt uit cijfers van het CBS en een enquête van het Sociaal Cultureel Planbureau, de Survey Integratie Migranten. Ruim de helft van de Nederlanders, en iets minder dan de helft van de Polen denk (deels) negatief over culturele diversiteit. Bij inwoners met een Turkse, Surinaamse of Marokkaanse achtergrond is dit nog geen 20 procent.
Onbekend maakt onbemind lijkt hier te gelden, wie vaker contact heeft met andere herkomstgroepen denkt positiever over culturele diversiteit. Van Gaalen waarschuwt wel om hier oorzaak en gevolg niet te verwarren, het kan ook zijn dat wie diversiteit waardeert bewust in een meer heterogene buurt gaat of blijft wonen of een diverse vriendengroep heeft.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant