Aangezien ik betaald word om op deze plek het nieuws te duiden, maar na een klein half jaar observeren werkelijk niets noemenswaardigs aan premier Dick Schoof heb kunnen ontdekken (behalve dat hij, in tegenstelling tot wat her en der beweerd wordt, wel degelijk een denker is, zij het vaak pas achteraf), besloot ik mij onlangs in te schrijven voor een marathon.
In ieder interview dat langer dan veertig seconden duurt, benadrukt Schoof namelijk dat hij een hardloper is, om vervolgens te verzanden in eindeloze marathonmetaforen over doorzetten, samenwerken, heuvels en dalen, langzaam in het ritme komen, sterk finishen, enzovoorts, enzoverder.
Over de auteur
Jarl van der Ploeg is journalist en columnist voor de Volkskrant. Hij werkte eerder als correspondent in Italië. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Omdat ikzelf nooit verder dan 10 kilometer kwam, begreep ik maar zijdelings waarover hij op dat soort momenten sprak. Sterker nog: ik leefde in de veronderstelling dat een marathonloper nooit een goed leider kan zijn. Tenzij je vooraan loopt, is zo’n hele race namelijk één grote oefening in het slaafs volgen van een groep. Maar omdat ik graag een open blik houd, toog ik desalniettemin naar het Griekse plaatsje Marathon, nabij Athene, en begon ik te rennen.
De eerste paar kilometers ging dat wonderwel. Wij nieuwelingen bewogen ons weliswaar wat onwennig voort, met net als aan het Binnenhof een paar kleine misstapjes tot gevolg, maar omdat de meer ervaren deelnemers nog vrolijk en tolerant waren, vormde dat geen enkel probleem. Hup, zei iedereen. En: ga zo door!
Niet lang daarna echter, sloeg de sfeer voorzichtig om. We renden bergop en terwijl de hardlopers er zelf nog stellig van overtuigd waren met een monumentale prestatie bezig te zijn – hun faam zou niet met het stof des tijds vergaan als ze de ene voet maar voor de andere bleven zetten – zag het publiek aan de zijkant vooral veel zwetende mannen met een rode kop passeren die om de haverklap in hun lycrabroekjes graaiden teneinde hun ballen te herschikken.
Om mij heen zag ik steeds meer mensen die vooral bedreven leken in het negeren van signalen. Alles in hun binnenste schreeuwde: hou hiermee op, dit is voor niemand goed, stop alsjeblieft, maar toch renden ze allemaal door. En ze waren er nog trots op ook. Het leek mij, Schoofs marathonmetaforen indachtig, geen goed nieuws voor het Nederlandse kabinet.
Wee het land waarvan de machtigste man een fanatiek hardloper is, dacht ik wederom een paar kilometer later, want hardlopers ontberen intelligentie. Hoe dieper je van nature geneigd bent na te denken, hoe eerder je namelijk tot de conclusie komt dat het volslagen nutteloos is jezelf vier uur lang af te beulen om uiteindelijk terecht te komen op exact dezelfde plek.
Het gros van de deelnemers om mij heen verviel nu in een soort afwezigheid. Niemand communiceerde nog met elkaar. Het was ieder voor zich. Er werd geduwd en gescholden en op 35 kilometer verdween zelfs het laatst overgebleven stukje decorum. Ik heb varkens weleens minder onbesuisd zien huishouden in hun troggen dan de gemiddelde marathonloper bij het laatste bananendistributiepunt.
Nadat ik was gefinisht, en op internet mijn tijd wilde vergelijken met die van Dick Schoof, stuitte ik op een filmpje waarin de premier wordt geïnterviewd als hij net de halve marathon van Amsterdam heeft volbracht. Met een uitgeleefde teint op zijn gezicht, de wallen nog donkerder dan normaal en het opgeborrelde maagzuur zichtbaar via zijn mondhoeken naar buiten druppend, zegt hij: ‘Zoals ik de halve marathon heb gelopen, zo haalt dit kabinet de eindstreep’.
Hij leek er nog trots op ook.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant