Home

Zanger Alex Roeka: ‘Over de liefde bestaan gruwelijke, sentimentele kutnummers’

Wat zijn dit voor vragen? Naar aanleiding van zijn theatertour Nachtcafé en de ep Vier laatste liederen, zeven dilemma’s voor singer-songwriter Alex Roeka (79 jaar en laatbloeier).

is verslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over media en muziek.

De liefde of de zelfkant van de maatschappij? (I)

‘Grote inspiratiebronnen, ja. Het leven aan de zelfkant wordt vaak geïdealiseerd, er hangt een romantisch aura omheen. Daar is het echte leven, daar ligt de poëzie voor het oprapen, daar bestaat geen hypocrisie en smerigheid. Allemaal onzin natuurlijk.

‘De marginale kant van het leven is gruwelijk. Armoede. Agressie. Drankmisbruik. Eenzaamheid. Ik heb het meegemaakt. Daar wil ik echt niet naar terug. Maar het gevoel is dubbel. Mijn liefde voor cafés heeft vast te maken met een verlangen naar de achterkant van het leven. Ik zoek het op, maar ik blijf er nu wel buiten.

‘De liefde is een ander probleem. Liefde is natuurlijk prachtig, maar meestal draait het uit op een relatie. En die zijn vaak problematisch, gezien het feit dat zo veel mensen uit elkaar gaan. Het geeft ook aanleiding tot een hoop zeikliedjes, hè. Laten we eerlijk wezen, over de liefde bestaan gruwelijke, sentimentele kutnummers. Mede daarom heb ik Vier laatste liederen gemaakt, een ep met nummers over de schaduwzijde van de liefde. Die is er, maar mensen praten of zingen er niet graag over.’

Het café of de sportschool?

‘Het café. Dat is voor mij een sacrale plek. Een meditatieplek ook. Laatst was ik in Merksem, een voorstadje van Antwerpen. Ik reed erdoorheen, keek een straatje in en zag een uithangbord van een café. Ik heb mijn auto geparkeerd, ik móést er gewoon naartoe, ook al drink ik bijna niet meer.

‘Het was zo’n aangenaam, marginaal volkscafé, met een man of zes, zeven die wat zaten te zwijgen, de krant lazen of een beetje lulden met de kastelein. En er stond muziek uit de jaren zestig op, het ene nummer na het andere. Ik heb daar heel lang gezeten, het liefst was ik er drie dagen gebleven.

‘Ik zou er misschien nog eens een lied over moeten schrijven, want ik begin het belang en de betekenis van het café steeds dieper te voelen. Maar goed, dankzij de sportschool kan ik nog wel naar het café lopen. Hier in Ossendrecht is een ruimte in het gemeenschapshuis waar wat van die apparaten staan. Daar train ik.

‘Er loopt een oude kooivechter rond, hij geeft bokstraining aan kinderen. Hij was een tijd verdwenen. ‘Hé, ouwe boef, heb je in de bak gezeten?’, zei ik toen hij er op een dag weer was. Verrek, dacht ik later, dat is een goeie eerste zin, dat kan een liedje worden, Hé ouwe boef, heb je in de bak gezeten?

Het waren de Stones met het gruis op hun tanden of Het was Dylan met zijn klank van ijzer? (Uit: Als een rollende steen, Alex Roeka, 2015).

‘Bob Dylan. Altijd Bob Dylan. Ik ken hem al vanaf zijn eerste plaat, in 1962, en ben hem altijd blijven volgen. Dylan is een onwaarschijnlijke grootheid, vooral op zijn eerste tien platen. De verscheidenheid van zijn oeuvre is ongelofelijk. The Rolling Stones hebben fantastische rocksongs gemaakt, maar die nummers spelen ze nog steeds. De band is in al die jaren niet veranderd. Dylan wel.

Als een rollende steen is een van de nummers die ik speel in Nachtcafé, mijn theatertour. Het is lekker stevig en er zitten autobiografische elementen in. Ik zing over mijn eigen verleden en over muziek, over The Beatles ook.

‘Dylan dus. Mede dankzij hem ben ik ook zo’n mannetje met een gitaar geworden. Hij is 83, maar treedt nog steeds overal ter wereld op. Dat spreekt me enorm aan. Je moet nooit ophouden; je moet altijd doorgaan.’

Zandvliet of Amsterdam?

‘Amsterdam. Ik slaap regelmatig in het huis van mijn zus en ik kom er graag, vanwege de herinneringen vooral en de charme van de stad en het gevoel van vrijheid. Mijn jonge jaren liggen er. Maar de vrienden van vroeger zijn verdwenen of overleden, of anderszins uit mijn gezichtsveld verdwenen. En dan wordt het in een keer een andere stad hè, niet meer de stad van vroeger.

‘Mijn vriendin en ik wonen nog niet zo lang in Zandvliet. We kwamen uit Zeeland. Het is een echt Belgisch dorp: niet zo eenvormig en keurig zoals Nederlandse dorpen. In Zandvliet is het een zooi, een leuke zooi. Geen huis is hetzelfde en overal ligt troep en oude meuk op het erf. Ze zijn vrij slordig, die Belgen.

‘Zandvliet ligt vlak over de grens, maar je blijft er altijd Nederlander, een vreemde. Belgen zijn een apart, eigenzinnig volk. De verhouding is altijd een beetje gespannen. Vooral de omgeving maakt het wonen hier zo aangenaam, met de Kalmthoutse Heide, de uitgestrekte bosgebieden en het open stuk richting Zeeland. Daar ademt het land. Ik fiets er graag. Naar Zeeland is het maar een halfuurtje.’

Jacques Klöters of Huub van der Lubbe?

‘Jacques. Huub heeft ooit heel mooie dingen over mij en mijn liedjes gezegd, in De wereld draait door onder meer. Op een gegeven moment ging hij als een prediker de wereld rond om mij onder de aandacht van het volk te brengen. Geweldige vent, Huub, maar voor mijn carrière heeft Jacques het meest betekend.

‘Vanuit wanhoop ging ik in de jaren tachtig Nederlandstalige liedjes schrijven. Ik was mislukt, als schrijver, als psycholoog, in alle opzichten. Ik leefde ’s nachts. Ik dronk, ik rookte hasj, zat in cafés en ging om met verkeerde mensen. Dat was mijn leven. Ik wilde romanschrijver worden, maar dat mislukte volkomen.

‘Om nog iets goeds te doen in mijn leven, dacht ik eraan om psychiatrisch verpleegkundige te worden, tot ik op een dag wakker werd in Amsterdam. Ik had de hele nacht doorgezopen en was in een vreemde kamer beland. Ik dacht: wat is dit voor een kale kamer hier? Wat is er gebeurd dat ik hier ben? Met die twee zinnen is het allemaal begonnen. Ik kwam op het idee voor een liedje, dat werd Late ochtend. Daarna heb ik er in heel korte tijd een stuk of vijftig geschreven.

‘Als muzikant had ik wat ervaring. Op kostschool had ik al in een bandje gezeten. Ik maakte muziek bij de teksten en heb een demo opgenomen in The Basements Tapes, een studio aan het IJ van een vreemde kerel, een Engelsman. Alles was bij elkaar gekomen: taal, poëzie, muziek.

‘En toen las ik in Vrij Nederland een artikel over cabaret en kleinkunst. Jacques Klöters werd genoemd als de grote autoriteit op dat gebied. Op een avond heb ik het bandje bij hem in de bus gestopt. Hij reageerde meteen, ik was net weer thuis toen hij al belde. Hij vond het geweldig. Dat was het begin. Jacques sleepte me het theater in en daarmee had ik mijn weg gevonden. Tot mijn dood zal ik dankbaar blijven voor wat hij voor mij heeft gedaan.’

Optreden of schrijven?

‘Moeilijk. Ik treed ontzettend graag op. Ik sta met twee fantastische muzikanten (Reyer Zwart en Jeroen Kleijn) op het podium. Optreden is een lijfelijke ervaring, het is heerlijk om samen muziek te maken en het enthousiasme van het publiek te zien. Maar daarna? Als ik na het optreden cd’s en platen heb verkocht, wat heb gekletst met mensen, een kop thee heb gedronken en nog even de zaal inloop, is alles vervlogen. Het podium is leeg, de zaal is leeg, er is alleen maar stilte, alsof er niks is gebeurd.

‘Optreden is tijdelijk, schrijven niet. Wat ik schrijf, blijft bewaard. Meestal ga ik ’s ochtends meteen aan de slag. Het gaat altijd door, ook in cafés, daar maak ik veel notities. En de krant is ook heel inspirerend. Als ik de eerste zin heb, komt de rest wel. Ik gebruik het rijmwoordenboek, hè. Het rijmwoordenboek moet je niet onderschatten. Dat brengt je op ideeën die je anders nooit zou hebben gehad, en woorden die nieuwe beelden oproepen.’

De liefde of de zelfkant? (II)

‘Ik ben de zoon van een notaris. We hadden thuis alles wat we wilden hebben en gingen studeren. Ik had psycholoog kunnen worden, dan was alles volgens het boekje gegaan. Maar op een of andere manier had ik daar weerstand tegen. Ik wilde niet dat mijn leven op die manier zou verlopen.

‘Ik heb samengewoond met een geweldige vrouw, ik zie haar nog steeds weleens. We woonden nota bene in Duivendrecht. Ze liet doorschemeren dat ze kinderen zou willen. Ik stond op een kruispunt. Wat moest ik doen? Een gezinnetje? Kinderen? Of moet ik terug naar de stad?

‘Ik ben teruggegaan en bij een vriend in de Pijp gaan wonen, op een zolderkamer. Toen heb ik het wel opgezocht, zal ik maar zeggen. Ik wilde weten hoe het dáár was. Drank, vrouwen, de nacht. Ik zat op het randje, ik ging te ver en kon bijna niet meer terug. Daarom zijn die liedjes voor mij zo’n enorme, enorme redding geweest. Het was voor mij de enige manier om terug te komen in de maatschappij.

‘Nu pas zie ik de ware betekenis van die tijd. Het gevoel van destijds heb ik altijd vastgehouden en ik verloochen die jaren niet, integendeel. Het is de bron van mijn poëzie, de oergrond waaruit alles is voortgekomen.’

Alex Roeka, Vier laatste liederen (met Reyer Zwart), € 12,50. Theatertour Nachtcafé tot juni 2025, zie alexroeka.nl.

ALEX ROEKA

1945 Geboren in Ravenstein (N-Br)
1996 Debuutalbum, Zee van onrust
1999 Annie M.G. Schmidt-prijs voor Noem ’t geen liefde
2009 Edison voor Beet van Liefde
2010 Eerste album bij platenmaatschappij Excelsior, Zachtaardig vergooid
2013 Edison voor Gegroefd
2017 Oeuvreprijs Cabaret en Kleinkunst
2019 Gedichtenboek Al het waaien van de wereld
2020 Engel en beest, documentaire over zijn leven in Het uur van de wolf
2022 Poelifinario voor kleinkunst
2024 Ep Vier laatste liederen

Alex Roeka heeft een relatie en woont in Zandvliet (Belgïe) en Amsterdam.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next